Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

12 mei 2009

2

Een bekroning op een hoopvolle NSB-bijeenkomst

Mevrouw M.Olletje werd in 1941 geboren. Ver daarvoor hadden haar ouders
zich aangesloten bij de NSB, voornamelijk vanwege idealistische motieven. Op vierjarige leeftijd werden beide ouders opgepakt en kwam ze bij familie
terecht. Aan die "bevrijdingsdagen" heeft ze heel nare herinneringen
overgehouden.

Een interview door Ceciel Huitema

  • Op de arm bij vader, 1941

    Op de arm bij vader, 1941

"Ik ben een nakomertje. Mijn oudere broer en zussen schelen 10,11 en 12 jaar met mij. Toen ik aan mijn moeder vroeg waarom ik in 1941 nog geboren werd, vertelde ze dat mijn ouders in 1940 samen een leuke dag hadden gehad op een partijbijeenkomst in Lunteren, dat ze `s avonds zo vol verwachting over de toekomst waren en het leven zo geweldig vonden, dat ze besloten nog een kindje te krijgen. Je kunt dus zeggen dat ik de bekroning ben van een fijne dag bij de NSB.
In 1933 al werden mijn ouders lid van de NSB. Hun drijfveer was vooral een idealistische en socialistische. Zij vonden dat iedereen, onafhankelijk van de financiële draagkracht, de mogelijkheid moest krijgen een opleiding te volgen. Dat was voor hen een heel belangrijk item en ze dachten dat dit ideaal ook bij de NSB leefde. Dit was niet uit eigen belang want zelf waren mijn ouders niet onbemiddeld. Ik heb in hun dossier gezien wat hun saldo was toen de oorlog begon. Mijn zoon maakte me daarop attent. "Moet je eens kijken mam, ze waren hartstikke rijk als je dat omrekent naar nu". Vader verdiende de kost met het beheer van het wijkgebouw van het Groene Kruis in het dorp. Daarnaast schreef hij artikelen voor een regionale krant. Moeder werkte als particulier kraamverpleegkundige en runde samen met de huisarts de zuigelingenzorg. Alle voorkomende werkzaamheden die hoorden bij het onderhoud en beheer van het wijkgebouw, zoals o.a. het uitlenen van bedden en tentjes voor TBC-patiënten deden mijn ouders samen. Mijn ouders waren hardwerkende, zuinige mensen die hier en daar wat spaargeld uitleenden waarvan ze rente ontvingen.
Mijn broer en zussen waren bij de jeugdstorm. In hun beleving was dat toch vooral een soort padvinderij, ze zongen liedjes en maakten kampvuren. Eén van mijn zussen had er een hekel aan, zij wilde niet in uniform lopen, zij wilde gewoon zijn net als andere kinderen. Ik heb mij pas recentelijk, bij de tentoonstelling in Westerbork, gerealiseerd dat de NSB eigenlijk helemaal niet zo'n gewone politieke partij was. Dat zal het in 1933 misschien wel geweest zijn, maar tegen de oorlog liepen ze wel allemaal in uniform en dat doet een gewone politieke partij niet!
Tijdens de bevrijdingsdagen van 1945 werd ik samen met mijn moeder van huis gehaald. Wij moesten het hele dorp doorlopen en omdat ik vier was en niet zo snel kon lopen werd er een geweer op mijn rug gezet en gezegd: "Doorlopen anders schiet ik je dood". Ik heb enkele nachten met moeder in een schuur in een hoek in het stro geslapen zonder dekens en kussens. Het was een schuur waar meer mensen naar toegebracht werden. Wij waren met een hele grote groep vrouwen en kinderen. De mannen waren al eerder opgehaald. Hoe vader opgehaald is herinner ik me niet.
Op een ochtend kwam mijn neef van 27 mij uit de schuur weghalen. Zijn ouders vonden dat je een kind van vier dit niet aan doet. Achterop zijn fiets ben ik mee naar zijn ouders gegaan. Dat was een zus van mijn vader. Daar zou ik blijven totdat vader en moeder weer terugkwamen. Wat ik daar zelf van weet is dat ik daar de eerste paar dagen bij het hek heb staan huilen in afwachting van hun komst. Mijn ouders kwamen niet terug dus op een goed moment houdt het huilen op en ga je over tot de orde van de dag. Maar ik denk dat ik op dat moment - of misschien wel op het moment van het geweer op mijn rug - mijn emoties volstrekt op slot heb gezet en aan het overleven ben geslagen.
Toen het tribunaal mijn moeder vroeg of ze spijt had, zei ze: "Nee, ik heb niets verkeerds gedaan dus ik heb nergens spijt van". Ze kreeg 2,5 jaar vrijheidsberoving omdat ze voorzitster was geweest van de Nationaal Socialistische Vrouwen Organisatie, collecteerde voor Winterhulp en omdat ze geen spijt toonde. Over dat laatste ben ik boos geweest. Ik dacht: Heb je nooit aan ons gedacht. Na haar vrijlating verhuisden we naar Utrecht, naar mijn opa die werk had en ons
kon onderhouden. Mijn broer en zussen woonden toen ook weer bij ons. Na een aantal maanden verhuisden moeder en ik naar mijn geboortedorp waar we een leegstaand huis van familie konden betrekken. Moeder wilde natuurlijk op bezoek bij vader - die zat op dat moment in Veenhuizen - en vanuit Utrecht was dat een heel ingewikkelde reis. Vanuit mijn geboortedorp was dat dichterbij. Hier hebben we anderhalf jaar gewoond, totdat vader gratie kreeg en vrij kwam.
Mijn vader kreeg acht jaar gevangenisstraf maar heeft uiteindelijk vijf jaar vastgezeten. Veel later - toen was hij al overleden - las ik in zijn dossier dat hij naast lid van de NSB, in 1943 nog betalend lid van de waffen-SS is geworden. Toen begreep ik waarom hij tot acht jaar veroordeeld was, want gezien de rest van het dossier was zo'n zware veroordeling niet aan de orde. De ergste ten laste legging was: mensen vragen in de arbeidsinzet te gaan. Hij heeft ze nooit gedwongen, hij heeft ze nooit gestuurd, hij is er nooit een tweede keer achteraan geweest. Dus als mensen naar Duitsland gingen deden ze dat wel op zijn verzoek, maar daar hield het ook op. Bronnen uit het dossier bevestigen dit. Betalend lid van de waffen-SS betekende in vreemde krijgsdienst treden en dan werd je als landverrader gezien.
Ik ben een aantal keren op bezoek geweest bij mijn vader toen hij geïnterneerd was. Van één van die bezoeken herinner ik me dat ik niet bij hem op schoot mocht zitten, maar op enig moment werd hij wat balorig, pakte mij op de arm, nam me mee naar buiten en liet me de zee zien. En ik weet dat er iets gefrummeld werd aan mijn jas en dat moeder dan ook weer frummelde aan mijn jas als ik bij haar op bezoek was en dan bleek dat er een briefje in de zoom zat dat ik
dus kennelijk als postiljon d’amour van de één naar de ander smokkelde. In Veenhuizen werd ik gefouilleerd voordat ik naar vader mocht. Dat was niet om vrolijk van te worden. Maar daar mocht ik dan wel mee naar zijn cel en daar liet hij me zien dat hij streepjes zette op de balk voor de weken dat het nog zou duren voordat hij weer thuis kwam. En ik heb een briefje van hem waaruit blijkt dat hij mij nog zag staan. Dat hij nog aan me dacht.
Dat soort herinneringen heb ik van mijn moeder eigenlijk niet. Ik voelde haarfijn aan dat ik niet al teveel domme vragen moest stellen want ze had het al moeilijk genoeg. Als kind heb je een radar voor de emoties van je moeder. Dus ik kon haar niet bereiken en zij mij niet. Ik was gewend om me er alleen doorheen te slaan. Want ik had me bij mijn oom en tante ook alleen gevoeld.
De enige veilige plek was mijn oom Geert. Bij hem mocht ik op schoot zitten en dan sloeg hij een arm om me heen en dat voelde goed.
Toen ik met moeder terugkeerde naar mijn geboortedorp wist iedereen wie ik was.Vanaf dat moment begonnen de pesterijen, achterna gezeten en in elkaar geslagen worden hoorden tot de wekelijks terugkerende rituelen. Ik herinner me dat ik alleen op het schoolplein sta, de andere kinderen haken allemaal in en ze dansen langs me heen en ze schelden me uit voor NSB’er. Ik begreep niet wat die letters betekenden maar voelde wel de dreiging en de eenzaamheid. Veel later denk je: ik wist niet wat die letters betekenden maar die kinderen wisten dat evenmin. Die
hadden het ook maar thuis gehoord.
Ik kan me de dag nog herinneren dat vader vrij kwam. Ik zat op school en toen heeft hij mij van school gehaald. Ik mocht de klas uit en hij stond buiten op de stoep - die plek en het gevoel van dat moment vergeet ik nooit meer - hij deed zijn armen wijd, ik sprong erin en toen kon wat mij betreft de hele wereld barsten. Ik zat veilig bij mijn vader op de arm. Het leven was op dat moment weer goed. Ik was toen negen jaar. Met het geld dat mijn ouders nog over hadden hebben ze een stuk grond gekocht met twee oude huisjes erop met het plan om daar een
boerderij te beginnen. Dat is uiteindelijk niet doorgegaan en toen zijn we gaan inwonen bij een ouder echtpaar waarvan de vrouw bedlegerig was. Moeder verpleegde de vrouw in ruil voor kost en inwoning. Voor vader was het erg moeilijk om een baan te vinden. Uiteindelijk is hij terecht gekomen op de sociale werkplaats, waar hij het absoluut verschrikkelijk heeft gevonden. Hij was mentaal gebroken, dat merkte je aan alles. Vijf jaar vrijheidsberoving - en als je Kamptoestanden van Van der Vaart-Smit erop naleest - en andere verhalen hoort, weet je ook dat dit niet alleen maar opsluiting en hard werken was. Ook moeder was gebroken. Ze vonden elkaar niet echt meer terug maar hadden nog wel een gemeenschappelijk doel, zorgen dat ik een goede opleiding kreeg. Daar zijn ze zuinig voor geweest en daar ben ik ze zeer dankbaar voor.
Nadat de hulpbehoevende vrouw - bij wie we inwoonden - was overleden, verhuisden we naar een huis dat ze met gespaard geld kochten. In die tijd gingen moeder en ik met koffie en thee in de fietstassen veertig kilometer heen en veertig terug op de fiets naar oud lotgenoten in mijn geboortedorp. Zij kochten koffie en thee van ons en daar verdienden we dan een paar centen mee. Ook hadden we stapels flanellen pyjama's in huis. Die moesten we strijken en in cellofaan verpakken. Voor een jasje kreeg je vier cent en voor een broek twee. Al dat werk heb ik nooit ervaren als een schande of een teken van armoede. Samen zorgden we ervoor dat we de boel rooiden en dat voelde goed. In die tijd waren ze dus al midden zestig jaar realiseer ik me nu.
Mijn ouders spraken achteraf nooit over hun politieke keuze en hun internering. Het was een stilzwijgend accepteren van de situatie denk ik. Pas in 1976 - het jaar van mijn crisis - heb ik mijn moeder een aantal vragen gesteld. Vader was toen al overleden. Toen ik haar vroeg wat hun reactie was geweest toen ze hoorden wat er met de joden gebeurde was mijn moeders antwoord: "Dat konden we niet geloven want dat stond zover van ons af, dat is zo onmenselijk, dat kan niet waar zijn, dus wij zeiden: " Dat zal wel antipropaganda zijn". Ik geloof oprecht dat mijn ouders sociale drijfveren hadden om lid te worden en dat de jodenvervolging hun ding niet was, absoluut niet. Zo stonden ze ook als mensen niet in de wereld, geen discriminatie en altijd klaar staan voor anderen. Moeder vertelde dat mijn ouders af en toe discussies hadden gehad over de koers van de partij. Op mijn vraag waarom ze er toch niet bij weg zijn gegaan, zei ze dat het de ene keer vader was geweest die wilde stoppen omdat het een kant op ging die niet de hunne was en dat zij dan vond dat ze A hadden gezegd en dus ook B moesten zeggen. De andere keer was het net andersom, dan vond zij dat ze moesten stoppen.
Ik geloof haar. En daarmee is mijn probleem over hun politieke keuze in die zin opgelost want mijn grote vraag was: Heb ik ouders waar ik als kind van kan houden?De hele wereld beweerde dat dit niet mocht en niet kon want ze waren fout, want ....... lid van de NSB. Ik wilde van ze kunnen houden en dat had voor mij te maken met de vraag: Waren jullie racistisch of niet? Ze hebben in die zin nooit iets verkeerds gedaan. Vader wilde geen wapen dragen, ondanks dat hij wel betalend lid van de waffen-SS werd.
Toen ik dat las in het dossier was vader al overleden. Helaas heb ik hierover met hem nooit kunnen spreken. Dat vind ik nog steeds jammer. Er is een mooi verhaal van mijn neef. Dit verhaal heeft mij heel erg ontroerd toen ik het voor het eerst hoorde. Mijn oom en tante hadden een onderduiker in huis. Op enig moment kwam vader in zijn NSB uniform aangefietst. Toen mijn tante dat zag wilde ze dat de onderduiker zich verstopte maar mijn oom zei: "Dat hoeft niet want het is Jan die daar aankomt, die zal het niet verraden.” Dit typeert voor mij wie mijn vader was.
Die ene keer in 1976 was de enige keer dat ik met moeder over het verleden heb gesproken. Zij heeft antwoord gegeven op mijn vragen, daarna hebben we de armen om elkaar heen geslagen en dat was dat. Pas kort voor haar dood - na een oogoperatie waardoor ze helemaal
gedesoriënteerd raakte - kwamen de herinneringen aan haar internering in Westerbork naar boven. Als wij in het ziekenhuis op bezoek kwamen was het: "Ssst, niks zeggen hoor, dat is een goede bewaakster, maar die daar die deugt niet" en "Mijn zaak is voor". Dan liep ze als een bang vogeltje op de gang en was het: "Ik wacht op de uitspraak". Later zat ze op haar bed en moesten mijn zus en ik elk aan een kant gaan zitten. Ze pakte onze hand en toen zei ze: "Nu zal ik het jullie maar vertellen hoor". Wij dachten, nu komt het grote geheim naar buiten. "Ik heb ook een hekel aan die Duitsers". Dat was het grote geheim, meer heeft ze niet gezegd. Maar verder, wat
er in het kamp gebeurd is, hoe ze behandeld is, geen idee, het kwam er niet uit. Later hoorde ik meer over hoe de beheersmaatschappij omging met ons geld en over hoe er spullen gestolen waren uit ons huis. Mijn broer zag ons spinnewiel staan bij mensen in het dorp. Hij is naar binnen gegaan maar kreeg te horen: "Ja, die is van jullie maar je krijgt hem niet terug". Zo ging dat in die tijd.
Ik kijk naar mijn ouders als mensen in hun tijd, die een politieke keuze hebben gemaakt waar zijzelf waarschijnlijk ook vreselijk in teleurgesteld zijn en die daar een straf voor hebben gekregen die buiten proporties is geweest.

Ik denk dat niet zozeer de politieke keuze van mijn ouders heeft geleid tot problemen, maar wel de ervaring van een geweer op mijn rug toen ik vier jaar was. Die doodsbedreiging heeft mij eigenlijk geestelijk verkracht. Dat heeft zoveel schokeffecten teweeggebracht dat je daarvan in de war raakt. Deze traumatische gebeurtenis heeft mede bepaald wie ik ben en wat ik heb meegemaakt. De consequentie van die ervaring is dat ik bijvoorbeeld niet in staat ben intieme relaties aan te gaan, daarom is mijn huwelijk ook op de klippen gelopen.
Daarnaast heb ik wel zo hier en daar in mijn leven confrontaties gehad met het kind van NSB’ers zijn. Ik heb me heel erg schuldig gevoeld aan het vergassen van de joden. Ik heb serieus in mijn pubertijd gedacht dat ik ze allemaal vergast had. Hierin kwam verandering tijdens mijn crisis in 1976. Een verliefdheid hakte er bij mij zo hevig in dat de hele boel open ging. Er kwamen flashbacks en herinneringen van vroeger. Toen heb ik een tijdje redelijk rommelig door het leven gelopen. Maar ik zocht geen hulp, vond dat het mijn probleem was en dat ik het zelf op moest lossen. Een confronterende ontmoeting heeft me uiteindelijk de ogen geopend voor dat stuk
waar ik tot dan toe nog niet aan toe was. Ik merkte wat het allemaal met me deed en toen heb ik besloten in psychotherapie te gaan. Dat heeft veel duidelijk gemaakt, waardoor ik weer verder kon. Mijn therapeut heeft mij bijvoorbeeld duidelijk gemaakt dat het schuldgevoel dat ik had voortkwam uit de belevingswereld van een kind van vier jaar dat zichzelf nog als het middelpunt van alles ziet. Jaren later ben ik nog een paar keer in therapie gegaan want het komt wel steeds terug.
Nog steeds word ik geconfronteerd met het NSB-verleden van mijn ouders. Zo dreigde ik in 1994 plotseling ontslagen te worden. Op mijn werk werden bijeenkomsten georganiseerd met teambuilding als doel. Ter voorbereiding op deze gespreksweekenden had iedereen een individueel gesprek met de professionele begeleider. In vertrouwen vertelde ik mijn achtergrond, zodat hij op de hoogte was van het feit dat ik soms heftig zou kunnen reageren. Een tijdje later kwam onze directeur naar mij toe met de mededeling dat ik beter overplaatsing kon aanvragen, terwijl hij tijdens beoordelingen altijd positief over mijn functioneren was geweest. Ik had toen al ruim zes jaar op deze VSO-school voor Zeer Moeilijk Opvoedbare Kinderen gewerkt en was dus vooral verbaasd maar had ook een gevoel van: "Dit klopt niet, dit is niet eerlijk". Na een zeer moeilijk jaar, waarin ik uiteindelijk mijn baan heb gehouden, vertelde hij mij dat hij had gehoord dat ik een dochter van een NSB’er was en dat hij vroeger thuis had geleerd niet met "dat soort" om te gaan, zelfs niet met de NSB’ers in zijn eigen familie. Deze afkeer voor NSBers krijgt men vaak van huis uit mee. Dat maakt ons probleem, dat van de tweede generatie, die er part
noch deel aan heeft, ook zo ingewikkeld, zo ongrijpbaar en zo moeilijk. Want je loopt er dus toch tegenaan, het zit verweven in de geschiedenis en in de opvoeding van veel mensen.
Een jaar geleden ongeveer zat ik samen met een goede vriendin - ik ken haar al ruim 45 jaar en ze is ook al die tijd op de hoogte geweest van mijn familiegeschiedenis – in de auto en toen vertelde zij mij dat haar vader bewaker was geweest in een interneringskamp voor NSB’ers. Wat er op dat moment door mij heen ging ....... Mijn eerste reactie was: Op de rem en haar uit mijn auto zetten. Mijn tweede reactie was: Dat kan ik niet maken, zo’n lange vriendschap zet je niet zomaar aan de kant, dat had ik al te vaak gedaan. Mijn derde reactie was: Zo voelen joden zich dus waarschijnlijk als ik vertel dat ik een kind van NSB’ers ben. Nog veel later dacht ik: Dit heeft haar dus al die jaren ook op haar nek gezeten. Al die jaren dat wij met elkaar om zijn gegaan had zij dit ook bij zich en nu komt het er dan van haar kant uit.Leermomenten in het leven noem ik dit voor mezelf. We zijn gelukkig nog steeds goed bevriend en doen veel leuke dingen samen.
Ik blijf altijd een bepaald wantrouwen houden naar de buitenwereld, maar ik stel me met vertrouwen op, mijn uitgangspunt is vertrouwen. Maar het wantrouwen zit daar vlak achter. Als ik dat uitgangspunt niet heb, dan kan ik wel ophouden, dat schiet niet op. En zo wil ik ook niet in het leven staan. Ik heb naast alle ellende ook teveel ontzettend lieve, aardige, betrouwbare en goede mensen leren kennen en om mij heen. Een sociaal netwerk om U tegen te zeggen. En, het allerbelangrijkste, twee fantastische kinderen en vijf ontzettend lieve kleinkinderen die mij heel vrolijk en gelukkig maken. Er is zoveel om gewoon blij mee te zijn en vertrouwen in te hebben.’’

  • Op school in Utrecht, 1946

    Op school in Utrecht, 1946

2 reacties

J W Hoogeveen

Ik ben wel geintreseerd in deze verhalen,die denk ik wel oprecht zijn,en een objectieve kijk geven op het te verwerken leed van de 2e wereldoorlog .heb zelf niet zo een achtergrond.(geboren in 1960)
Bedankt voor je verhaal

Groet
J W Hoogeveen

Jw Hoogeveen, 17 mei 09, 21:16

U leven

Hallo,

Ik ben Lara, een meisje van 17 jaar en zit in 5 havo.
Voor school moet ik een profielwerkstuk maken.
Mijn onderwerp is: kinderen van NSB’ers.
Hoe het was om een kind te zijn van NSB’ers, en wat dat voor invloed heeft gehad op hun leven.

Door mijn onderwerp ben ik op deze site terecht gekomen, ik heb u verhaal gelezen.
In u verhaal komen veel aspecten naar voren die mij kunnen helpen met het maken van mijn werkstuk, om een beeld te kunnen vormen.

Zou ik u verhaal mogen gebruiken bij het maken van mijn werkstuk?

Met vriendelijke groeten,
Lara Mirck

Lara Mirck, 10 okt 09, 16:56
Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website