Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

22 april 2009

2

Flarden herinneringen en vermoedens

Heel lang wist ze niets zeker. In de pubertijd begonnen de vermoedens, maar sinds drie jaar weet mevrouw Van Kruistum pas zeker dat haar vader lid was van de NSB. Toen bracht ze een bezoek aan het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging in Den Haag en las het dossier van haar vader. Over haar jeugdherinneringen, de puzzelstukjes die langzamerhand op hun plek vielen en de gevolgen die ze hiervan nog dagelijks ondervindt, sprak ze uit tijdens een interview met Ceciel Huitema.

  • Mevr. Van Kruistum en haar oudere broer tijdens de bevrijdingsfeesten

    Mevr. Van Kruistum en haar oudere broer tijdens de bevrijdingsfeesten

Jarenlang sprak ze met niemand over haar jeugd. Ze werkte hard en runde een gezin met zes kinderen. Toen ze met overgangsklachten naar een overgangsconsulent ging, omdat ze al tien jaar klachten had, en ze te horen kreeg dat deze klachten maximaal vijf jaar konden aanhouden, werd haar voor het eerst gevraagd of er iets anders speelde. ‘Ik denk, nu moet ik het zeggen’. Dit was het begin van haar duik in het verleden, het volgen van verschillende therapieën om te leren omgaan met wat er allemaal gebeurd is en haar strijd om het bespreekbaar te maken.

Mevrouw Van Kruistum had geen gemakkelijke jeugd. Ze werd in 1941 in Amsterdam geboren en voor haar ouders was het niet gemakkelijk om zich economisch en sociaal staande te houden. Haar vader, die eerder jarenlang werkzaam was geweest bij exportbedrijf Lindeteves Stokvis in Indonesië en ontslagen werd vanwege zijn lidmaatschap van de NSB, runde tijdens de bezetting een kleine kruidenierszaak die hij via zijn contacten in de partij had verkregen. Toen de winkel in 1943 geboycot en niet meer bevoorraad werd, moesten haar ouders de zaak noodgedwongen van de hand doen. Het gezin, dat toen drie kleine kinderen telde, verhuisde naar Bussum. In het dossier van haar vader bij het CABR zijn nog brieven te vinden uit deze tijd waarin hij de NSB om hulp en werk vraagt.
Omdat ze nog erg jong was, heeft ze weinig herinneringen aan de bezettingstijd.
‘Wat ik me kan herinneren is dat we moesten vluchten’. Ze weet nog dat ze met haar moeder en broer en zus omstreeks Dolle Dinsdag op het station van Baarn stond, waar nog een heleboel andere huilende kinderen en moeders waren. Samen met nog een ander NSB-gezin vluchtten ze richting Hannover. Mevrouw van Kruistum herinnert zich nog dat die jongens haar naar de schuilkelder droegen tijdens bombardementen. Via deze jongens, waar ze recentelijk nog contact mee heeft gehad, weet ze nog het een en ander over de vlucht en het verblijf in Duitsland.
Vanaf Baarn reden ze met goederenwagons richting Duitsland. Via Hannover kwamen ze aan in het dorpje Dannenberg. Daar verbleven ze in een smerig kamp zonder voedsel. Vervolgens werden ze overgeplaatst naar het dorpje Jameln, waar ze werden opgevangen in een toneelzaaltje annex bioscoopje. Ze sliepen op stapelbedden en stromatrassen. Daar werden ongeveer 50 Nederlandse vrouwen en kinderen opgevangen en was er een Duitse leidster. Van september 1944 tot en met maart 1945 zijn ze in Jameln gebleven.
Van dat verblijf weet mevrouw Van Kruistum zich niets te herinneren, maar wel van de terugweg naar Nederland. Er was sprake van treinstakingen. 'We konden niet verder dan de grens van Groningen. We hebben ondergedoken gezeten in Oude Pekela bij boer Van der Borg. Dat weet ik nog heel goed, daar lagen wij in de kelder. En met de bevrijding, dat weet ik ook nog heel goed, mocht ik met ze [de kinderen van de boer] mee, voor het eerst, naar de kleuterschool.'
Na de bevrijding van Groningen, in april 1945, gingen ze terug naar Amsterdam. In eerste instantie werd mevrouw Van Kruistum samen met haar broer ondergebracht bij familie. Korte tijd later kwamen alle kinderen bij moeder terug en gingen ze inwonen bij oma in Amsterdam. Daar hebben we een hele tijd gezeten, ‘Dat was ellende, dat was pure ellende. Oma mocht me niet. Bij haar was ik altijd een smerig loeder. Ik was altijd vreselijk bang en plaste elke nacht in mijn bed. Er was geen zeep, geen wasmachine, er was niks. Alles was op de bon. Om het bedplassen af te leren werd ik er ‘s morgens met mijn gezicht in geduwd en voor m’n billen geslagen en zo kon ik naar school.’ Het gezin bleef daar ongeveer vijf jaar wonen.

Als kind heeft ze nooit geweten dat haar vader gevangen zat. 'Hij was er niet, en toen, plotseling, was hij er weer. Er werd gewoon niet over gepraat. Nooit. Ze weet niet beter of haar vader was een gebroken man. ‘Hij had altijd aanvallen. Dan kreeg hij vreselijke krampen. Dan was hij helemaal verkrampt en lag hij op de grond. Hij kon ook nooit normaal doen tegen mij. Hij wreekte zich altijd. Hij sloeg mij altijd met de broodplak of pakte me in mijn nekvel, ik mocht nooit wat zeggen, verstand had ik niet [volgens hem], als het mijn beurt was om af te wassen werd het terug gezet – de afwas –, moest ik het overdoen. Mijn moeder maande mij altijd netjes te blijven tegenover mijn vader. Thuis liep mevrouw Van Kruistum op haar tenen om alles zo goed mogelijk te doen om te voorkomen dat ze ergens op werd afgerekend. ‘Ik groeide niet als een normaal kind op, het ging gewoon niet, je telde niet mee. Ik ben eigenlijk altijd geestelijk mishandeld door mijn vader.'
In 1950 verhuisden het gezin naar Lopik. Daar had mevrouw Van Kruistum ook geen leuke tijd. 'We mochten daar op zondag niks. We mochten niet tollen, niet ballen. Dat waren ze daar niet gewend. Mijn vader had daar via, via een kruidenierszaak gekocht en in die tijd gingen de winkels 's morgens half acht open en 's avonds acht uur dicht. Geen vrije zaterdag. Dus mijn vader moest noodgedwongen 's zondags met die boekhouding op tafel. Het kon niet anders.' Daar werd het gezin op aangekeken, vrienden op het dorp kregen ze niet.
Toen mevrouw van Kruistum een jaar of zestien, zeventien was, kreeg ze voor het eerst vermoedens dat haar vader in de oorlog wel eens “fout” geweest zou kunnen zijn. ‘Mijn broer sprak er over; je ging denken, er is iets mis. Er is iets niet goed. Je gaat iets vermoeden'.
In die tijd maakte een gemeentebeambte van Lopik verdekt bekend dat haar vader - die niet goed lag in de christelijke gemeenschap - lid geweest zou zijn van de NSB. In die tijd zat haar jongste broer - geboren in 1957 - op de lagere school en werd hij uitgescholden voor vuile NSB'er. 'Hij wist totaal niet wat er aan de hand was. Ook toen kwam er geen verhaal of uitleg van onze ouders.’
Ondanks alles geloofde mevrouw Van Kruistum toch nooit echt in die geruchten. Als ze flarden van herinneringen wilde checken bij haar moeder zei zij:’ ..ach, dat heb je gedroomd, dat kan niet’. Daardoor twijfelde ze of haar vermoedens en ideeën wel klopten. Er werd niet verder over gepraat.

‘Mijn dochter moest een keer voor school een werkstuk maken, dat heeft ze over de oorlog gedaan. Toen zei ze: ‘’nou, dan ga ik met oma praten, die heeft de oorlog meegemaakt.’’ Maar die heeft heel andere dingen verteld dan dat waar was. Die wilde het gewoon niet weten. Ze vertelde iets wat nergens op sloeg. Ik zei tegen mijn dochter: "Vergeet het maar, want dit is absoluut niet gebeurd". Ze zat gewoon feiten te verdraaien.'

Door haar gesprek met de overgangsconsulent bij de drogist in het dorp werd een proces in gang gezet. Samen met haar man - die tot dan toe ook niets van haar verleden wist - en haar broer bracht ze een bezoek aan het Centraal Archief in Den Haag om het dossier van haar vader in te zien. Tot die dag wist ze niet zeker dat hij lid was geweest van de NSB en dat hij gevangen heeft gezeten. `Daar kwam ik achter toen ik het las. Ik deed dat dossier open en ik zag het als een van de eerste dingen staan: NSB. En ik had iedereen altijd verteld: dat zijn ze nooit geweest, dat kan niet; maar het was toch wel zo.'
In het dossier stond te lezen dat haar vader in 1935 lid was geworden van de NSB omdat hij de beweging als een socialistische partij zag en verwachtte dat hij iets kon doen aan de situatie van veel arme mensen, aldus zijn verklaring. Eigen belang was het toen niet, in die tijd had hij zelf nog een goede baan in Indonesië. Verder las ze dat haar vader, in de oorlogstijd, openlijk het speldje van de NSB droeg en zich verdienstelijk maakte bij Winterhulp. ‘Dus hij schaamde zich er totaal niet voor.' Uit het dossier blijkt verder dat haar vader in Assen, Meppel en Arnhem heeft gewerkt. Hij is nooit direct actief geweest voor de Duitsers. Terwijl hij in Meppel wacht liep is hij gevangen genomen door de Binnenlandse Strijdkrachten en opgesloten, eerst in Dokkum en Leeuwarden en later in Crailo. Na een gerechtelijke uitspraak waarvan het vonnis gelijk was aan de tijd van voorarrest is hij, eind 1946, vrijgelaten.

Ook nu het familieverleden bekend is en puzzelstukjes op hun plaats vallen, blijft haar moeder zwijgen. Een tijdje terug heeft haar broer nog geprobeerd met hun moeder over het verleden te praten, maar ze klapte volledig dicht. Vanwege haar hoge leeftijd hebben de kinderen afgesproken het verleden maar te laten rusten.
Mevrouw Van Kruistum is er echter van overtuigd dat als haar moeder – vader is vroeg overleden – vroeger met haar kinderen over hun keuze en hun doen en laten gesproken had, het voor haar en haar broers en zussen allemaal veel gemakkelijker zou zijn geweest. Ook haar broers en zussen onderling spreken niet over het verleden.

De situatie anno 2009

Mevrouw Van Kruistum (nu 67) is nog heel erg bezig met het leren omgaan met haar ervaringen en volgt hiervoor verschillende therapieën in het Sinai-centrum. Ze kan niet zeggen of de geestelijke mishandeling waarmee ze thuis te maken kreeg, nu een direct gevolg was van de gebeurtenissen tijdens de oorlog, ookomdat haar jongere boer en zussen andere herinneringen hebben.
Het is niet gemakkelijk om begrip en hulp te vinden en ze heeft al verschillende keren ervaren dat anderen niet zitten te wachten op haar verhaal. 'Ik moet nog steeds mijn mond houden. Ik had laatst een ouderling op bezoek, toen vertelde ik het verhaal en toen zei hij gelijk: "daar heb ik niks mee" of "hier kan ik niks mee". Ik denk ja, daar schiet ik ook niks mee op.' Ook bij haar huisarts kon ze nooit terecht. Jarenlang kwam ze met lichamelijke klachten bij hem. Op een gegeven moment woog ze nog 49 kilo. Toch heeft hij nooit doorgevraagd en kon zij er niet toe komen er met hem over te beginnen. Ze voelt zich niet begrepen door ouderling en huisarts. ‘Ik wordt nu nog niet serieus genomen’.

2 reacties

schuldgevoel

Ik denk dat het belangrijk voor u is, dat u uzelf overtuigd dat het niet uw schuld is dat uw vader NSB-er was. Het klinkt misschien gemakkelijk, maar net zo goed als "goede" kinderen, hebben ook kinderen van "foute" ouders een trauma overgehouden aan de oorlog door de opvoeding.
Ik vind het geweldig dat u uw verhaal vertelt en misschien worden er een heleboel ogen en oren geopend hiervoor.
Dit geldt eigenlijk voor iedereen die dit heeft meegemaakt en nog steeds de wrange vruchten ervan plukt.
Veel sterkte toegewenst van een meelevende vrouw van 64.

M. Seijdell, 26 apr 09, 16:42

Erica van Kruistum

Heel moedig om uw verhaal te vertellen, u hebt een vreselijke jeugd gehad wat helaas altijd doorwerkt in het heden. Ik hoop dat u met therapieen ver kunt komen qua verwerking en acceptatie. Heel veel sterkte.

carina Smit, 13 sep 09, 14:23
Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website