Op 4 mei 1945 schrijf ik in mijn dagboek:
“De moffen hebben gecapituleerd!! Ik ben doodmoe, maar toch wil ik even schrijven op deze historische dag. Precies op mijn verjaardag. ’t Hele stelletje kwam vanavond op verjaarsvisite en ging om 9 uur weg en juist toen kwam het bericht uit. We hebben gehost, gezongen en gek gedaan. In ‘t begin geloofde niemand het natuurlijk. Enfin fantastisch.”
En op 6 Mei:
“Overal hangen de vlaggen uit en alles loopt met oranje, leuk gezicht.” Mijn moeder wilde de vlag niet uitsteken omdat mijn zusje Joke gestorven was en er dus niets te vieren viel. Ik dacht toen hoe heb je het lef om over een vlag uitsteken te praten – de buurt zou de vlag onmiddellijk van de gevel afgerukt hebben.”
En verder in mijn dagboek:
“Naar de stad gegaan. ‘t Eerste wat we zagen waren twee moffensletten, die op het plein op een verhoging stonden en kaalgeschoren werden. Tenminste erg piekerig geknipt en daarna kregen ze menie eroverheen. Al waren het ordinaire mokkels, die met Duitse soldaten waren gegaan, ik vond het een rot gezicht.” Een wraakneming.
“Hemelsvaartdag 10 Mei 1945.
“Vandaag is de eerste van de vijf officiële rouwdagen, omdat deze ellende vijf jaar geleden begon. Ik zit in de keuken te schrijven, met een oog op de noodkachel en een oor naar de bel. Ze zijn nl. NSB- ers in het eerste gedeelte van de straat aan het oppikken en ’t kan best dat ze Mam ook komen halen. Ik krijg de stuipen als ik er alleen al aan denk. Ze is nu gelukkig naar het graf van mijn zusje op Westerveld, maar nu zit ik hier alleen. (…) De oploop in het eerste gedeelte van de straat is afgelopen. Als ze nu vanmiddag maar niet hier komen. Ik kan ’t niet uitstaan, ik heb nooit eens plezier zonder dat er wat naars bij komt. Altijd is er wat.Mijn grammofoon is terug. Ik draai de hele dag “Happy in my blue Heaven.”
Vrijdag 11 Mei 1945:
“Nou het is zo ver hoor. Vanmorgen zijn ze geweest om haar te halen. Ik lag juist lang in bed uit te slapen en dacht dat het nu wel los zou lopen. Enfin om tien uur er uit. Er werd gebeld en toen open gedaan was hoorde ik: “Heeft U ook wapens in huis?” Dus het was zo ver. Gelukkig bleef ik kalm, ging niet naar beneden en ben keiharde platen gaan draaien. Op een gegeven moment komt zo’n agent mijn kamer binnen. We hebben heel gemoedelijk zitten kletsen (!). Hij vroeg of ik NSB-gezind was en of ik in Augustus de lidmaatschapskaart van mijn moeder verbrand had. Toen moest ik mee naar beneden. Mijn vader was doodzenuwachtig. Hij zat zonder colbertjasje in hemdsmouwen, wat heel ongebruikelijk voor hem was. Ze vroegen naar het bewijs dat hij de radio had ingeleverd, wat hij zorgvuldig had bewaard. (Dit was dus een bewijs dat mijn vader geen gebruik wenste te maken van voorrechten, die mijn moeder kreeg.)
En toen moest ze mee. Ik heb niet aan de deur gestaan om afscheid te nemen. Oh wat was dat erg. Al die mensen. Die vernedering om opgebracht te worden als een dief. De hele straat zal toegekeken hebben. ’t Leek af en toe of ik gek werd. Ik wist niet wat ik moest doen. Ze zeiden tegen mijn vader dat ze haar niets zouden doen. Waarschijnlijk omdat hij zo stond te trillen dat ik ook bang was dat hij een hartverlamming zou krijgen. Daarna zaten we in diepe verslagenheid bij elkaar en wisten niet wat te zeggen of te doen. Tot overmaat van ramp kwam mijn tante, die mijn moeder in dat rijtje tegengekomen was, haar gal uitspugen in plaats van ons te steunen. Mijn vader was er de man niet naar om haar het huis uit te zetten. Dit was het laatste waar we op zaten te wachten.
Ik heb later wel eens gedacht , waarom heeft niet een van mijn vrienden mij gewaarschuwd – ze moeten het geweten hebben want ze waren bijna allemaal bij de B.S (Binnenlandse Strijdkrachten). Niet dat mijn moeder gevlucht zou zijn, maar dan waren we er een beetje op voorbereid. Slechts één vriend kwam ’s middags met een bosje bloemen – de rest liet zich niet zien. Wat waren dat voor vrienden. Uitgezonderd twee zwemvrienden uit het al eerder bevrijde Zuiden. Ik lag ’s middags te slapen toen er gebeld werd. Twee heren voor mij en Canadezen nog wel. Zij wisten dat mijn moeder fout was en opgepikt zou worden en zijn expres in uniform langs gekomen. Ze moesten een pakje afgeven bij iemand in de straat. En zo liep ik heel trots tussen de eerste Canadezen. “Echt leuk zoals de straat stond te kijken, ze wisten niet hoe ze het hadden.”
We wisten dat mijn moeder in een school geïnterneerd was, maar er was geen bezoekregeling. Uit mijn dagboek: “Koen vertelde dat ze niemand wil zien, wel erg voor haar eigenlijk, want al mijn vrienden moeten haast wachtlopen voor die school. Paul wilde haar gedag zeggen, maar toen draaide ze haar hoofd om. Ze moeten de hele dag in schoolbanken zitten en mogen niets zeggen en krijgen bijna niets te eten. En dan in die hittegolf. Ik ben bang dat ze dit niet lang volhoudt. Koen zei ook al dat dit wel de genadeslag zou kunnen zijn. Pap houdt zich goed, alleen moet ik me beheersen anders vlieg ik zo op.”
Het bleek dat mijn vader hongeroedeem had, (had eten uit zijn mond gespaard om aan mij te kunnen geven) maar met de extra rantsoenen was hij gelukkig weer vlug hersteld en ging met de trein om zaken te doen. Dat waren niet de meest luxe rijtuigen, ze zaten onder de vlooien. Ik moest op eens het huishouden doen. Mijn moeder had altijd klaar gestaan voor de familie, maar daar hoefde ik geen hulp van te verwachten. Van een vriendin kreeg ik een puntzakje DDT(een kostbaar geschenk) en waren de vlooien gelukkig vlug verdwenen, de vader van een vriend kon het electra weer aansluiten zodat ik in ieder geval kon stofzuigen in plaats van vegen. Ik heb mij in die tijd ondanks de vele feesten vaak heel eenzaam gevoeld: zusje overleden, moeder in het kamp en beste vriendin naar Zweden.
De school was ondertussen weer begonnen. De eerste dag hield juffrouw Janssen, onze klassejuffrouw, mij aan het eind van de les even apart en zei iets dat ik mijn leven niet vergeten ben: “Toen ik jou op een Canadese tank zag zitten betekende dat voor mij de bevrijding.” Hoe het op school opgenomen werd, dat mijn moeder in een kamp zat, weet ik niet. Dat zwaard van Damocles was eigenlijk nooit echt gevallen.
Ik hoor tot de lichting van 1945, die hun einddiploma cadeau kreeg. Toch gingen we nog naar school. En dan op 23 Juli 1945 schrijf ik in mijn dagboek: “Mam gezien. Ze moest de Sociëteit schoon maken. Erg pijnlijk was het. Maar omkeren wou ik niet, Ze zag er slecht uit, helemaal grijs en erg moedeloos leek me. Ze liepen in de rij, bewaakt door BS-ers met stengun.” Ik ben toen naar school gegaan, ik zal niet erg met mijn gedachten bij de les geweest zijn. Langzaam kwam een bezoekregeling op gang. Mijn vader “presteerde” het om bij één van de bezoeken haar een paar chocoladerepen toe te stoppen - zo helemaal tegen zijn aard in. Maar mij lukte het niet toen ze op een ziekenzaaltje lag met een galaandoening. Ik probeerde toen chocoladerepen onder haar matras te stoppen, maar de bewaakster zag het. Krengen vond ik het.
Twee broers van mijn moeder hadden in een jappenkamp gezeten. De ene bezocht haar, na toestemming van de commandant van het interneringskamp, samen met zijn vader. Wat een emotionele ontmoeting moet dat geweest zijn! De andere broer bezocht haar ook, pas nadat ze uit het kamp was. Hij gaf haar te kennen “De dood van je dochter is je verdiende loon.” Een grotere tegenstelling is wel niet denkbaar.
2 reacties
Seyss-Inquart
Ook weer een van die aangrijpende verhalen.
Zou ik wat kleine stukjes uit jouw verhaal (uiteraard met bronvermelding) mogen gebruiken voor mijn biografie over Seyss-Inquart die in april 2010 verschijnt mogen gebruiken? Of zou jezelf nog een kort verhaaltje willen schrijven voor dit boek?(ook weer met bronvermelding.)




meeleven
Lieve onbekende,
.. dank voor het delen van je verhaal; onze opa is ook opgepakt - ik had geen idee van bijv. de weersomstandigheden of wat hij meemaakte; onze moeder vertelde alleen dat hij enkele sneden brood per dag mocht en dat zij daarom het brood niet overdwars maar overlangs sneden.
Addy