1. Geen "duitsche toestanden"?
De bevrijding van Vught werd door de meeste mensen met uitzinnige vreugde en opluchting begroet. Lang niet iedereen was zo opgetogen. Voor degenen die zich tijdens de bezetting hadden verbonden met de bezetter (NSB-ers en talloze andere collaborateurs), zat er niets anders op dan te vluchten of gelaten de wraak van de bevolking over zich heen te laten komen.
Al op de dag van de bevrijding ging men ook in Vught op jacht. Zo noteerde de heer Van der Heijde op 27 oktober in zijn dagboek: "Ondertussen begint de politie de overgebleven NSB-ers en Deutschfreundlichen op te pikken. De buit is nog meer dan groot, veel kerels waar je het niet van zou hebben verwacht. Een pracht collectie steeds weer met hoera aan het politiebureau begroet en daarna overgebracht naar het "kamp", dat gelukkig intact is gebleven."
Het concentratiekampcomplex bij de IJzeren Man was inderdaad grotendeels intact gebleven. In snel tempo werd het nu gevuld met de vele duizenden collaborateurs die in de omgeving massaal werden opgepakt. Een sanatorium, zoals de nog tijdens de bezetting uitgesproken wens van sommigen was geweest, zou het nog steeds niet worden. Integendeel zelfs. Hier zou het grootste Interneringskamp voor collaborateurs in het bevrijde Zuiden worden ingericht en nog jaren in functie blijven. Op 7 november 1944 berichtte het Parool onder de kop "De engelschen zijn Vught binnengetrokken" ondermeer: "Met ontroering zal men overal in ons land kennis genomen hebben van het bericht dat Engelsche troepen het Brabantsche dorpje Vught en het daar in de omgeving in de bosschen gelegen Duitsche concentratiekamp bezet hebben". En over de nieuwe bewoners van het kamp: "Het is een geluk voor deze lieden, dat zij thans de gevangenen zijn van een beschaafd volk. Anders zouden zij thans eenzelfde lot gekregen hebben, als zij indertijd aan tienduizenden Nederlanders hebben opgelegd." Een maand na de bevrijding van Vught, wijdde het in 's-Hertogenbosch en omgeving verschijnende verschijnende "De Vrije Pers" een artikel aan het kamp te Vught. Hoog werd opgegeven over de reeds in korte tijd bereikte organisatiegraad in het kamp. Een weergave waaraan, zo zal verderop blijken, wel wat af te dingen viel. Ook hier besprak men, wat er eigenlijk verder met het kamp zou kunnen gebeuren: "Er wordt gesproken, en de gedachte wordt openbaar gemaakt, om er een pelgrimsoord van te maken waar het volk van Nederland in den geest zal herdenken de zware offers, die hier voor de toekomst van land en volk zijn gebracht. Er wordt gedacht aan sanatoria, aan openluchtgevangenissen, aan industrieën. Het zijn plannen, het zijn losse gedachten. Maar wat ook de bestemming zij - ook in zijn huidige exploitatie - steeds zal men indachtig moeten zijn, dat het nimmer de wensch van ons volk zal zijn dat hier duitsche toestanden worden geschapen."(1)
Toch duidde, ook toen al, veel op een in het kamp heersende situatie die niet eens zo ver af leek te staan van de ongewenste "duitse toestanden": "Ik kreeg onlangs een vriend over uit het zuiden. Hij had enige tijd een functie gehad in een van onze beruchtste concentratiekampen, dat sinds de bevrijding van het zuiden wel andere bewoners en bewakers had gekregen, maar overigens niet van bestemming was veranderd. Hij deed er smeuïge verhalen over; de commandant was vrijwel avond aan avond dronken en hield feesten, die opgeluisterd werden door vrouwelijke gevangenen; de hygiënische toestanden waren zo slecht als maar denkbaar is; de gevangenen stonden aan misselijke pesterijen en walgelijke grappen bloot. Toen hij het zat te vertellen, dacht ik dat hij het had over de periode voor de bevrijding, maar dat bleek een vergissing. Ik was eerlijk gezegd een beetje verontwaardigd, maar m'n Brabantse vriend wees me erop dat men tegen NSB'ers alles mag doen, omdat zij alles tegen ons hebben gedaan."(2)



