4 november 2009
"Vliegen op Indië"
wel een blauw uniform,.....nooit gevlogen
Mijn neef Jan van Beek is de oudere broer van Bram (zie: Het Open Archief ‘bericht van een SS-er) en hij werd geboren op 16 Augustus 1923 in Velsen. Jan groeit op in de jaren dat de Nederlandse luchtvaart in de kinderschoenen staat en een avontuurlijk imago heeft. Hij bouwt modelvliegtuigjes en wil graag piloot worden. Het is zijn grote droom voor later,….. als hij groot is: ‘op Indië vliegen’. Het zal allemaal heel anders gaan.
In de zomer van 1943 slaagt Jan voor zijn HBS-diploma en in diezelfde periode is zijn broer Bram met verlof terug van het oostfront. Het zijn drukke dagen; Bram is gedecoreerd, gewond geraakt en bevorderd en zit vol verhalen en hun zuster Geuri gaat trouwen, ook met een oostfrontstrijder die verlof heeft. Maar dan gebeurt er iets met Jan en de visie op die gebeurtenissen loopt uiteen.
De vader van Jan, Aart van Beek, is lid van de NSB en brigadier van politie in Velsen. Hij speelt een rol in de ‘Velser Affaire’en wordt in 1945 gearresteerd. Tijdens één van zijn verhoren verklaart hij dat Jan: “…..op 25 augustus 1943 door de Grüne Polizei is opgepakt en direct daarna op transport is gesteld naar Crailsheim” (het opleidingscentrum van de Luftwaffe in het Noordoosten van Baden-Württemberg).
Zijn moeder vertelt tijdens haar eigen verhoor op 21 Mei 1945 iets anders: “……ik heb evenwel zeer veel verdriet van de geheele N.S.B. gehad, want mijn oudste zoon (Jan) is geronseld bij het vliegercorps en als vermist opgegeven, terwijl mijn tweede zoon (Bram) zonder mijn toestemming vrijwillig dienst heeft genomen bij de S.S. en gesneuveld is".
Opgepakt of geronseld? De verklaringen van zijn ouders staan in elk geval haaks op die van de “Wehrmachtskommandant Haarlem”. Dìe verklaring dateert van 7 juni 1943 en is daarmee ruim van vóór de datum die Aart van Beek noemde: “Dem Jan van Beek gebr. 16 aug. 1923 zu Velsen, wohnhaft Velsen Verspr. Won. 44, wird hiermit bescheinigt dass er sich freiwillig zur Erziehung in die deutsche Wehrmacht gemeldet hat. Die Einziehung zum Arbeitseinsatz nach Deutschland ist hierdurch aufzuheben.”
Het riekt naar vrijwilligheid, maar chantage door de Duitsers, onder de dreiging van de Arbeitseinsatz, kan natuurlijk ook. Is hem de worst van een pilotenopleiding voorgehouden? De afdeling Oorlogsnazorg van Het Nederlandse Rode Kruis schrijft mij in 2007: “…..Jan van Beek was geen lid van de NSB, maar meldde zich bij de Luftwaffe nadat hij van de HBS kwam (wellicht verklaarbaar uit zijn liefde voor model-vliegtuigbouw”).
Ook hier komt de modelbouw weer ter sprake, maar wat zijn toekomstdromen ook zijn geweest, de Luftwaffe heeft heel andere prioriteiten dan het opleiden van Jan van Beek tot piloot.
Tot 2006 heb ik nooit geweten dat de Luftwaffe over grondsoldaten beschikte, maar vanaf het moment dat ik het dossier van Jan heb gelezen ben ik mij gaan verdiepen in de geschiedenis van de ‘Lufwaffenfelddivisionen’.
Als tijdens ‘operatie Barbarossa’ door militaire tegenslagen in 1941 wordt besloten om de, voor de grondoorlog, best getrainde luchtmachttroepen in te zetten, en deze dat kennelijk verdienstelijk doen, betekent dit een kans voor Hermann Göring. In September 1942 geeft Adolf Hitler opdracht 200.000 soldaten vrij te maken uit de reserves van de luchtmacht en deze ter beschikking te stellen van het leger. Göring weet Hitler echter zover te krijgen dat deze akkoord gaat met een eigen ‘Luftwaffe’ leger van 22 divisies. Het is kinnesinne in de staf van Hitler, ook Göring wil zijn partijtje meeblazen in de landoorlog .
Maar de onderdelen die zich in het begin nog hebben onderscheiden door goede militaire prestaties worden nu geleid door niet voor de landoorlog getrainde luchtmachtofficieren. Eén van de onderdelen van het eerst uur, de ‘Kampfgruppe Oberst Neudorffer’ wordt getransformeerd tot het ‘Luftwaffen Jägerregiment 42’. Het is dit onderdeel waarbij Jan van Beek wordt ingedeeld. Op zijn papieren staat achter ‘Erlernter Beruf’; ‘Schüler’ en op 20 oktober 1943 vertrekt scholier Jan naar Rusland waar hij ergens tussen 20 Oktober 1943 en 12 januari 1944, arriveert. Hij komt ruim 200 kilometer ten zuiden van St. Petersburg terecht in de frontsector bij Staraya Russa, een oude stad die ook een rol speelt in “de gebroeders Karamazow” van Dostojevski. Tegen het decor van de Russische klassieke literatuur loopt het leven van Jan ten einde.
De Russische inlichtingendiensten weten precies op welke plaatsen aan het front de slecht geoefende en schamel toegeruste grondtroepen van de Luftwaffe zijn ingedeeld. Ze zijn in het witte landschap ook zó makkelijk te herkennen aan hun blauwe uniformen. Wat gaat er door Jan heen als hij, in zijn blauwe Luftwaffe-uniform oplichtend tegen de witte achtergrond, het middelpunt is van de artillerieaanvallen van het winteroffensief 1944 dat op 14 Januari van start gaat? Denkt hij nog aan zijn familie of de warme zomers in de duinen en beseft hij nog dat het afgelopen is en hij nooit meer naar huis zal gaan?
Zijn neef Bram herinnert zich in 2007: “Ik heb mijn bestaan aan Jan van Beek te danken. Ik zal vier, mogelijk vijf, jaar zijn geweest en had de gewoonte een boomtak met aan het eind wat bladeren als paard te beschouwen en het paard moest drinken, dus ik naar de sloot. Ik ben toen in de sloot gevallen en onder de vlonder terecht gekomen. Jan, die bij ons op de boerderij gelogeerd had, ging weer naar huis, hoorde bij het voorbij gaan geplons en nam een kijkje. Hij zag mij in het water en trok mij eruit. Het leven kan rare wendingen hebben, Jan is niet beloond voor zijn goede daad, helaas.”
De weken die na de start van het winteroffensief volgen zijn een rommelige aaneenschakeling van terugtrekken en hergroeperen, maar van dat laatste komt niet veel terecht. De Duitsers lopen achter de feiten aan en soms zelfs achter de Russen, maar dan wel in westelijke richting nadat ze door hen zijn ingehaald. Het is de Russen er om te doen de Duitse troepen versnipperd te houden en dat lukt goed. Ergens loopt Jan in zijn blauwe uniform. Dagrapporten uit die dagen geven een beeld van de gebeurtenissen; op de avond van 18 februari wordt de eenheid van Jan teruggetrokken uit hun stellingen bij Staraya Russa. Ze gaan op weg naar het Zuidwesten, maar op 19 februari wordt zijn eenheid : “eingeschlossen und nahezu aufgerieben.” Kleine groepjes kunnen ontsnappen en sluiten zich weer bij elkaar aan waardoor zij “…..erneut in schwere Abwehrkämpfe verwickelt wurden.” Het is het laatste bericht dat betrekking heeft op Jan. Vanaf 20 Februari staat hij te boek als vermist.
In 2008 kom ik in het bezit van dagboekfragmenten van een Duitse veteraan die dezelfde terugtocht meemaakte als Jan. Zijn beschrijving is de hel van Dante: “Es ist kaum zu beschreiben, was wir in dieser Nacht zu sehen bekamen. Rechts und links der Rollbahn humpelten zerlumpte, unbewaffnete Luftwaffensoldaten in grossen Gruppen nach Westen, mit Entsetzen in den Augen und in diese Menschenknäuel krachten unablässig die russischen Granaten, flogen Rata‘s entlang der auf kilometer brennenden Rollbahn mit umgestürzten Fahrzeugen und zerfleischten mit ihrem MG-Garben ganze Gruppen dieser Luftwaffensoldaten. Ihre Einheiten waren im überlegenen, konzentrischen russischen Durchbruch fast völlig aufgerieben und demoralisiert worden. Kaum einer hatte noch eine Waffe, ein Anblick, wie er dann allerdings in den letzten Kriegstagen noch oft zu sehen war. Wir fuhren direkt in die feuerspeiende Nachthölle. Ich ging mit einigen Leuten vor dem Kdr-Kübelwagen und unseren nachfolgenden Fahrzeugen auf der Rollbahn, um die Toten oder verwundeten Menschenleiber zu Seite zu ziehen. Es ist wirklich nicht beschreibbar, ein Dante-Allighierisches Inferno, nacht, alle (onleesbaar) Sekunden wieder taghell von Einschlägen, Abschüssen, dazwischen die Rata’s, die die totale Luftüberlegenheit hatten, schemenhaft die nach hinten fliehenden Deutsche soldaten, ohne stahlhelm, ohne Koppel, ohne Waffen, viele weinend, andere lethargisch vor sich hintappend, auf und neben der Rollbahn unbewegliche oder noch um sich schlagende Körper und Körperteile.“
Na het lezen van de dagboekfragmenten laat het beeld van de volkomen in paniek voortrennende Luftwaffen-soldaten me niet meer los; “mit Entsetzen in den augen, ohne stahlhelm, ohne Koppel, ohne Waffen, viele weinend.” Een huilende HBS-er op een uitzichtloze vlucht.
Zijn broer is dan al dood, gesneuveld bij het veel meer westelijk gelegen Narva. Over Jan is niets bekend en zijn ouders hopen nog op zijn thuiskomst. In het dossier van Jan lees ik in 2006 een brief van zijn moeder:
"IJmuiden 19 Maart ‘44, Lieve Jan,
’t Is nu al een hele poos geleden dat ik je geschreven heb, doch je zult den brief van je Vader die hij je de 5-3-’44 schreef nu wel ontvangen hebben. O, Jan ik behoef je niet te schrijven hoe groot onze smart is en nog wel in’t bijzonder van je moeder. Die lieve Bram te moeten missen. O, Jan ik kan er maar niet over heen. ’t Is toch zo erg voor een moeder. Niemand anders kan dat weten. Vreeselijke dagen hebben we meegemaakt. Je weet ook zo goed, hoeveel we van hem hielden. Deze week ontvingen we dien brief van Auszorge je weet wel, van die “lange”. Hij was in’t Duits geschreven en daar Geuri in Amsterdam ligt, heeft ze dien brief nog niet kunnen vertalen. Morgen komt ze thuis en ga ik haar halen. Wat zal dat vreemd zijn, zoo’n klein kindje in huis. Toch zal het voor mij een grote afleiding wezen. Vandaag is oom Arie en tante Aartje geweest. Ze wilde ook zoo graag eens komen praten en je Vader is de 6e Maart ziek geworden, doch gaat morgen weer in dienst. Heel veel brieven hebben wij ontvangen. Overal vandaan. Wij hebben ook jou een Vo-Va gestuurd waar die advertentie in staat. Schrijf ons direct als je Vaders brief ontvangen hebt en op welke datum ook die Courant. Van jou hebben we pas de 15-3-’44 een brief ontvangen waarin je schrijft dat je nu eindelijk post ontvangen had, en wel 21 brieven tegelijk. Nu Jan, wij ontvingen deze week nog wel 2 brieven van Bram, die waren de 24 en 26 Januari geschreven. Ik huil wat af Jan. Ik voel zoo met jullie mee in al die ellende en die verschrikkingen. Nooit waren jullie uit mijn gedachten. Bram schreef met Nieuwjaar nog. Moeder bid voor ons dat we behouden uit den strijd komen. Doch God wilde het anders. Zijne wegen zijn niet onze wegen. Wat is dat toch voor een zondig mensenhart moeilijk te omvatten. Doch ik zal niet ophouden voor jou te bidden, dat jij toch voor ons gespaard mag blijven. O, Jan bid zelf ook in alle stilte. Vertrouw op God die altijd het beste met ons voor heeft en die ons alleen kan bewaren in welke gevaren we ook verkeeren. O, dat je toch voor ons gespaard moge blijven. Ik kan zoo ontzettend naar je verlangen. We hebben toch zulke mooie brieven ontvangen, ook veel menschen hier gehad, die met ons mee leefden. Doch als het stil was, was het weer alsof ik Bram hoorde loopen langs het raam en dan zijn stem hoorde. Telkens staat hij mij voor den geest. Als ik ’s nachts wakker wordt kan ik niet meer in slaap komen. Ook je Vader heeft dat. Niets hebben ze van die lieve jongen kunnen redden. Niets hebben wij als aandenken. Zijn fototoestel en zijn radio waar hij zoo bezorgd over was, alles is weg, zelfs hebben ze zijn lichaam niet kunnen meenemen. Vreeselijk toch hè, die stakkert. Zoo als Auszorge zei, was hij op slag dood een kopschot en dat is een kleine troost voor ons dat hij niet geleden heeft. O, Jan mijn hart breekt als ik er weer aan denk. Kwam jij maar eens gauw thuis. Schrijf ons toch veel. Wij verwachten iedere dag Wim die ligt in Graz in’t lazaret met een lichte hersenschudding en nu hebben ze hem een telegram gestuurd dat zijn zoon de 9 Maart geboren is en nu zal hij wel genezingsverlof krijgen. Geuri verlangt nu ook zoo naar hem. Willy v. Wijk is op ’t oogenblik met genezingsverlof daar hij ook de 30-1 gewond werd en nog wel niet geheel beter, doch je weet wel hoe dat gaat als ze eerst maar thuis zijn. Hij is ook met zijn Moeder hier geweest, ik kreeg het zoo op mijn zenuwen toen ik hem zag, dat kun je begrijpen. ’t Is niet te geloven dat Bram nooit meer thuis komt. Dat is zoo hard voor mij. En toch kreeg ik nog van een moeder een brief, wiens zoon verleden jaar Febr. Gevallen was. Zij was Wed. en ’t was haar eenigst kind. O, Jan mijn hart brak, die stumpert zit nu altijd alleen en voelde nu zoo met ons mee. Bram en Wim waren in juni bij haar geweest en had ze Bram voor ’t eerst gezien. Zij voelde zoo die grote smart van ons. Wat heb ik dan nog veel voorrechten bij haar vergeleken. Zoo als Auszorge schreef, had Bram nog even van te voren gevraagd, “als ik soms mogt vallen, wil je dan zorgen dat mijn radio en fototoestel naar huis gestuurd word”. Hij was er zoo bezorgd voor. Auszorge beloofde dat hem, doch hijzelf werd gewond en was het hem niet mogelijk iets te redden. Jij zal het wel begrijpen hoe dat mogelijk is. Ik kan me dat niet indenken. Hij schreef ook nog aan Hanna dat hij zooveel post ontvangen had en ook jou brieven zoo goed doorkwamen. Hij had de 16-1-’44 zijn kerstpakketje ontvangen wat Geuri hem al in Nov. Gestuurd had. Hij was toen toch zoo blij dat hij de hele avond gezongen had. Heb jij jouw pakje al ontvangen? Als Geuri thuis is, zal ze je ook wel vlug eens een brief sturen. Ze heeft zoo’n schat van een wieg voor haar kindje. Zoo als je misschien al weet heet hij Bram. Nu Jan mijn briefje is vol en als je deze ontvangt, zal ik wel jarig geweest zijn. ’t Zal wel een droeve dag zijn. ‘k Hoop dat God mij de kracht schenkt om het teboven te komen. Vele hartelijke groeten van je liefh. Moeder! Dag Jan! Hou Zee!"
Deze brief, met toch nog dat verdomde ‘Houzee’, zal Jan nooit bereiken en zijn moeder schakelt in september 1950 het Duitse Rode Kruis in. Dat doet nog tot 1970 actief onderzoek en zij spreken in Duitsland en Oostenrijk met overlevenden van de terugtocht en met teruggekeerde krijgsgevangenen van eenheden die in hetzelfde gebied waren. De conclusie van deze onderzoeken is eenduidig: “Die 21. Luftwaffen-Feld-Division erlitt während dieses Rückzuges hohe Ausfälle, darunter mehr als 150 Vermisste, von denen die im Raum Dno eingetroffenen Kameraden schon damals annahmen, dass sie gefallen seien. Dem datum der letzten Nachricht oder einem Hinweis zufolge war der Verschollene bei diesen Kämpfen eingesetzt. Während der Gefechte in den Ortschaften und in dem unwegsamen tief verschneiten Gelände sind viele Soldaten gefallen, ohne dass es bemerkt und gemeldet wurde. Selbst wenn einzelne noch einen Verbandsplatz erreichten, fielen sie dort kurze Zeit später den Kampfhandlungen zum Opfer. Es gibt keinen Hinweis, wonach der Verschollene in Gefangenschaft geriet. Er wurde auch niemals in einem Kriegsgefangenenlager gesehen. Alle diese Feststellungen zwingen zu der Schlussfolgerung, dass er bei diesen Kämpfen gefallen ist“.
In documentaires over de strijd aan het oostfront kijk ik intensief naar de getekende gezichten en de lege ogen van de militairen. De zwart-wit beelden geven extra dramatiek aan het onderwerp. Ligt Bram daar niet langs de kant van de weg, zijn tengere jongenslijf grotesk verstijfd en vertrapt in de vervuilde sneeuw, terwijl Russische tanks voorbij ratelen naar het Westen? En Jan, prikt zijn verminkte skelet in het voorjaar door de smeltende sneeuw terwijl de vogels draadjes voor hun nest uit zijn blauwe uniform trekken?




