Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

9 april 2009

"...En ze weigerde de speen"

Dit is het verhaal van een kind uit een groot en orthodox katholiek geslacht. Dit kind heeft in haar vroegste jaren zo weinig veiligheid, voeding en aandacht gekregen dat ze alleen maar kon overleven door alles wat niet te bevatten was in een ander deel van haar bewustzijn ‘weg’ te maken.
In de jaren ’90 zal deze stoornis wetenschappelijk onderzocht en erkend gaan worden.

De wetenschappelijke term is DIS, Dissociatieve Identiteitstoornis, meer bekend is de term Meervoudige Persoonlijkheids Stoornis (MPS). Meer informatie is te vinden op www.empty-memories.nl. Deze stoornissen worden onder andere veroorzaakt door herhaaldelijke emotionele verwaarlozing. Het kind is niet opgevangen terwijl het nog niet emotioneel zelfredzaam is. Symptomen hiervan zijn identiteitsverwarring, vervreemding en soms meerdere afsplitsingen, zogenaamde alters. Sommige alters komen bijvoorbeeld helpen als men in een moeilijke situatie komt. Later kan men zich daar dan niets van herinneren. Maar ook moet men nu erkennen - na jaren van experimenteren met vele soorten therapieën voor deze beschadigingen in de vroege jeugd - dat het herbeleven, het naar je gevoelens toe moeten voor deze groep mensen, desastreus heeft gewerkt. Als je bij het verhaal van dit kind steeds zou moeten vertellen hoe zij jeugdherinneringen heeft terug gekregen en hiermee haar leven in ieder geval rationeel in kaart heeft gebracht, zou dit onleesbaar worden… Om meer afstand te kunnen nemen van mijn geschiedenis en mijn jeugd heb ik het in de derde persoon geschreven.

Als kind van zijn tijd, de crisisjaren, heeft de vader (mijn vader), die een idealist was, maatschappelijk ongewenste keuzen gemaakt. Deze hebben zijn gezin en het kind (dat ben ik) sterk beïnvloed. Het kind is geboren op de dag dat de vader gearresteerd werd. Dit was een traumatische ervaring voor de moeder (mijn moeder). Zij heeft dit nooit kunnen verwerken. Het kind heeft haar door haar bestaan altijd herinnerd aan deze gebeurtenis en de gevolgen ervan. “De rampzalige dag waarop haar wereld instortte.” De moeder heeft het de vader nooit vergeven. De moeder heeft ook nooit van het kind kunnen houden. Zij kreeg acht kinderen waarvan een meisje is gestorven, het kind kreeg de naam van dit overleden meisje.

Het kind heeft de moeder in de pubertijd eens wanhopig toegeroepen: “Je hebt nooit van mij gehouden!” en haar antwoord was: “Dat heb ik nooit laten merken!”
Dus nu het ‘gewone’ levensverhaal:

  • Het kind van 3 maanden

    Het kind van 3 maanden

Mei 1945…

De mensen uit de huizen in de waterlinie, waar zij wonen, rond Utrecht zijn geëvacueerd, want dit gebied is onder water gezet. Er zijn nu geen mensen meer in deze straat. De vrouw kan in haar nood alleen naar haar zuster in het dorp gaan – een veel oudere onvriendelijke zuster waar ze nu afhankelijk van is. Haar man is tijdens de dagen van de bevrijding ondergedoken bij zijn ouders. Er komt iemand van de Binnenlandse Strijdkrachten aan de deur en ze zal de volgende dag met haar kinderen opgehaald worden als haar echtgenoot zich dan nog niet gemeld heeft. Als hij dit bericht ontvangt geeft hij zich onmiddellijk aan bij de betreffende instantie.
Ze heeft inmiddels weeën en kort na middernacht wordt er een baby geboren. Het wordt in het ondergoed van haar grootmoeder (enkele weken daarvoor overleden) gewikkeld en krijgt wat suikerbietenpap met een lepeltje.
Net na de hongerwinter heeft deze ondervoede moeder uiteraard zelf geen voeding voor haar kind, maar ze zal ook nergens kindervoeding kunnen krijgen. Ze is immers de vrouw van een N.S.B.’er.

Haar doopnaam wordt Antoinette Maria

Gelukkig is de kerk in de volgende straat, want in deze katholieke familie is dopen het belangrijkste. De oudste dochter hoort natuurlijk naar grootmoeder van moeders kant vernoemd te worden, maar die had voor haar dood gevraagd om dat niet te doen: zowel in het gezin waar oma opgroeide als bij al haar dochters waren de kinderen met deze naam gestorven, in 1941 ook bij deze dochter. Alsjeblieft niet weer, die naam is vervloekt… Maar traditie blijkt belangrijker en de naam wordt Antoinette en zal haar hele jeugd ook nooit afgekort mogen worden. Als een broer haar naam afkort, is daar direct: “ze heeft tenminste nog een fatsoenlijke naam”. Het kind zal in haar leven dikwijls naar de (verboden) slaapkamer van haar ouders gaan waar een tekening van haar overleden zusje aan de muur hangt. Ze sleept er een stoel bij en kan, met haar handje tegen het schilderijtje aan, piekeren hoe het toch kan dat dit kindje altijd ‘lieve Antoinetje’ blijft en dat het haar nooit lukt om lief te zijn.

Antoinetta.JPG

Weer thuis

Na een week of drie kan de moeder met haar kinderen en de baby terug naar huis.
De moeder, wiens familie tot de intellectuele middenstand had behoord en door haar echtgenoot verwend werd, is nu straatarm, er zijn geen inkomsten. Ze gaat eens per week, in het donker, niemand mag het weten, een bijdrage halen bij de Vincentiusvereniging, de armenzorg van de katholieke kerk.
Dit is nauwelijks genoeg om haar vijf kinderen te eten te geven. Soms krijgt ze ook wat oude kleding. Ze gaat ’s nachts met haar twee oudste jongens van 7 en 8 jaar naar het moeras om bomen te kappen als brandstof.
Ze had het makkelijker kunnen hebben als ze contact met haar schoonfamilie had gehouden, maar die waren een standje lager en het is moeilijk om daar nu hulp te gaan vragen. De moeder probeert zo goed mogelijk het gezin draaiende te houden maar is zeer depressief. Haar streng katholieke opvoeding belemmert haar suïcide te plegen.

In die zomer gaat een broer van haar man echt trouwen, voor de kerk dus, en ze sturen zelfs een auto om haar op te halen. De familie vraagt de fotograaf om een foto te maken, zodat die naar de vader gesmokkeld kan worden om hem te laten weten dat hij een dochter heeft. Hij wilde zo graag een dochter, zij had niets met meisjes.
En nu moest ze weer iets van díe familie aannemen.

met moeder.JPG

Geen kleuterschool

De broertjes gaan ver weg in Utrecht op school, dat betekent dat ze een uur moeten lopen en ’s middags overblijven. Het kind gaat niet naar een kleuterschool en is dus tot haar zesde jaar alleen thuis met een moeder, die als een robot haar zware plichten vervult en diepe depressies heeft. Er is geen radio, geen muziek in dat huis, er wordt niet gelachen, er wordt niet gespeeld, er is geen papier of potlood of zoiets en er is amper of geen (lichamelijk) contact tussen moeder en kind.
Een van de weinige mensen, die over de vloer komt is de huisarts. De moeder gaat nog maar zelden naar buiten en hoeft van hem niet naar het consultatiebureau. Hij komt naar haar. De kinderen krijgen alle kinderziekten en hun zusje dus ook. Alleen gaat zij er soms bijna aan dood. De moeder vertelt dat ze kinkhoest had en dat het al zo lang stil was boven, dat ze ging kijken en dat het kind niet meer ademde en een blauw gezicht had. Ze nam het op en rende er zelfs mee de straat op. Maar toen begon het weer te ademen.

Eenzaamheid en vervreemding

Een dergelijke gebeurtenis krijgt het kind te horen als ze (later) steeds maar weer probeert om haar moeder iets over haar jeugd te laten vertellen. Het kind kan zich niets herinneren van gebeurtenissen voor haar twaalfde jaar. Meestal krijgt ze te horen: ‘dat zijn dingen die gebeurd zijn voor jouw tijd. Daar weet jij niets van’. Vaak zijn er toespelingen waar ineens niemand zogenaamd iets van weet. En altijd weer lag er die beschuldiging in dat de moeder het altijd al zo moeilijk had met het kind. Ook dat ze als baby zoveel huilde en dat ze daar gek van werd. En als (het dan volwassen) kind vraagt: maar waarom liet je het kind dan niet zuigen op je vinger of een dot met suikerbietenpap, dan werd de moeder zo verdrietig dat haar dochter niet begreep dat ze dat toen toch niet wisten en dat zij, de moeder, juist altijd zo flink was geweest.
Er was ook iets positiefs. Ze was al zindelijk toen ze ruim een jaar was. Dat zal ook belangrijk geweest zijn in de tijd dat je geen zeep en warm water had en alles nog met de hand moest worden gewassen.

Het kind herinnert zich de zon door het glas in lood boven in de ramen. Hoe ze daar steeds naar een ander kleurtje zat te kijken en het zitten achter in de tuin. Aan de andere kant van de sloot was een ouderwetse boomgaard en daar liepen ook dieren. Er was alle tijd, gelegenheid en aanleg - als kind dat alleen nog maar intuïtie en gevoel heeft en geen verstand of begrip - om in een fantasiewereld te gaan leven.

in de tuin.JPG

Tijdens een hypnosesessie (als ze volwassen is) wordt aan het kind gevraagd om een veilige plek in haar jeugd te zoeken. Die vindt ze bij haar vader in het kamp. Hij was blij als ze kwam, hij hield van haar en ze mocht op zijn schoot.
Maar het was ook bedreigend. Er waren boze mannen en ook haar moeder was boos en ze werd weggestuurd, moest alleen naar buiten.

Als haar vader thuis komt is ze drie jaar. Ze weet nog dat Oom Charles, de overbuurman, fotograaf en haar peetvader, haar in hun tuin roept en foto’s van haar maakt. En later krijgt ze twee foto’s van hem als cadeautje voor Papa.
Mama was boos omdat het geld beter gebruikt had kunnen worden.

Het ziekenhuis en de school

En toen kwam de dag dat ook zij naar school mocht. Tenminste, dat was haar verteld. En haar moeder bracht haar achter op de fiets. Het was zo’n mooie herfstdag en er was zoveel geluk in het kind.
De moeder bracht haar in een groot gebouw (de dokter had besloten dat op die dag haar amandelen moesten worden geknipt). Ze werd in een hoge stoel gezet en haar armen en benen vastgebonden en er kwam een man van wie je alleen de ogen zag. Ze wist dat ze nu dood gemaakt zou worden…
… ze zat, na de behandeling, op een klein stoeltje op de gang te wachten tot ook zij opgehaald werd. Verpleegsters waren kinderbedjes aan het schoon maken. De een zei tegen de ander: “die daar wordt zeker niet meer gehaald”. Ze vroeg zich af wat er dan met haar zou gebeuren, maar verroerde zich niet.

Anthoniusziekenhuis.JPG

Als ze een dag of veertien later toch naar school mag moet ze in een gang een soort sloffen over haar schoenen doen en gaat ze met een non naar een lokaal met een hele grote kachel waar veertig meisjes zitten. Die zijn aan het oefenen van het bord “f f f en v v v” allemaal samen en hardop. Die kinderen zijn allemaal al groot en ze kunnen van het bord lezen, ze kennen elkaar. Zo niet van de kleuterschool dan toch dat ze al twee weken bij elkaar in de klas zitten, al kan het kind dat niet zo beredeneren. Ze weet dat ze onzichtbaar moet worden.

rapport 1 (2).JPG

Altijd te laat

Op weg naar school moet ze naar een van de grote huizen langs de Utrechtse weg en daar bij de oprit wachten tot de kinderen die daar wonen naar buiten komen. Er is een groter meisje bij dat er voor zorgt dat alle kleine kinderen op school komen. Maar die kinderen vinden haar een slecht kind.

Als ze langs Fort De Bilt (een ex-interneringskamp) komen is het altijd spannend of ze dan aan haar denken, want dan kunnen ze zomaar ineens zeggen:
…“ga jij daar beneden bij het water zitten, daar horen kinderen zoals jij thuis”. En dan moet ze daar heel lang blijven zitten tot ze zeker weet dat alle kinderen weg zijn en dan kan ze naar school… als ze met een rapport thuiskomt waarop staat dat ze vaak te laat komt kijkt de vader, die de handtekening moet zetten naar de moeder en die haalt haar schouders op en zegt dat ze op tijd weg gaat...

Niemand heeft haar ooit gevraagd waarom ze te laat kwam. Het kind zou ook niet geweten hebben wat ze moest zeggen. Ze leefde in zulke verschillende werelden en de ene wereld wist niet van de andere.

rapport lagere school.jpg

In de wereld van de school moet ze onzichtbaar blijven en heel erg haar best doen. Ze weet dat goede rapporten het allerbelangrijkste zijn voor de moeder. Het is ook wel eens verwarrend:
… de dag dat ze in de klas kwam en het schoolbord was omgeslagen en er was zo’n prachtige tekening van Sinterklaas en Zwarte Piet, zo mooi… maar dan komt de zuster de klas in en die is heel erg boos: wie heeft dat bord open geslagen? Het kind steekt haar vinger op, ze weet dat je er maar het beste snel vanaf kunt zijn. En dan zijn er ineens kinderen in de klas, die roepen dat zij het niet gedaan heeft. Ze begrijpt niet hoe dat kan (zij doet toch altijd alles verkeerd). Later wordt ze nog bij de hoofdzuster geroepen omdat ze gejokt heeft…

Het gezin

In de wereld van het gezin heeft ze geen plek. Er zijn na haar nog twee zusjes bij gekomen en er zijn nu twee groepen: ‘de jongens’ en ‘de kleintjes’. Het kind hoort beurtelings bij de ene of de andere groep. Bij welke van de twee groepen ze hoort maakt de moeder uit. Het gezin functioneert als een goed geoliede militaire machine. De vader gaat ’s morgens al heel vroeg weg om te werken. Komt ’s avonds eten en gaat dan weer werken. De moeder is thuis, leveranciers komen nog aan de deur en andere boodschappen doet de vader op zijn vrije zaterdagmiddag. De moeder zal altijd zelf blijven koken en dat kan ze heel goed. De kinderen krijgen huishoudelijke taken zodra ze daar fysiek toe in staat zijn. Als de twee kleine meisjes mee naar de lagere school gaan komen ze tussen de middag thuis om te eten. Na het eten gaat de moeder in de luie stoel bij de kachel liggen en zegt: “ik moet even mijn ogen dicht doen”.

…het kind moet dan de tafel afdekken, afwassen en opruimen en de kleintjes moeten haar helpen, het moeilijkste is om het heel stil te doen, want als er iets tegen elkaar klettert of zo doet de moeder de ogen open en kijkt ze en dat is zo erg: ze zegt: “gunnen jullie me dan geen minuutje rust”, maar dat zegt ze natuurlijk tegen het kind en dikwijls zegt ze helemaal niets, kijkt alleen maar, dat is nog veel erger…

In het gezin wordt nauwelijks gesproken. Als huiswerk, taken en alles gedaan is wordt er door iedereen gelezen, iedere vrije minuut. Het is een intellectueel gezin. Iedereen is lid van de parochiebibliotheek en later van andere bibliotheken. Er komt nooit bezoek in het huis en er gaat ook nooit iemand op bezoek.

Verwijten

Haar wordt meermalen verweten dat zij het karakter van haar vader heeft. Ook dat ze altijd de rust verstoort. Ze is te druk, extravert en spontaan. Dat zijn kwalijke karaktertrekken.

… maar nog erger is dat ze zo hardleers is dat ze iedere keer weer vergeet dat er dingen zijn, die boosheid en straf oproepen, zoals zeggen dat je de groente niet lust, een schep extra en naar de donkere koude keuken; als iemand iets heel moois krijgt zoals een kleurboek of zo zeggen ‘dat wil ik ook’: “wat is dat kind toch altijd jaloers - daar ben je al te groot voor en gun een ander ook eens iets - ga weg! Altijd als jij speelt maak je de dingen kapot…”

Eén keer in de week is er een familieontbijt, na de hoogmis. De plek rond het bord van Antoinette is altijd snel leeg, want zodra ze iets pakt en ermee gaat spelen, een zoutvaatje, een lepeltje, pakt de moeder het af en zet het buiten bereik tot er een lege cirkel rond haar bord is. Niemand besteedt er enige aandacht aan, het is nu eenmaal een lastig kind.

… Op een dag staat ze in de keuken zachtjes een liedje te oefenen: “Op de hoek van de straat staat een NSB’er, het is geen man ook geen vrouw, maar een farizeeër, schiet hem dood…” de moeder komt binnen en is heel erg boos dat haar dochter zo’n slecht liedje kan zingen. Het kind begrijpt niet waarom dit niet mag, de andere kinderen zingen het steeds voor haar…

Opleiding

De vader heeft in alles teleurgesteld, het is een stille man geworden. De internering in het strafkamp heeft zijn sporen nagelaten. Hij heeft ook niets meer te zeggen in het gezin. Zijn kinderen en zijn vrouw kijken op hem neer en minachten hem om alles wat er is gebeurd. De kinderen zullen goed moeten maken wat hem niet is gelukt: zich een hoge en belangrijke positie in de maatschappij veroveren.
Van de broers zijn er al verschillende naar het seminarie gegaan en het kind, zij is nu twaalf jaar, zal naar de beste katholieke middelbare school moeten. Die is in Amersfoort. Het is een dure nonnenschool met internaat. Het is ook een strenge school. Het niet mee mogen spelen en uitschelden heeft altijd bij haar bestaan gehoord en er verandert weinig op de nieuwe school. Dat wordt haar al snel duidelijk door de overduidelijke minachting van de andere meisjes.
Het verschil is te groot: er zijn meer meisjes uit gegoede katholieke milieus, die extern zijn, maar die gaan met de bus. Zij moet de 18 km heen en 18 km terug dagelijks fietsen en als de eerste les vroeg is moet je al voor zeven uur in de ijzige kou op de fiets, alleen, een stille weg en dan net dat laatste stukje, de ‘berg’ op. Daar heeft ze dikwijls bijna toe gegeven aan het verlangen het stuur te draaien, het bos in te gaan en in de sneeuw te gaan liggen. Maar dat zou zo’n grote zonde zijn, dus hard bidden om deze verzoeking te weerstaan. Op mooie zomerdagen komt er wel eens een hele rij meisjes uit Utrecht, die dan ook op de fiets zijn. Maar daar mag ze niet achter fietsen. Dan zeggen ze: “even heel hard, anders blijft die krakende ouwe fiets achter ons”.

Haar moeder verwijt haar de dure school, kleding, boeken, schriften, de fiets, er is geen geld voor een kantinelunch, een rare schooltas. Ze valt uit de toon op school. Als ze thuis een keer vertelt dat haar hele klas met een schoolreisje naar de EXPO gaat is het de grap van de week, het idee alleen al… de burgerlijkheid… wat goed dat wij zo intelligent zijn, boven al deze onzin staan, ook boven die rare feesten in april en mei, dat ze naar het Domplein wilde om te zingen op Koninginnedag… daar staat ons soort mensen toch ver boven.
Wat lijkt ze toch op haar vader!

Haar eindrapport is een groot verdriet voor de moeder. Ondanks bijlessen van de broers gaat het niet lukken, ze zal blijven zitten. De pater zorgt dat ze in Utrecht toch over kan gaan. MMS. is al erg genoeg, maar zitten blijven…

mag niet over.JPG

Vriendinnen

De jaren op het Bonifatiuslyceum zullen tot de beste van haar leven horen. Ze wordt opgenomen in een groep meisjes uit de Utrechtse binnenstad, ze wordt gevraagd om bij de watergidsen te komen. Ze kan erbij horen, omdat er genoeg plekken zijn in de huizen waar ze samen kunnen komen en er niemand ooit naar haar thuissituatie vraagt. Ze is handig, heeft overal tijd voor en veel fantasie.

Thuis begint er ook meer welvaart te komen en daarmee wordt het latente alcoholisme van de moeder acuut. Ze ligt veel ‘ziek’ in bed tot de tijd dat ze moet koken. Zolang ze met het avondeten maar thuis is kan de tiener dus alles. Ter wille van haar vrienden gaat ze nu zeggen: “ik moet zo en zo laat thuis zijn”, want ja, dat moeten de anderen ook. Ze moet zelfs zo ver gaan om te zeggen dat er een broer van haar bij de Berenkuil op haar wacht, want geen van de ouders zou hun dochter in het donker alleen langs die weg laten fietsen. En ze wil er zo graag bij blijven horen, ze moet het wel op deze manier doen.

De keren dat ze wel thuis is keert ze zich tegen haar moeder, wil uitleg, wil begrijpen waarom niemand haar normale aandacht geeft zoals bij de vriendinnen waar ze mee omgaat. Ze merkt dat het in andere gezinnen anders gaat dan bij haar thuis. Vraagt waarom ze niet op haar vader mag lijken. De moeder roept dat ze “bang is van haar eigen kind” en er is altijd wel een broer, die haar dan in de houdgreep neemt en buiten zet. Jaren later zou het een topper blijven dat zij dan zo hard kon vechten en steeds maar ‘moordenaars’ riep. Pas in 1962, ze is dan 17 jaar, wordt ze door een pater op het matje geroepen en krijgt dan eindelijk te horen wat er is gebeurd. Hij legt uit waarom ze met haar vragen haar moeder steeds zieker maakt.

Beroepskeuze

Ze wist dat ze naar de kweekschool wilde, maar dat was uiteraard weken lang een bron voor vele grappen geweest, zo’n burgerlijke opleiding…
Op dat moment was - na kapelaans en andere paters - al lange tijd een pater degene, die - op verzoek van de moeder - de vaderrol had. Als hoogleraar in de pedagogiek had hij genoeg studenten om beroeps- testen te kunnen afnemen en hoewel het erg is dat je met een MMS-diploma geen universitaire studie kan volgen waren er nog andere mogelijkheden om toch een hogere opleiding te krijgen.

…de ene opleiding na de andere mislukte, de situatie in huis werd onhoudbaar… tot heeroom uit Brazilië met zijn zeven jaars verlof kwam en zei: de vorige keer dat ik hier was wilde je verpleegster worden…

collegekaart.JPG

De tijd als verpleegster, verplicht intern, was een goede tijd. Ze mocht er zijn en erbij horen. Ze was nooit te beroerd om diensten over te nemen of vrije dagen te ruilen. Ze kon het beste leren en gaf vele uren bijles aan de zwakkere medeleerlingen. Voor de patiënten was haar nooit iets te veel en ze was sterk, vlug, handig en werd geprezen om haar gave van haar handen, die zo pijnloos konden werken. Tegen de tijd dat de nonnen de ziekenhuizen gingen verlaten werd haar van meerdere kanten aangeraden om de Hogere School voor Verplegenden te gaan volgen, want ze was zo geschikt als leidinggevende en in de toekomst zou je daar papieren nodig voor gaan hebben. Deze opleiding gaf ook een officiële lesbevoegdheid en ze kreeg een beurs.
Wat ze nooit had kunnen vermoeden was dat – het was inmiddels 1970 – ze met mannen in de klas zou komen, dat ze vakken als ‘sociale vaardigheden’ zouden gaan krijgen en dat ze niet alleen de theorie van de psychologie, filosofie, management en wat al zou krijgen, maar ook veel trainingen. De veranderingen in de wereld waren haar totaal ontgaan en deze keer kon ze zich niet zo snel aan passen aan deze vreemde wereld, ze wist niet wat gevoelens waren, hoezo gevoelens tonen?

YAVIS groep

Hoewel ze nog wel haar einddiploma haalde kwam ze daarna in een therapeutisch centrum terecht. Dit was vooral gericht op de YAVIS groep (young, attractive, verbal, intelligent, social). Een moderne, harde en confronterende therapie. Alles was maakbaar en als er iets in je leven fout liep was dat altijd jouw eigen schuld. 24 uur per dag groepstherapie.

Drama

Na drie maanden moest ze wel haar beurt nemen bij het psychodrama spelen, want anders werd je weg gestuurd. De groep besloot dat ze moest spelen dat ze een spoedgesprek bij haar psychiater moest aanvragen omdat ze ziek was. Het werd een marteling: wie er ook ‘dubbelde’ om te zeggen wat ze moest zeggen, het lukte niet, ze had nog nooit hulp gevraagd, ze had in haar hele leven nog geen halve dag verzuimd, ze kon niet zeggen dat ze ziek was. Uiteindelijk, na bijna anderhalf uur, kwam haar psychiater achter haar staan en zei haar voor wat ze moest zeggen: “ik ben ziek en ik wil naar bed gebracht worden.” Toen brak ze, ze voelde haar wangen nat worden, dat waren tranen, ze wist niet dat zij die ook had. De psychiater verzuchtte: “Eindelijk!! u weet nu dat u een dreinend kind in u heeft en nu moet u gaan zorgen daarvan af te komen!”

Een ‘fout’ kind

Alle patiënten wisten dat de psychiater joods was. Iedereen wist ook dat deze patiënte een ‘fout’ kind was en dat zij veel harder werd behandeld en gekleineerd dan de anderen. Hoewel ze zich van de persoonlijke gesprekken met de psychiater bijna niets meer herinnert ‘weet’ ze nog de doodsangst waarmee ze in de gang naar het rode lampje stond te kijken. Als dat uit ging moest ze naar binnen en het kwam er altijd op neer dat ze ongenadig op haar lazer kreeg.

… dat ze nooit verantwoording voor haar eigen leven had genomen zie haar zelfmoordpogingen, dat ze alleen maar een dramatische aandachtvreter was, dat ze ondanks alle therapie nog nooit een spier had ontspannen, dat ze de motoriek van een mongool had, hoe erg het moest zijn voor haar moeder ook nog eens een kind te hebben gekregen dat niet wilde deugen, dat ze nooit volwassen had willen worden…

Na bijna anderhalf jaar moest ze weg, omdat er geen veranderingen meer zichtbaar waren. Zij had geleerd zich aan te passen aan de therapie. In haar eindgesprek zei de psychiater dat ze de rest van haar leven moest zorgen dat ze alleen functionele contacten zou hebben, want dat ze intiemere contacten nooit zou kunnen leren hanteren. Toen ze daarop vroeg: ‘zegt u nu eigenlijk dat ik beter toch zelfmoord kan plegen?’ dacht de psychiater even na en zei toen - en dat klonk voor het eerst meelevend en vriendelijk - : “Ja, ik denk dat het voor u het beste zou zijn”.

Later kreeg ze haar eigen dossier in handen en daar stonden zoveel onware en vreemde zaken over haar leven in, maar het meest typerend was de opmerking:
“…reden van haar ondervoeding: ze weigerde de speen”.

Hier zegt de psychiater dus dat het kind zelf schuldig was aan haar ondervoeding omdat ze de speen weigerde. Hier kan een kind niet schuldig aan zijn en het heeft dan ook niet plaatsgevonden, want er was geen fles, speen of melk. De baby kreeg suikerbietenpap gevoerd met een lepeltje. Ze heeft nooit gezogen.

Door haar “psychiatrisch” verleden te verbergen had ze al snel weer een baan als leidinggevende en docente, bij een kraamcentrum, op de jongerenvleugel bij lichamelijk gehandicapten, als hoofd van een kinderafdeling. Op het werk zelf ging het altijd uitstekend. Maar haar persoonlijke leven bleef inderdaad een puinhoop. Een paar keer per jaar ‘voelde’ ze aan komen dat het mis ging, nam vakantiedagen op en ‘verdween’. Ook heeft ze duizenden guldens uitgegeven om door het hele land, zowel regulier als alternatief hulp te zoeken voor haar problemen.

In haar betaalde werk stond ze bekend als rechtvaardig maar streng. In die positie mocht ze aanmerkingen maken. Ze kreeg zelfs respect omdat ze, zonder aanzien des persoons, oneerlijk gedrag niet tolereerde.
Tijdens een verschil van mening met een meerdere kwam een van haar alters haar beschermen. Hij gaf ongezouten zijn mening. Dit veroorzaakte haar ontslag op staande voet. Ze heeft nooit geweten wat haar alter heeft gezegd.

Dit, door haar jeugd zo sterk ontwikkelde gevoel voor onrecht, was ook de reden dat zij niet paste in vrijwilligerswerk en in lotgenotengroepen. Ook in een lotgenotengroep en in organisaties komt misbruik van macht voor. Mensen willen daar over hun emoties en verdriet komen praten, maar toch, hoewel niemand dat rationeel wil, speelt de ‘hiërarchie van het leed’ een grote rol.

Je kunt verdriet en gevoelens niet meten of met elkaar vergelijken. Je kunt oorzaken van verdriet met elkaar vergelijken maar dat verandert niets aan de gevolgen.
Gevoelens van eenzaamheid, rouw, onrecht, geïsoleerd zijn, leed, spijt, verlies en pijn zijn voor alle mensen gelijk.
Maar het is ook waar dat kinderen van ‘foute’ ouders meestal niet gehoord worden, geen erkenning krijgen, dat er aan hun verhalen getwijfeld wordt en dat maakt het extra moeilijk.

Pas in de jaren ’90 weet ze dat haar probleem een naam heeft: DIS (vroeger MPS: Meervoudige Persoonlijkheids Stoornis) genoemd. Ze weet inmiddels ook dat ze meerdere alters heeft.

Tegenwoordig leidt ze een teruggetrokken leven in een schattig huisje, druk met haar hond, haar tuin en haar vele hobby’s en ze heeft zelfs enkele goede vrienden, die ze niet dikwijls en zeker niet langdurig ziet, maar die haar nemen zoals ze is.
En ze is heel veel!

Nu denkt ze anders over de vader. Het kind minacht de vader niet meer zoals haar aangeleerd was. Zijn foto staat in haar kamer.

Wilt u meer weten over haar, haar vader en andere familieleden voor, in en na de Tweede Wereldoorlog ga dan naar www.familiekronieken.eu.

  • huisje.JPG

    huisje.JPG