27 april 2009
3
‘Je wilt trots zijn op je ouders maar dat kun je niet onverdeeld’
Jeugdherinneringen van een jong meisje in bezettingstijd
Mevrouw K. Umbach-Brandsma werd in 1938 in een gegoed, intellectueel en kunstminnend middenstandsgezin geboren. Haar vader werd een aantal jaren voor de oorlog lid van de NSB. Haar moeder stond weliswaar geheel achter de ideeën van Hitler en had contacten bij de NSB en de Germaanse SS, maar sloot zich nooit officieel aan bij één van beide. Na Dolle Dinsdag vluchtte het gezin, in het kielzog van het Duitse leger, via Arnhem naar Coevorden. Haar vader is uiteindelijk een jaar geïnterneerd geweest, maar de POD kon haar moeder niets maken.
Dit interview is gemaakt door Ceciel Huitema
Mevrouw Umbach groeide op in een mooie en ruime woning vlakbij de bossen van Zeist. Haar vader kwam uit het zakenmilieu – zijn vader bezat meerdere winkels aan de Slotlaan in Zeist en was onder andere commissaris van de middenstandsbank – en werkte in het bankwezen. Eigenlijk had hij liever geschiedenis gestudeerd. Eind jaren twintig trouwde hij – in eerste instantie tegen de wil van de familie in – onder zijn stand met een dochter van een particulier boswachter op de Utrechtse Heuvelrug. Haar moeder had een nare jeugd die gedomineerd werd door haar wrede vader. ‘Als mijn moeder een pop kreeg, mocht ze ‘m niet uit de verpakking halen maar er alleen naar kijken.’
Het jonge echtpaar bleek niet goed bij elkaar te passen. Haar vader was een zachtaardige, poëtische man, die van talen, cultuur, muziek en geschiedenis hield. Hij sprak dan ook vele talen. Hij was voor haar moeder geen interessante man. Zij was namelijk een krachtige, uitbundige vrouw die erg van vertier en vermaak hield. Mevrouw Umbach weet te vertellen dat haar moeder samen met een vriendin de Nederlandse officierspakken van de echtgenoot van haar vriendin aantrok en daarmee de hort op ging, of dat ze het hoofd van Willem Mengelberg, dirigent van het concertgebouworkest, op hol bracht. ‘Daar was mijn moeder heel goed in.’ Haar vader werd hier jaloers en nijdig van.
Het echtpaar dreigde kinderloos te blijven, maar toen echter een jeugdliefde van moeder opdook, bleek ze toch zwanger te zijn. In 1932 werd hun eerste dochter geboren en zes jaar later werd mevrouw Umbach geboren. ‘Het zou best wel eens kunnen dat die man mijn biologische vader is.’ Hij werkte als arts en is tijdens de Tweede Wereldoorlog helaas omgekomen in de Javazee.
Herinneringen aan een gezellige vakantie aan Duitsland, jaren '30
In de jaren dertig – mevrouw Umbach weet niet precies wanneer – werd haar vader lid van de NSB, net als een aantal andere familieleden. Haar vader en ook zijn familie kwam voor zaken en vakanties regelmatig in Duitsland. Daar hadden ze werkloosheid gezien en ook de onrust en de rellen onder de Duitse bevolking die hiervan het gevolg waren. Ze constateerden dat het met Duitsland beter ging nadat Hitler aan de macht was gekomen; het volk begon weer op te leven. Een voorbeeld daarvan was Kraft durch Freude, een organisatie in nazi-Duitsland die goede arbeidsprestaties beloonde met uitstapjes en vakanties, zelfs naar Italië.
Het ging haar ouders in financieel en materieel opzicht voor de wind. Ze hadden een dienstmeisje en een naaister, een mooi huis en ze konden lekker uitgaan. Ondanks dat zagen ook zij de werkloosheid en de verloedering in Nederland toenemen. Bovendien zagen haar ouders – weet mevrouw Umbach van haar oudere zuster – het communisme als een reëel gevaar. In een tijd waarin het geluid van het pacifisme steeds sterker klonk (met als symbool de gebroken geweertjes), dachten haar ouders dat alleen Duitsland het oprukkende rode leger zou kunnen bestrijden. Zij zagen een oplossing in een groot Duits rijk. Deze ontevredenheid, angst en zijn voorliefde voor de Duitse cultuur, zorgden ervoor dat haar vader zich aansloot bij de Nationaal Socialistische Beweging.
Ook haar moeder stond geheel achter de ideeën van het nationaal-socialisme. Ze was van mening dat het gemeenschappelijk belang boven het persoonlijk belang ging, dat ieder zijn verantwoordelijkheid moest nemen. Ze hield van het Duitse militarisme (soldaten hielden wel parades voor haar en ze werd verliefd op een Duitse officier die in Stalingrad zou sneuvelen) en had ook wel iets tegen joden ‘want dat vond ze diep in haar hart toch onbetrouwbare mensen die altijd maar probeerden onrust te zaaien en de zaak op de spits te drijven.’
Haar moeder was fanatiek. Mevrouw Umbach kan zich nog herinneren dat ze op de stuifheuvel de toehoorders ervan probeerde te overtuigen dat het beter was als Duitsland de oorlog zou winnen en dat Hitler een goede kerel was. Haar moeder collecteerde voor de soldaten aan het Oostfront, meldde haar oudste dochter aan bij de Jeugdstorm en had goede contacten met soldaten en officieren van de Wehrmacht. Deze waren gelegerd op het nabijgelegen landgoed Woudschoten en werden voor de gezelligheid bij haar thuis uitgenodigd. Dan werd er lekker gedronken en muziek gemaakt (vader speelde viool), maar ook gediscussieerd over de politieke situatie en de oorlogsvoering. Ondanks het feit dat haar moeder veel fanatieker was dan haar vader, sloot zij zich nooit officieel bij de beweging aan.
Haar moeder wist wat er met joden gebeurde. ‘Mijn moeder wist dat mensen in concentratiekampen en gaskamers werden gestopt. Dat heeft ze me als kind verteld. Dan zei ze: “Ja dat is allemaal nog niet zo erg, dan gaan ze met een handdoekje de gaskamer in, ze voelen niks.” Het is zó raar, als kind denk je dat wat je ouders zeggen goed is. Je ouders treffen geen blaam. Later denk je: dat kan toch niet, dat is idioot!’
Haar vader verloor al weer snel het vertrouwen in Hitler en de zijnen. Toen de oorlog begon en de Duitsers binnenvielen, gooide haar vader zijn hoed weg en zei dat hij niet meer ging werken omdat hij dacht dat het nu afgelopen zou zijn. ‘Nu is het over en uit’ had hij gezegd. ‘Mijn vader zag al heel snel dat dit niet de oplossing was.’ Tegen het einde van de oorlog wilde hij dan ook niets liever dan dat zijn hele gezin doodging. Hij zag voor hen geen toekomst meer. ‘Daar heeft mijn moeder een stokje voor gestoken, gelukkig.’
Familie Brandsma met Duitse soldaat en beklad huis, '42 of '43
Dolle Dinsdag en beëindiging van de bezetting
In september 1944, toen haar grootvader en tante Corrie – die als secretaresse bij Mussert had gewerkt – werden opgepakt en vastgezet in de gevangenis van Scheveningen, besloten haar ouders hun huis te verlaten en naar het oosten te gaan. ‘Ze zeiden: “Het wordt hier gevaarlijk en we gaan nu vluchten”.’ Mevrouw Umbach mocht haar schildpadpopje meenemen en haar zus de kerstspullen. Sommige dingen, waaronder speelgoed, werd in bewaring gegeven bij tante Lien – die als dienstbode werkte bij de familie Beelaerts van Blokland – en andere dingen gingen naar een bankkluis. De rest bleef achter in het huis. Later zag mevrouw Umbach haar speelgoed terug bij kinderen van hun werkster . Haar moeder zei dan tegen haar: ‘Het is niet meer van jou en je houdt je mond’. ‘En zo is het natuurlijk ook’, zegt Umbach, ‘Daar moest ik niet over zeuren, maar ik vond het wel erg.’
De avond voor vertrek kan mevrouw Umbach zich nog goed herinneren. Haar ouders waren naar het bos gegaan om bepaalde dingen te verbranden. Zij en haar oudere zus bleven thuis, in het huis dat in die tijd zo vaak doelwit was van bekladding en intimidatie. ‘Dat was echt griezelig, dat zal ik nooit meer vergeten’. Haar ouders vertelden hun dochter dat ze eens weer terug zouden komen naar huis, maar dat heeft hun vader waarschijnlijk niet geloofd. Hij gooide in zijn wijnkelder al zijn gespaarde flessen wijn kapot. ‘Waar de buren naderhand verschrikkelijk boos over waren’. Van hun tante hoorden ze later dat zij nog niet hun hielen hadden gelicht of de buren gingen hun huis binnen en sleepten er van alles uit.
Met fietsen – met gewone banden – en een fietskar vertrokken ze via Driebergen richting Arnhem. ’s Avonds werd mevrouw Umbach door haar moeder meegenomen naar boeren en particulieren om te vragen of ze daar de nacht mochten doorbrengen. Haar ouders moesten overal betalen voor hun verblijf en werken op het land of in de huishouding. Over het algemeen bestonden de gezinnen uit aardige mensen. Mevrouw Umbach kan zich nog goed herinneren dat in Arnhem pap voor haar werd gekookt en dat ze het zo fijn vond om te kijken hoe de vrouw des huizes de borden afwaste. Minder goede herinneringen bewaart ze aan de NSB-gezinnen waar ze onderdak kregen. ‘Dat waren vreselijke mensen’. Uit diezelfde tijd stamt de herinnering dat ze op Sinterklaasavond haar keel schor stond te zingen, maar dat Sinterklaas uiteindelijk niet kwam. Of dat ze in een bed moest slapen waarin net een opa was overleden.
Het was een angstige periode. In Arnhem werd gevochten en ze weet nog dat er militairen dood op de weg lagen en dat zij in putten in de weg een veilig heenkomen moesten zoeken. ‘Dat vond ik doodeng’. Mevrouw Umbach merkt op dat ze zich toen wel een beetje heeft afgesloten. ‘Ik heb heel lang gedacht: ik word wakker en dan is het maar een droom. Ik heb toch veel dingen niet zo bewust op me laten inwerken.’
Boerderij in Giesbeek, sept 1944
Gastgezin in Giesbeek, sept 1944
Uiteindelijk kwam het gezin Brandsma aan in Coevorden, waar ze werden opgenomen door een pastoor. Daar waren meer NSB’ers en ook Duitse militairen uit Amsterdam met hun liefjes die bontmantels droegen. ‘Mijn moeder zei dan tegen die vrouwen: “die hebben jullie zeker gestolen?” Die officieren moesten daar wel om lachen. Die vonden haar wel charmant, evenals de pastoor.’ Haar moeder nam al snel de huishouding over van de dienstbode en kookte voor de pastoor. ‘Ze zag ook wel wat in katholieke geloof, maar dat was wel pragmatisch hoor, mijn moeder dacht: die meneer pastoor moet ik een beetje te vriend houden, want eigenlijk was ze Nederlands Hervormd’. Haar moeder werd katholiek en mevrouw Umbach werd gedoopt. Dat vond ze allemaal prachtig.
Haar leven in de pastorie van Coevorden was best aangenaam. Er waren veel kinderen in de buurt, zowel van andere NSB’ers als van het naastgelegen weeshuis. Ze kan zich nog herinneren dat moeder overste, in haar zwarte Franciscaner gewaad, fietsles van de koster kreeg achter in de tuin van de pastorie. In die tuin speelde ze onder andere verstoppertje en doktertje. Ze had het daar zo naar haar zin dat ze bij haar ouders weg wilde en in het weeshuis wilde blijven. ‘Ik had een plaatsje gereserveerd voor mezelf bij de nonnen.’
Aan het eind van de bezetting kon of wilde de pastoor van Coevorden niet langer onderdak verlenen aan NSB’ers en verhuisde het gezin Brandsma naar het nabij gelegen ‘rattenhok’, een vies hok waarin twee bedden konden staan. Daar was het dat haar vader door de Binnenlandse Strijdkrachten werd opgepakt en in een schooltje werd vastgehouden. Toen mevrouw Umbach haar vader daar nog gedag wilde zeggen, riep een bewaker: ‘Als je niet opdondert, schiet ik je in je benen’. Ze wist niet hoe snel ze vertrekken moest.
Haar vader werd geïnterneerd in Westerbork en later in Amersfoort. Ze kan zich de enkele bezoeken aan haar vader in het interneringskamp nog wel herinneren. Ze mocht niet te dicht bij komen en hij leed aan dysenterie. Ze vond het vreselijk en heel verdrietig om haar vader zo te zien. Haar moeder nam vaak wat voedsel voor hem mee, maar ze kreeg geen toestemming haar man dat te geven. Als ze dan het kamp weer verlieten, stonden achter het prikkeldraad gevangenen te bedelen om wat voedsel. Haar moeder gooide dan wel eens het pakketje voor haar vader over het hek, met als gevolg dat ze zich bij de bewakers moest melden. Ook werden de Latijnse boeken die haar vader graag las van hem afgenomen, omdat de bewakers meenden dat het nazielectuur was.
Pastorie Coevorden,Cock van Delwijnen, pastoor Bouterse en Van der Linde, 1945
Schoolfoto Coevorden, karin achter in de klas '44 of '45
Samen met haar moeder en zus ging mevrouw Umbach in mei 1945 terug naar Zeist. Hun mooie huurwoning waren ze kwijt, hun bezittingen waren verbeurd verklaard en aan hun geld konden ze niet komen. Ze kregen een advocaat toegewezen van wie ze af en toe wat geld kregen, maar dat was te weinig om van te leven. De kunstvoorwerpen die haar vader had gespaard en ondergebracht waren in een bankkluis, kregen ze wel terug.
Bij een andere NSB-vrouw uit Zeist, wier man ook geïnterneerd was, woonden ze in. Ze hadden een zolder en één kamer op de eerste verdieping tot hun beschikking. Om geld te verdienen ging haar moeder in de huishouding werken bij de eigenaar van een architectenbureau in Utrecht, jonkheer A.H. Op ten Noort (haar latere schoonvader). In die tijd werd haar moeder regelmatig op haar werk bezocht door medewerkers van de Politieke Opsporingsdienst (POD) die haar ondervraagden. Ondanks haar fanatisme en het feit dat ze bij haar standpunten bleef – tot aan haar dood toe – werd ze uiteindelijk nooit opgepakt en geïnterneerd. Ze konden haar simpelweg niets maken omdat ze nooit officieel ergens bij aangesloten was geweest. Voor mevrouw Umbach was dit geen prettige tijd. Ze voelde zich alleen, haar vader zat vast in Amersfoort, moeder werkte lange dagen in Utrecht en zij en haar zus waren min of meer op zichzelf aangewezen. Doordat ze ongelukkig was, werd ze ook nog eens gepest op school.
Een jaar na de bevrijding, in mei 1946, kwam haar vader vrij. Omdat haar moeder van plan was geweest te stoppen als huishoudster, had Op ten Noort haar voorgesteld om met haar gezin bij hem te komen wonen. Hij maakte een etage voor het gezin vrij zodat haar moeder kon blijven. In die tijd woonde op de begane grond de Nederlandse officier Salomons, die in Engeland gediend had, met zijn gezin. ‘Als je een groot huis had in die tijd, was je verplicht om mensen op te nemen.’ Het samenleven van een Nederlandse militair en een sympathisant van het Duitse leger die haar ideeën bleef verkondigen, in één woning, ging wonderbaarlijk goed. Vele jaren bleef het contact tussen hen in stand. ‘Ze kwam er gewoon eerlijk voor uit, en eigenlijk, in wat ze zei zat ook wel een kern van waarheid, zodat mensen vonden dat ze ook wel deels gelijk had.’
Karin in de tuin in Utrecht samen met Magaret, 1947
Na de bezetting voelde ze heel goed aan dat het gezin waarin zij opgroeide anders was dan andere gezinnen. Het was vreemd dat haar vader niet thuis was en andere vaders wel. Nog vreemder was later – toen vader was vrijgekomen – dat haar moeder feitelijk een relatie had met haar werkgever, terwijl haar vader samen met zijn dochters op een andere verdieping leefde. ‘Het was zo’n raar huishouden. Ik vond dat zo’n rare bedoening.’ Er waren altijd ruzies tussen haar ouders. ‘Mijn moeder vond mijn vader een minkukel, en het was niet de man waar zij behoefte aan had. Dat vond ik heel verschrikkelijk.’ Haar vader kwam gebroken uit het interneringskamp en sloot zich af door te wandelen, boeken te lezen, haar mooie sprookjes te vertellen en samen naar muziek te luisteren. Ook zat hij altijd bij haar een boek te lezen als zij haar huiswerk maakte. Mevrouw Umbach had een enorme hekel aan mijnheer Op ten Noord, zoals zij hem noemde. Hij pakte haar haar moeder af (ze zaten vaak samen te schaken, trictrac te spelen of Russisch te leren). Alleen op zaterdagavond was ze met haar moeder samen. Dan handwerkten ze en luisterden ze naar klassieke muziek. Als kind accepteerde ze de situatie, omdat haar moeder zei dat het niet anders kon, omdat haar vader geen werk kon vinden. Ze moest zich in dat grote huis ook altijd gedeisd houden, ze mocht zich nooit eens uitleven. Ze moest lief zijn, omdat haar moeder anders bang was dat ze moesten vertrekken.
In de tuin in Utrecht, boven moeder, tante Cor en tante Lien, onder karin en zus
Jonkheer Op ten Noort, die altijd een vriendelijke maar toch ook hooghartige houding aannam ten opzichte van het gezin, nodigde regelmatig gasten uit voor een diner. Haar moeder, maar ook haar kinderen, werden dan ingezet om de diners voor te bereiden en het vele glaswerk af te wassen. Mevrouw Umbach weet te vertellen dat Graaf Aldenburg Bentinck van kasteel Amerongen – die tijdens de oorlog was opgeroepen voor de Duitse krijgsdienst – eens kwam dineren en dat haar moeder hakenkruizen uit de worteltjes voor hem sneed. Daar kon hij wel om lachen.
Later kreeg vader een kantoorbaan bij de joodse zakenman Klafter, die een plasticfabriek bezat. Zijn familie was in de oorlog uitgemoord en hij was op de hoogte van het NSB verleden van haar vader. ‘Weliswaar heeft hij mijn vader keihard laten werken (toen haar vader met pensioen ging, werden er in zijn plaats twee andere werknemers aangenomen), maar het was wel wonderlijk.’
Haar ouders klaagden nooit over wat hen na de oorlog overkwam. Zij zagen het als de consequentie van hun keuzes. Wel vonden ze het onrechtvaardig – en dat vindt mevrouw Umbach nu ook nog – dat na de bezetting het lidmaatschap van de NSB, dat eerder legaal was, naderhand verboden werd.
Omgang met het verleden
Mevrouw Umbach kan zich niet herinneren dat ze aangekeken of uitgescholden werd vanwege haar vaders lidmaatschap. Ze heeft alleen nare herinneringen overgehouden aan de nonnen van de Montessorischool. Daar kreeg ze het gevoel dat zij haar lieten stikken vanwege de keuze van haar vader. Als ze stout was geweest moest ze met haar knieën op ijzeren roosters gaan liggen. De nonnen negeerden haar en ze stuurden haar naar de MULO terwijl ze goed kon leren. Haar moeder regelde uiteindelijk een toelatingsexamen voor de HBS.
Ze is altijd open en eerlijk voor haar familieverleden uitgekomen. Tijdens haar studie was ze bevriend met de zoon van degene die haar vader had veroordeeld en ook had ze later een vriendin die bij de Politieke Opsporingsdienst had gewerkt. Ook naar haar kinderen en kleinkinderen toe is ze altijd open. Maar ze merkt dat ze, nu ze ouder wordt, meer last krijgt van het verleden. ‘Ik schaam me nu meer dan toen. Ik heb er nu veel meer last van.’ Dat schijnt te komen door het ouder worden, omdat herinneringen uit de kindertijd dan steeds sterker worden. ‘Het heeft echt impact. En misschien ook door je ouders, als die open en eerlijk daarover hadden gesproken en meer inzicht hadden gegeven, dan was het misschien ook anders geweest.’
Ze had graag met haar ouders over hun keuzes willen spreken. ‘Ze hadden het zo goed, ze hadden een mooi huis, ik had mijn speelgoedjes. Die keuze heeft ons alleen maar ellende gebracht.’ Toch heeft ze er maar zelden naar gevraagd. ‘Als kind voel je dat je het er niet over moet hebben. En dat is heel jammer, want dan had ik er meer vrede mee gehad.’ Die ene keer dat ze haar moeder er wel naar heeft gevraagd, betekende een breuk tussen beide.
Mevrouw Umbach vindt het dapper dat haar moeder zei wat ze vond en niet met alle winden meewaaide. Maar ze vindt het van zwakheid getuigen om geen consequenties te trekken: ze werd nooit lid van de NSB of de Germaanse SS, terwijl ze haar man wel telkens zat op te stoken. Als ze daadwerkelijk ergens voor had gestaan, dan had ze haar moeder meer kunnen respecteren. Bovendien vindt ze het niet sterk dat haar moeder nooit haar fouten heeft kunnen toegeven. Ze hield altijd maar vast aan haar gelijk. ‘Je wilt trots zijn op je ouders maar dat kun je niet onverdeeld.’ Ze vraagt zich wel eens af hoe prinses Maxima zich voelt. ‘Hoe zou die dat vinden dat haar vader heeft meegedaan aan een regime dat zulke dingen heeft gedaan? Dat voelt niet fijn, dat wil je niet.’
‘Wilhelmina verkondigde na de bevrijding dat er geen plaats was voor NSB’ers. Het feit dat ze dat nooit heeft herroepen zorgt ervoor dat ik nog steeds het gevoel heb dat er geen plek voor mij in Nederland is (…) 5 mei is voor mij geen dag van bevrijding, het is eerder een dag waarop het schisma tussen ‘foute’ en ‘goede’ Nederlanders weer scherp tot uiting komt.’ Ze zou graag zien dat 5 mei Dag van de Vrijheid zou worden.
3 reacties
Seyss-Inquart
Ook van u kant weer een aangrijpend verhaal. Op dit moment leg ik de laatste hand aan mijn biografie over Seyss-Inquart. Dit boek moet in april 2010 verschijnen. Van Projectsecretaris en webmaster Ceciel Huitema heb ik toestemming om u te mgen vragen, of ik misschien stukjes uit u verhaal zou mogen gebruiken(uiteraard met bronvermelding.) Misschien dat u zelf nog een
tekst(je) zou willen schrijven voor mijn boek, bijvoorbeeld misschien dat u iets bekend zou zijn hoe er over Seyss-Inquart werd gedacht?(Uiteraard ook weer met bronvermelding.)
De oorlog viel niet mee!(de rest eigenlijk ook niet)
Flapje Wildsnuit is een mensch geworden!
Groetenvan Carel van Eeden.
(zie www.carelvaneeden.nl alwaar je bent vereeuwigd op galery 12/13: maliebaanbrug,karin b.)
De oorlog heeft me altijd bezig gehouden, maar nu gaat het wel!
50 jaar is een hele tijd.
Wat een romance!
(Ik was ontzettend serieus.)







bemoediging
Dag mevrouw umbach.
bedankt voor het vertellen van uw verhaal ik wil u een hart onder de riem steken omdat u het best wel moeilijk heeft.Ik vind het heel dapper van u dat u eerlijk bent over uw verleden .ik vindt het trouwens heel gek dat een kind beoordeeld wordt op het gedrag van de ouders. Uhoeft zich nergens voor te schamen want niemand mag een ander oordelen op uiterlijk verleden gedachtengoed of wat dan ook want we hebben zo allemaal onze eigen gebreken. Ik wens u voor in de toekomst veel sterkte toe en de borst vooruit want u bent uniek en bizonder Gods zegen toegewenst groeten lourens de boer