19 december 2008
III. HET LAND VAN HERKOMST 1957 tot 1963
1957, Het tijdstip van verjaring van de straf. Moeder krijgt Vader zo ver dat hij teruggaat naar Nederland om die alsnog uit te zitten. Hij krijgt gratie en wordt predikant in de Friese Zuidwesthoek. Daar groeit Janna op van een spichtig kind tot een meisje van achttien. Het gezin verhuist weer, dit keer naar Zuid-Duitsland. Janna keert na een intermezzo in Frankrijk terug naar Nederland.
III. HET LAND VAN HERKOMST
Kerstmis 1956 vierden wij in de Nederlandse gemeente van Saõ Paulo. Martje en ik kregen een Nederlands boek van de zondagschool. Op 1 januari 1957 reed een Nederlander ons door de bergen naar de haven van Santos. Hij kwam zo uit het Nieuwjaarsfeest en zwabberde af en toe een beetje. Best eng was dat, met haarspeldbochten. Maar hij bracht ons veilig aan boord van de XX Ybarra, een Spaans schip. Bij het wegvaren zag je hoe de flatgebouwen van Santos eerst lucifersdoosjes werden en toen in zee verdwenen. “Nu zie je dat de aarde rond is” legde Vader uit. Wij maakten het Driekoningenfeest mee aan boord. Martje en ik kregen allebei iets, maar voor blonde Sietske van vier was er een hele laars vol lekkers en speelgoed. Bemanningsleden riepen haar na: “Oh que linda creatura!” Het schip legde onderweg aan in Teneriffe. Daar was het nog lekker weer. Eind januari voeren we door de Straat van Gibraltar. Het was vroeg in de morgen. Vader haalde ons uit bed, zodat we konden zien hoe de lichtjes langzaam uitgingen op de bergen aan beide kanten.
Een dochter van de ambassadeur van Duitsland ging in Barcelona van boord en nodigde ons uit voor een bezoek. De familie had een mooie adellijke naam en serveerde gebakjes. Zoiets hadden wij kinderen nog nooit gezien, dus we begonnen er aan te likken. Moeder heeft zich bijna doodgeschaamd, denk ik.
Genua was ons eindpunt. Daar kon je nog op een terras zitten. Wij werden bediend door een ober die Esterhazy heette. Dat was iemand van Hongaarse adel, dus. Zo kregen mijn ouders een voorproef van het Europa van de Koude Oorlog. Met een nachttrein reden we door de Alpen, en de volgende morgen zag ik sneeuw. In Zuid-Duitsland, bij een tussenstop in een Mennonitisch Broederschapshuis, mochten we sleeën met ons kleine zusje.
Altijd als ik Nederland nader bij Arnhem, en ik zie rijen populieren, dan denk ik – nee niet aan Marsman. Ik denk er aan hoe we met zijn allen de trein uit moesten, hoe mijn vader zijn vrijgeleide toonde en hoe we verder mochten naar Emmen. Daar woonden Oma en Tante Frouwkje. Martje en ik gingen bleven daar, en gingen meteen naar het Emmer Lyceum. Dankzij de lessen van mijn vader hadden we aansluiting. Van de leraar Frans mocht ik geen Portugese woorden naast de Franse zetten. Dat vond ik echt gemeen. Vader werd door twee politiemannen opgehaald en naar Veenhuizen gebracht. Iedereen om ons heen zweeg daarover, ook de school. Dat hoorde kennelijk zo in Nederland. Na drie weken kreeg hij gratie en kwam bij ons terug. Sindsdien kon hij, verder zo onhandig, goed wasknijpers repareren. Moeder woonde met Sietske weer bij haar ouders, die ook terug waren in hun huis. Vader ging promoveren in Marburg. Martje en ik kregen elk een kleine kamer, en samen een studeerkamer. Oma had een sigarenwinkeltje en verwende ons, tante Frouwkje speelde de hele dag op de piano met haar leerlingen. Wij wilden wel blijven. Maar toen Vader gepromoveerd was stelde hij zich beroepbaar. De tien jaren waren om, hij mocht weer op de kansel. Hij werd predikant in Warns, in de Friese Zuidwesthoek. Tussendoor deed hij een examen Mo-Duits, en werd ook nog leraar aan de Rijks HBS in Leeuwarden. Zo kwamen wij terecht in een Friese pastorie. Martje en ik leerden Fries en moesten elke dag op de fiets naar het station en dan met de trein naar het Christelijk Lyceum in Sneek. Twee buurjongens wachtten ons geregeld op om ons te duwen als het hard waaide of als er sneeuw lag. Ik kreeg weer een jonge hond met lang zwart haar. Hij werd op een dag overreden en lag dood in de schuur toen ik thuiskwam. Hoe erg dat was, dat kan ik niet uitleggen. Ik haalde een nieuwe hond uit de stad, maar die zwierf veel rond. Toen ging ik ook parkieten houden en konijnen, en zo had ik toch weer dieren. In 1959 werd mijn broer Wiebe geboren en dat was een belevenis voor ons grote zussen. Op de christelijke school heb ik leren Psalmen zingen. Het was daar een heel ander soort gelovigheid dan ik kende. De Mennonieten vonden persoonlijke vroomheid erg belangrijk. Bij de Nederlandse Doopsgezinden had je alles: vrijzinnig, recht in de leer en bevindelijk. Vrijzinnig bevindelijk bestond ook. “Spiritueel” zouden we dat nu noemen. Maar op deze christelijke school vonden ze het raar als je op je eentje zat te bidden. Juist in die tijd kreeg ik mijn eerste mystieke ervaring, maar dat kon ik aan niemand vertellen. Vader organiseerde internationale zomerkampen. Daar voelde ik mij wèl thuis. Hij haalde ook een opwekkingsgroep uit de omgeving van Baarn naar de Zuidwesthoek. Ik was denk ik hun vlijtigste aanhanger, want ik heb mij vele malen bekeerd. Eén van die jongeren was een Hongaar die naar Nederland gevlucht was, na de Russische inval. Van hem kreeg ik mijn eerste zoen en dat was opwindend. Maar het mocht eigenlijk niet van God, dacht ik toen. Gelukkig zat hij ver weg, en als ik hem zag op conferenties dan bleef ik een beetje uit zijn buurt. Tante Frouwkje nam mij nog jarenlang mee op vakantie. Naar Oostenrijk, naar de Middellandse Zee, naar Noorwegen. Over de oorlog hoorde op school ik alleen maar heldhaftige verhalen, dus veel begreep ik er niet van. Ik had een klasgenote van wie de vader door het verzet geliquideerd was. Zij mocht dat van haar moeder aan mij vertellen. Wij hadden nu iets dat ons met elkaar verbond. Maar er over praten deed je niet. Op school werd ik vaak gevraagd om verzetsgedichten te declameren ter gelegenheid van Bevrijdingsdag. Ik deed dat zo mooi, vond iedereen. Tante Annie uit Haarlem, mijn oudtante, meldde mij aan voor een quiz van Theo Eerdmans. Mijn onderwerp was Zoogdieren. Voor de camera vertelde ik over Zuid-Amerika. Ik wist toen al heel goed wat je mocht zeggen en wat je moest verzwijgen. Gelukstelegrammen en boeken over dieren werden mij van overal toegestuurd, ik werd op straat herkend. Ik droomde er van televisiester te worden. Dat gebeurde niet, maar op de televisie komen hielp wèl tegen pesten op school.
Je neemt er wat van mee Theo Eerdmans
Vrienden maken deed ik niet zo gemakkelijk. Bijna niemand wist “het”, maar dat sprak vanzelf. “Het” mocht immers niet bestaan. Martje en ik deelden in Warns zo'n beetje een vriendin. Maar ik was dan toch weer op mezelf met boeken en beesten. In mijn kamer hing een portret van Franciscus van Assisi. En ik las met rode konen opwindende passages uit het Oude Testament, en Freud en andere boeken die niet mochten. Alleen de Bijbel, die konden ze niet verbieden.
Mijn zus Martje ging na haar eindexamen naar Amerika als trainee. Dat betekende dat je in huis of op de boerderij werkte bij Mennonieten. In mijn eindexamenjaar nodigde een vriendin mij uit om bij haar in de kost te komen in Sneek. Ik kende haar van de jeugdbeweging. Zij had allerliefste ouders. Ik kreeg een zolderkamertje en kon daar rustig studeren. In Sneek mocht ik gedichten voorlezen van Rilke, het was iets van het Goethe-instituut. Ik won en het werd uitgezonden voor Jeugdomroep Mignon. Ik voelde mij veelbelovend.
Na zes jaar werd mijn vader weer onrustig in Nederland. Dat kan ik nu beter begrijpen dan toen: in Friesland was hij gezien, maar in onze kerk als geheel hoorde hij er toch niet meer echt bij. Martje kwam terug uit Amerika en we verhuisden naar Zuid-Duitsland. Vader werd daar beroepen in een Mennonitische gemeente. Martje ging talen studeren aan de opleiding voor tolk in Heidelberg. Ik vertrok naar de Franse Elzass, als au pair. Daar leerde ik wat het is als je moet schoonmaken voor anderen en niet gerespecteerd wordt. Ik heb dat altijd onthouden. Aan mijn zus Martje heb ik in die tijd veel gehad. Zij begon dingen te begrijpen, over Nederland, over de familie, die ze mij uitlegde. Toen ik te veel kalmerende pillen innam in Frankrijk kwam zij bij mij logeren en hielp mij weer overeind. Ik heb toen toch het hele jaar vol gemaakt bij het Franse gezin. Uit een soort koppigheid denk ik: ik wilde bewijzen dat ik zelfstandig kon zijn, dat ook ik kon leren huishouden. En ik wilde Frans leren: ik mocht colleges bezoeken, ik kreeg les, en dat vond ik geweldig.
Hoe kun je vriendschappen opbouwen als er iets is waarover je altijd je mond moet houden, en als je telkens weer verhuist? Toch kwam er nog een tijd waarin ik midden in het sociale leven zat. Dat was toen ik terugging naar Nederland om in Groningen te gaan studeren. Het werd toch geen Frans, maar Theologie. Maar ook daar zweeg ik, net als bijvoorbeeld mijn homofiele studiegenoten.













Voeg een reactie toe