Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

8 juli 2008

Aan den Nederlandsen Stafofficier in Hannover

Brief van mijn moeder aangaande de arrestatie van mijn vader, gedateerd 30 juli 1946

juli 1946

Originele brief van mijn moeder aan den Nederlandsen Stafofficier in Hannover

  • Eerste pagina

    Eerste pagina

  • Tweede pagina

    Tweede pagina

  • Derde pagina

    Derde pagina

AFSCHRIFT van deze brief

'Aan den Nederlandsen Stafofficier in Hannover 30 Juli 1946

Onder verwijzing naar ons gesprek tijdens Uw bezoek op Vrijdag 26 Juli j.l. voel ik mij gedrongen, daar U mij beslist de meest geschikte persoon lijkt, mij met U op deze manier over de arrestatie van mijn man te onderhouden.
Sedert de dag der arrestatie van mijn man vraag ik mij steeds af ‘Waarom?’. Een duidelijk antwoord krijg ik niet; slechts vermoedens. Politisch zou het kunnen zijn wegens zijn eertijds lidmaatschap der N.S.B.; dan verzending van zijn machines naar Duitsland? Het laatste zou ik hier eens graag precies uitleggen met het verzoek, indien U hiertoe niet in staat bent, dit schrijven aan de betreffende dienstafdeling door te zenden. Ik wil er nog eens uitdrukkelijk de nadruk op leggen, dat ik in U de juiste persoon zie, die mij eventueel zou willen helpen.
1944: Eind September kreeg mijn man bericht van ‘Der Beauftragte für die Niederlande des Reichsministers für Rüstung und Kriegsproduktion. Richard Fiebing. Aussenstelle Kreis VII Südholland’. Hierin werd medegedeeld, dat hij zijn machines en gereedschappen verzendklaar moest maken, en dat nadere gegevens zouden volgen. Daar echter dadelijk daarop de spoorwegstaking uitbrak kon deze vordering niet dadelijk doorgaan.
Wij dachten reeds, dat de zaak van de baan was, toen plotseling half October wederom enkele heren van dezelfde bovengenoemde dienststelle bij ons kwamen, om opnieuw een beslagname der machines af te geven. Deze beslagname bestond hierin, dat een deel van het bedrijf naar een munitiefabriek in Berlijn en de rest naar de firma Leybold in St. Andreasberg zou verzonden worden. Een zekere Heer v. Buuren van het Rijksbureau van IJzer en Staal heeft dit nog opgenomen.
Mijn man heeft dadelijk alles in het werk gesteld, om deze vordering teniet gedaan te krijgen door de Duitsers o.a. voor te houden, dat door beslagname van zijn kleine fabriek de oorlog door hun toch niet gewonnen of verloren zou worden.
Toen dit alles echter niet mocht baten heeft hij hun verzocht, dan het hele transport te doen plaatsvinden naar de firma Leybold in St. Andreasberg: ten 1ste omdat dit een bevriende firma was en ten 2de omdat hij dacht, dat daar in de Harz zijn machines wel goed bewaard zouden zijn. De Duitsers hebben over dit voorstel nagedacht en stemden hierin toe onder de voorwaarde, dat mijn man dan zelf ook mee zou gaan. In dat geval zouden ook alle getransporteerde goederen te zijnen gunsten verzonden worden.
Mijn man heeft toen ong. 2 maanden nodig gehad, alvorens een besluit te nemen. Hij is in die tijd bij vele mensen geweest om raad te vragen o.a. bij zijn notaris den heer J.C. Vink, zijn advocaat Mr. van Dam, bij zijn speciale vriend en raadgever Dr. van Meeteren (maagspecialist), Ds. Westmijse, zijn accountant Dr. de Jong van accountantskantoor Krediet en Timmermans, bij zijn zwager den heer A. Nijhuis en vele andere.
Hieruit blijkt dus wel, dat mijn man niet vrijwillig en ook niet gaarne naar Duitsland vertrokken is. Hij heeft dit alleen gedaan, om zijn machines zeker te stellen en lag het ook in zijn bedoeling, na de oorlog zo snel mogelijk weer alles naar Holland terug te brengen. De verzending naar Duitsland heeft hij ook zonodig gesaboteerd, dat de betreffende Duitsers, de heren Oesmann en Wurtmann hem zeiden, dat als hij nu niet sneller opschoot, zij maatregelen zouden treffen. Met geen enkele firma hadden zij zoveel last als juist met de firma Hugo Reisiger. Ook de heer Gerosa was verbaasd, toen mijn man in December nog steeds niet weg was. Ook heeft hij niet, zoals het bevel luidde, al zijn machines weggestuurd, doch een gedeelte in Rotterdam laten staan, opdat het achterblijvend personeel nog zo lang mogelijk hiermee arbeid kon verrichten en dus hun week- en wachtgeld verdienen.
Nadat wij op 12 Jan. 1945 hier in St. Andreasberg aangekomen waren heeft mijn man alle machines bij elkaar gesteld en is begonnen met de kapotgegane machines en gereedschappen te repareren, doch werk voor derden heeft hij hier niet verricht. Het lag ook niet in zijn bedoeling, hier zelf een bedrijf te openen. Hij wilde slechts, daar zijn machines toch weg moesten, deze zo zeker mogelijk stellen. Naderhand kreeg mijn man nog een telegram van de ‘Rüstings- und Beschaffungskommission NDL Aussenstelle Rdam’, van 4 April 1945, dat hij zo snel mogelijk naar Rotterdam moest komen, om de verdere verlading van zijn bedrijf; doch mijn man heeft hieraan geen gevolg gegeven.
Nadat de Amerikanen hier in St. Andreasberg gekomen zijn, heeft mijn man zich direct met den Commandant in verbinding gesteld, om zijn machines weer naar Holland te verzenden, doch kreeg ten antwoord, dat dit voorlopig nog niet mogelijk was. Toen echter op 7 Mei 1945 een transport naar Nederland vertrok, is mijn man ook meegegaan, teneinde te zien, hoe de toestand daar was. Begin Augustus 1945 is hij weer teruggekomen in St. Andreasberg en vertelde, dat er voorlopig geen kans bestond, de boedel terug te zenden. Daar wij hier niet langer zonder meer konden leven, heeft mijn man verlof aangevraagd bij de betr. instantie, hier een fabriek te mogen openen. Dit werd toegestaan en wij hebben dan ook op 1 September 1945 de thans bestaande fabriek geopend en zijn in het Handelsregister ingeschreven.
Onze machines hebben wij reeds meerdere malen aangegeven, doch niet direct aan de Hollandse instanties, daar het zich bij ons niet handelt om Hollandse machines, die in Duits bezit zijn gekomen, maar om Hollandse machines, die in Hollands bezit zijn gebleven. Zodoende hebben wij niet geweten, dat wij deze bij de Nederlandse instanties moesten opgeven.
Dat het bij mijn man ook niet handelt om verdoezeling van Nederlands bezit kunt U ook hieruit constateren, dat op alle machines nog staat: ‘Eigentum fa. Hugo Reisiger, Rotterdam’, dus nog een bewijs te meer, dat hij dit niet heeft willen schuil houden. En dat er voor ‘Inhaber’ staat August Reisiger en niet C.M.A. Reisiger komt, doordat de notaris hier hem verteld heeft, dat het hier in Duitsland gewoonte is, slechts zijn ‘Rufname’ aan te geven.
Zou het zich bij de arrestatie van mijn man om de aangegeven vermoedens handelen, zou het dan niet mogelijk zijn, mijn man eventueel voor een tijd, tot aan de verhandeling, vrij te laten, om de machines, die gerepareerd moeten worden, weer te herstellen en verzendklaar te maken? Een deel der machines heeft hij reeds in orde gebracht. Door zijn aanwezigheid kan het aftransport slechts verhaast worden. Zodra het aftransport voorbereid is, zal mijn man zich dadelijk weer bij de betr. dienstafdeling ter beschikking stellen.
Voor Uw eventuele hulp in deze zou ik U ten zeerste dankbaar zijn.

Hoogachtend,

(F.C. Reisiger-Spliethoff)'

//Hierbij heeft mijn moeder blijkbaar niet willen vertellen, dat mijn vader aan de grens, toen hem gevraagd werd, of hij lid van de N.S.B. geweest was, eerlijk geantwoord heeft en toen gelijk in een kamp (waarschijnlijk Vught) opgesloten werd. Hij kon op de een of andere manier uit het kamp ontsnappen en kwam na goed twee maanden weer bij zijn familie terug.
.//

juli 1946
  • -

    Vordering van de 'Rüstungsinspektion' van 16 september 1944

  • -

    Vordering van de 'Rüstungsinspektion' van 17 oktober 1944

  • -

    Brief van de 'Stadtdirektor' van St. Andreasberg / Harz op 30 juli 1946