Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

20 mei 2009

1

‘Wij zijn in het pannetje gevallen’

Herinneringen aan een heerlijke vakantiereis naar Oostenrijk, zomer 1940

Mevrouw Ada de Lange - Timmerman vertrok in de zomer van 1940 als negenjarige, samen met haar broer en een grote groep voornamelijk NSB-kinderen, naar Oostenrijk. Doel van de reis was om aan te sterken en de kinderen een onbezorgde vakantie te geven. Tijdens een interview met Ceciel Huitema vertelt mevrouw De Lange over haar herinneringen aan deze twee heerlijke maanden en de gevolgen ervan.

  • Kinderen Timmerman op school, staand: Ada.

    Kinderen Timmerman op school, staand: Ada.

Middenstandsgezin in Naarden

De ouders van mevrouw De Lange runden in het begin van hun huwelijk een exclusieve bloemenwinkel in het vestingstadje Naarden, die zij - samen met een woning en een hoge hypotheek - hadden overgenomen van zijn vader, haar opa. Al snel merkten haar ouders de gevolgen van de economische crisis en ondervonden ze, dat de vraag naar luxe producten drastisch terugliep. Haar vader besloot daarom ook te gaan werken als tuinbaas en tuinman op de in de buurt liggende buitenplaatsen. Toen haar moeder in 1930 van mevrouw De Lange in verwachting was, kreeg ze niervergiftiging en moest ze rusten.
Toen stond mijn moeder in die winkel, met twee kleine kinderen en in verwachting van de derde. Op een gegeven moment kwam de dokter en die pakte de sleutel van de winkel en die zei: “Ik doe die deur dicht want het kan zo niet langer.”
Toen hebben haar ouders die winkel moeten sluiten. Het ging het jonge gezin niet voor de wind.
De tijd werd steeds maar slechter, de vaste klanten van de buitenplaatsen betaalden nog wel, maar die dachten: O, de lonen worden omlaag gedaan, dan kunnen wij dat ook wel doen.
Als kind wist ik wel, dat er altijd geldzorgen waren. Mijn vader had ook geen vast inkomen. Mijn moeder zei wel eens. "Ik moet altijd naar de lucht kijken." Want het inkomen hing voor een groot deel af van de weersomstandigheden, als het regende of vroor dan zeiden sommige mensen: “hoeven we de tuinman niet”

Ondanks dat er armoede was in het gezin, werden de kinderen nooit voor arm aangekeken. Ze zagen er altijd netjes uit. Dat vond hun moeder belangrijk. Bovendien werkte een tante als coupeuse en die veranderde kleren voor de kinderen, maar - zoals voor velen - was het voor de oorlog vaak armoe troef.
Dat je dat bij ons, 'aan de 'buitenkant' niet kon zien was mijn moeder haar Eer! Maar als mijn moeder om zes uur, vlak voor sluitingstijd, bij de groenteboer de laatste groente kon krijgen, dan zei ze wel: “Geef het maar aan mij.” Dat kostte dan weinig. Het was een tijd van: 'de dubbeltjes omdraaien'.
Veel kinderen gingen in die tijd naar een vakantiekolonie.
Ik was ook een zwak kind. Ik had beenmergontsteking gehad, toen ik klein was.
Wij zouden ook eens naar een vakantiekolonie gaan. Dan moest je je aanmelden bij een of andere ‘hotemetoot’ - noem ik het maar - die op een buitenplaats woonde. Ik moest met mijn moeder mee, keurig aangekleed en dan zeiden ze: "Nee, die hoeft niet mee. U bent toch niet bij de kerk?” Dat was dan al een reden, dat je niet naar een christelijke vakantiekolonie kon.
En dan: “Uw kinderen zien er nog veel te netjes uit. Nee hoor, die komen daar niet voor in aanmerking.” Dat heeft mijn moeder vaak meegemaakt.

Toch heb een heel leuke jeugd gehad, want mijn vader ging bijvoorbeeld met ons - de drie oudsten - zondags fietsen. Dan gingen we naar Utrecht, of naar Maarssen, langs de Vecht fietsen en langs de Loosdrechtse plassen.
Mijn vader was ook heel handig. Die kon prachtige dingen maken. Heel mooi speelgoed en ook alle reparaties in huis deed hij zelf.
Hij heeft bijvoorbeeld ook de tabernakel, de draagbare tempel uit de Bijbel, op schaal als een maquette nagemaakt. Dat had met zijn visie op het geloof te maken.
Haar vader was een bijzondere man die zijn tijd vooruit was. Op het moment dat de maatschappelijke verzuiling op een hoogtepunt was, liet haar vader zichzelf en zijn gezin niet in een hokje indelen. Daarom heeft hij zich nooit bij een politieke partij aangesloten of bij een bepaalde kerk, ondanks dat hij een zeer gelovige man was. Hij deed bijvoorbeeld veel aan Bijbelstudie. Hij had moderne opvattingen over de samenleving en de wereld. Deze levensbeschouwing heeft er mede toe geleid, dat hij zich niet bij de NSB aansloot en behoedde het gezin voor de gevolgen van dat lidmaatschap.

Het verblijf van twee maanden in Neuzeug

Vlak na de Duitse inval stond er een bericht in de krant dat kinderen opgegeven konden worden om mee te gaan naar Oostenrijk.
Dat land wilde graag wat voor Nederlandse kinderen doen, want de Oostenrijkers hadden in de vorige oorlog, van ’14-’18, natuurlijk enorm geleden. Na ’14-’18 zijn heel veel Hongaarse en Oostenrijkse kinderen in Nederland geweest. Die hebben het hier heel goed gehad. Ze zijn na maanden teruggegaan, maar de contacten waren vaak gebleven en toen zeiden 'de mensen’ in Oostenrijk: "Wij willen wat terug doen." Mijn ouders, die geen vijand-denken hadden, zeiden: “Als die mensen daar in Oostenrijk dat nou willen en onze kinderen kunnen daar heen ... dat maken ze nooit van hun leven meer mee.”
Zo gebeurde het, dat de slager - een vader van een vriendinnetje, een heel sociale man en lid van de NSB - haar moeder aanbood om ook haar kinderen op te geven voor deze vakantiereis.
Uiteindelijk gingen mevrouw De Lange en haar anderhalf jaar oudere broer in juni 1940 met de reis mee. Twee dagen reden ze - samen met andere, veelal NSB-kinderen - in een trein door Duitsland.
En toen vonden wij het daar vreselijk arm. Heel zielig. Op die stations stonden vrouwen met een hoofddoek om. En dan kregen we van dat grauwe brood aangereikt met appelstroop. Voor ons, waren wij toen eigenlijk de rijke kinderen, want die mensen zagen er zo uitgemergeld uit. Die hebben het zo slecht gehad na de oorlog van. 14'-18. Het is een politiek wanbeheer geweest. Hitler is niet voor niks opgekomen.
Na twee dagen kwam mevrouw De Lange aan in Ober-Oostenrijk, in Neuzeug, een buurtschap met een paar grote en een paar kleine huizen en één heel klein huis. Haar broer werd ondergebracht bij een bakkersgezin in een dorp verderop.

En daar kwam ik dus bij een meneer Mang en die woonde in een prachtig huis. Die woonde daar met zijn invalide vrouw - die boven woonde, samen met een verpleegster (De kinderen hebben die vrouw nooit gezien, want ze mochten niet boven komen.) en een jonge huishoudster, Angéla genaamd. Hij was eigenaar van een beddenfabriek aan de overkant van de straat, waarin metalen ledikanten werden gemaakt.
Die man had heel graag kinderen gehad, maar had van zijn vrouw geen kinderen. Hij was heel erg dol op kinderen. Ik weet nog dat hij stond te huilen, toen ik daar binnenkwam ... dat hij het heel erg leuk vond, dat ik er was. Ik kreeg een prachtig kamertje. Ik mocht kiezen. Er was er één met een gewoon wit bed en één met een gouden bed - met vierkante stangen, gemaakt in die fabriek. Daar zat al een pop op en er waren dekbedden, van die donzen dekbedden.
Omdat ze door heimwee de eerste dag erg verdrietig was, kwam de buurvrouw - die als dienstmeisje in Nederland had gewerkt en daardoor een beetje Nederlands sprak - vragen wat er was. Toen ze vertelde dat ze heimwee had en graag naar haar broer wilde, zorgde meneer Mang voor een hereniging.
Mijn broer zat inmiddels op een klein bakkerijtje in Sierninghoven in een groot gezin en die had een kamertje waar de kippen op z’n bed liepen.
Meneer Mang wilde ook haar broer in huis nemen. Na wat overleggen met de bakker mocht hij inderdaad bij mevrouw De Lange wonen en werd hij door meneer Mang opgehaald met de auto.
Ik dat huis laten zien... Hij kreeg die andere kamer. Ik lag in dat gouden bed, mijn broer in het witte. We hebben het er vreselijk leuk gehad. Speelgoed hadden ze eerst niet, maar dat kochten ze voor ons. Mijn broer mocht helpen in de werkplaats, want we hoefden natuurlijk niet naar school. Behalve dan naar de Duitse les, één keer per week in Sierning.
In het kantoor achter het huis mochten de kinderen brieven aan hun ouders schrijven op de typmachine.

Meneer Mang en zijn huishoudster Angéla deden veel met de kinderen. Hij ging bijvoorbeeld samen met hen boodschappen doen bij de bakker.
Angéla naaide voor mij op de hand een prachtige jurk met zo’n schortje ervoor, zo’n soort Tirolerjurkje. En ook nog voor de pop zo’n zelfde jurkje.’ Elke zondag gingen we met een stoomtreintje naar een kasteel in de bergen waar je pannenkoeken kon eten. Ja, dat gebeurde bij ons thuis niet.
In hetzelfde dorp, in een villa van waarschijnlijk een hoge SS-officier, was een dochtertje van een NSB-er uit Laren ondergebracht. Met z’n drieën speelden ze regelmatig bij de rivier de Steyr.
Dat mochten we eigenlijk niet. Dat vonden ze te gevaarlijk. Meneer Mang was natuurlijk bang, dat we zouden verdrinken. We gingen daar spelen met de stenen. En ijskoud water was dat, maar we gingen daar dammen leggen en zo. Dat vonden we hartstikke leuk, maar we deden dat een beetje stiekem. Op een gegeven moment, was het ook zo koud geweest, koude voeten gekregen daar. En toen gingen we ’s middags met hem [meneer Mang] naar Steyr, naar dat plaatsje. Daar gingen we kleren kopen en dan kregen we speelgoed. En we kregen een heel grote sorbet. Daar ben ik ziek van geweest, want het viel zo koud in mijn maag, natuurlijk. Ik voelde me zo schuldig, want ik had in die koude Steyr gelopen. Dat wilde ik natuurlijk niet zeggen en ze hadden met me te doen. Op een gegeven moment hebben we opgebiecht, dat we daar toch wel eens gingen spelen.
In het grote huis van de SS-officier zongen zij, haar broer en dat meisje uit Laren ’s avonds vaak Nederlandse liedjes. De zeven kinderen uit het allerkleinste huis van het dorp kwamen dan vaak luisteren.
En op een gegeven moment kwamen ze geld brengen. En toen zeiden we: “Nee, dat willen we niet.” Mijn broer zei: “Dat kan niet, die mensen hebben het al zo arm, die moeten geen geld aan ons geven.” Dat had je toch ook wel, dat gevoel dat wij er eigenlijk nog veel beter aan toe waren.
Mevrouw De Lange herinnert zich ook nog Belgische tewerkgestelden. Die moesten in die rotsachtige omgeving waterleidingen aanleggen. Ze kan zich hen nog herinneren, omdat ze ‘zo gek Nederlands' spraken. En ook nog dat meneer Mang één keer per week in zijn bruine uniform liep en zich bij een soort burgerwacht schaarde. Dat was verplicht.
Zij waren natuurlijk ook onder de Duitsers. Als ze dat niet deden, werden ze opgepakt.
Ze heeft nooit iets gemerkt van een nazi-ideologie in dat huishouden.
Die twee maanden in de zomer van 1940 was een prachtige tijd. Ze functioneerden daar bij meneer Mang en Angéla als een echt gezin.
We zijn 'in het pannetje gevallen'. We hebben het daar echt getroffen. Ze waren gek op ons. Die man had ons willen adopteren. Dat heeft ie nog wel eens geschreven.

Brief van vader  Timmerman aan Mang, 22 september 1940 over de goede thuiskomst van zijn kinderenBrief van vader Timmerman aan Mang, 22 september 1940 over de goede thuiskomst van zijn kinderen

Terug in Nederland

Haar ouders wisten van te voren niet waar hun kinderen terechtkwamen. Ondanks dat ze elkaar dan ook nooit hebben gezien, hebben de volwassenen jarenlang een goed contact per post gehad.
Mijn vader was een schrijver. Die wilde die mensen steeds bedanken voor wat ze deden. Mijn vader schreef veel.
Haar vader had een Duitser als klant, die zijn brieven dan in het Duits vertaalde en de brieven van Mang vertaalde naar het Nederlands.

Eind 1940 kregen de kinderen van meneer Mang een kerstboompje thuis opgestuurd.
Zo’n doos, een pakket. Ja, dat was iets bijzonders, als je een pakje kreeg van de post. Daar zat een echt kerstboompje in. Dat had ie in de bergen wezen omzagen. Er was een beugel bij van metaal, die had hij in de beddenfabriek gemaakt. In dat boompje zaten cadeautjes voor ons allemaal en een heel mooie kerstengel en vergulde walnoten.

Het jaar daarna, in 1941, kreeg mevrouw De Lange voor haar verjaardag een poëziealbum uit Oostenrijk. Op de eerste bladzijde had meneer Mang zijn wensen voor mevrouw De Lange opgeschreven.
Daar durfde ik bijna niet op school in te laten schrijven. Want daar staat: "Der lieben Ada zur steten Erinnerung von die Ferientage in der schönen Ostmark, und zugleich recht viel Liebes und Schönes zum Geburtstag von Tante Angela!" en "Liebe Ada, Die 2 Monate Kinderferien in unserer schönen Ostmark sollen Dir für die spätere Zeit, steh in Erinnerung bleiben. Von Onkel Gustav."
Op een gegeven moment heb ik dat toch wel gedaan, want kijk, er staat geen Heil Hitler in. Daar hadden we nog geluk mee.
Op school werd er - tegen mij althans - niet over gesproken. We waren al buitenbeentjes in Naarden. We waren geen lid van een kerk, maar gingen wél naar de zondagsschool. We waren de beste leerlingen, wisten alles van de Bijbel. Wij waren niet in een hokje te plaatsen en dat was natuurlijk heel erg.
Ondanks dat we het niet breed hadden, zagen we er altijd erg netjes uit. Ik had op een gegeven moment een truitje aan met allerlei kleine patroontjes, een beetje Zweedsachtig en daar zaten swastika-tjes in - net als een hakenkruis maar dan de andere kant op - gewoon een runenteken. Maar toen had ik dat truitje aan en dan zeiden ze: “NSB-er, NSB-er! Hakenkruizen, hakenkruizen!” Mijn moeder zei: “We zullen er wel wat overheen naaien”. Mijn moeder vond dat natuurlijk belachelijk, maar uiteindelijk deed ze dat voor mij. Dat zijn de nare dingen. Wij werden er na de oorlog nog op aangekeken.
Vooral haar oudere zus - die niet mee was geweest - wilde dat er niet over gepraat werd. Toen mevrouw De Lange met haar verloofde in 1953 - en met haar broer - op vakantie naar Oostenrijk ging, vond ze dat ze deze geschiedenis toch eerst aan hem moest vertellen.
Ik had nooit verteld, dat wij al eens naar Oostenrijk waren geweest. En dat vond ik toen moeilijk.
Toch was de reis naar Neuzeug een heel bijzondere ervaring, die ze niet graag had willen missen!

  • Brief van Ada aan Mang om voor het kerstboompje te bedanken, december 1941

    Brief van Ada aan Mang om voor het kerstboompje te bedanken, december 1941

1 reactie

Seyss-Inquart

Zou ik wat kleine stukjes uit jouw verhaal (uiteraard met bronvermelding) mogen gebruiken voor mijn biografie over Seyss-Inquart die in april 2010 verschijnt mogen gebruiken? Of zou jezelf nog een kort verhaaltje willen schrijven voor dit boek?(ook weer met bronvermelding.)
Weet jezelf misschien ook iets over Seyss-Inquart? Hij is in het begin ook aanwezig geweest bij het 'uitzwaaien' van de kinderen naar Oostenrijk en ook bij terugkomst.

Wilco Gieling, 23 okt 09, 08:31
Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website