30 december 2009
1
Pech op 'De Wassenaarhoeve'
Het is zo’n makkelijk gebruikt woord: FOUT, maar wat betekent het dan precies? De uitkomst van een som kan fout zijn, maar kan een mens ook fout zijn? En wanneer is iemand dat dan? Wordt hij fout geboren of maken omstandigheden iemand fout? En als dat laatste zo is, hoe kan zo’n proces dan verlopen?
Hoe ging dat bijvoorbeeld bij een willekeurige fabrieksarbeider van het Duitse IG-Farben in de 40-er jaren van de vorige eeuw? Jarenlang zit hij in de verfproductie en plots maakt hij Zyklon-B. Is hij vanaf dat moment fout of neemt hij een beslissing (of juist helemaal geen) die pas achteraf als verkeerd of onjuist kan worden gekwalificeerd? En hoe gaat het bijvoorbeeld bij een Nederlandse boer in het Westland, die worstelt met de landbouwcrisis en ziekte onder zijn vee en dan het veelbelovende landbouwprogramma van de NSB leest?
Aan het eind van de Broekweg in de Broek- en Simontjespolder bij Oegstgeest, daar waar nu een kinderboerderij staat, stond de ‘Wassenaarhoeve’. Mijn oom Han Bregman werd in 1891 geboren en betrekt de boerderij als pachter in 1927. Stromend water en elektriciteit was er niet en Han en zijn vrouw Zus Timmer hebben de grootste moeite om het hoofd boven water te houden. Han en Zus krijgen 5 kinderen. Ondanks de voortdurende landbouwcrisis lukt het hen de boerderij in stand te houden en de pacht tijdig te betalen. Hechte familiebanden dragen ertoe bij dat er ook lichtpuntjes zijn. De laatst levende dochter van oom Han, mijn nicht Adriana, schrijft mij in 2007:
“Ik herinner mij nog wel dat jouw vader en oom Ies, toen ze nog niet getrouwd waren, wel eens op de boerderij kwamen en dat was voor ons kinderen feest want ze namen altijd wat lekkers voor ons mee.”
Maar de zorgen in het gezin zijn niet alleen van zakelijke en stoffelijke aard. Dinsdag 15 juni 1937 is een sombere dag. In de slaapkamer van Han en Zus verloopt de bevalling van hun jongste dochter Boudewina niet zoals gehoopt. Er zit van alles tegen en na de geboorte moet de baby halsoverkop naar het ziekenhuis in Leiden. Han spant in grote haast de paarden in, maar als hij na een haastige en bonkige tocht over de Broekweg en langs de Haarlemmertrekvaart met zijn dochtertje eindelijk in Leiden aankomt is ze al helemaal blauw door zuurstofgebrek. Wientje is daardoor, wat toen nog zonder gene ‘achterlijk’ wordt genoemd.
Op 10 mei 1940 staat Bram, het enige zoontje van Han en Zus die net zes jaar geworden is, op het erf van de ‘Wassenaarhoeve’.
“Met kinderlijke verwondering keek ik in de lucht naar de vliegtuigjes boven mij die elkaar achterna zaten en af en toe een knetterend geluid lieten horen. Plotseling zag ik één vliegtuigje met een enorme rookpluim naar beneden tuimelen. Ik was nog maar pas 6 jaar, maar nu op mijn bijna 73e jaar staat dit beeld nog op mijn netvlies gegrift.”
In datzelfde jaar breekt onder het melkvee kopziekte uit en alle dieren moeten worden afgemaakt. In augustus 1940 verlaten Han en zijn gezin de ‘Wassenaar Hoeve’. Zij verhuizen naar de Leidscheweg in Voorschoten en Han kan aan de slag op de boerderij van zijn broer Arie.
Arie is getrouwd met Aartje Rijkaart en hun gezin bestaat ook uit vijf kinderen die vrijwel dezelfde leeftijd hebben als de kinderen van Han en Zus. Ook bij Arie en Aartje is het geen vetpot en in het voorjaar van 1941 komt het zover dat Arie zijn eigen broer naar huis moet sturen. Han zoekt ander werk, maar dat ligt voor een werkloze boer niet voor het oprapen. Han heeft zich nooit met politiek bemoeid, maar Zus is anders, zij is maatschappelijk geëngageerd en heeft wèl interesse in de politiek.
“Mijn vader was boer in hart en nieren en ik kan me niet herinneren dat hij ooit over politiek sprak, zijn gezin was alles voor hem. Moeder was daarentegen veel meer met maatschappelijke dingen bezig en dus ook politiek geïnteresseerd en ik weet zeker dat zij uiteindelijk de doorslag gaf om lid te worden van de N.S.B.”
Op vrijdagavond 23 mei 1941 gaat bij aannemer Van Dop in Voorschoten de bel. Op de stoep staan de broers Han en Arie met hun vrouwen; Zus en Aartje. Zij melden zich alle vier als lid van de NSB.
Door dat lidmaatschap gaan er voor Han en Arie nieuwe deuren open. Han kan voor van Dop in Schoorl en Scheveningen werken in de bunkerbouw. Hij is ‘wachtsman’, maar ondanks nieuw werk is hij niet gelukkig en krijgt een maagzweer waardoor hij alleen witbrood mag eten. Maar door toenemend gebrek aan voedsel eten ze paardensla in plaats van witbrood. Als er bij zijn broer Arie op de boerderij tarwe wordt geoogst mag Bram bij zijn oom ‘aren lezen’. Ze leven in de twintigste eeuw, maar het zijn Bijbelse tijden. De opbrengst van het rapen wordt in de tuin op een laken gelegd waarna Bram samen met zijn zusjes de graankorrels uit het koren slaat. Moeder bakt er dan brood van.
Ook vanuit een andere hoek komt er aanvulling op de levensmiddelen. Wientje is gek op uniformen; postbode, trambestuurder of soldaat, het maakt niet uit en als ze kans ziet gaat ze met haar mandje naar het landhuis Beresteijn. In de voormalige chique kostschool voor HBS-ers van het ‘Instituut Wullings’, zijn Duitsers gelegerd en als Wientje met haar mandje komt wordt dit trouw gevuld met brood, potjes honing en andere levensmiddelen. In het Derde Rijk worden op basis van het decreet tot ‘vernietiging van levensonwaardig leven’ geestelijk gehandicapten, zwakzinnigen en invaliden vermoord, maar in de periferie van Voorschoten hebben de Duitsers daar geen boodschap aan, die zien een vrolijk meisje met een mandje.
Bram heeft nog nooit van Adolf Hitler gehoord, maar hij is verrast als er op 20 april, de verjaardag van Hitler, Duitse militairen zingend en marcherend over de Leidscheweg lopen. Hij wordt die dag zeven jaar en denkt dat er voor hèm gezongen en gemarcheerd wordt. Zijn jeugd verloopt als die van de meeste kinderen. Hij voetbalt met zijn neefjes, ze gaan samen naar school, schaatsen en stelen appeltjes. In 1942 worden Aad en Bram door de Nederlandsche Volksdienst uitgezonden naar Thüringen en herinneren zich na zestig jaar vooral de heimwee en het eten.
Aad: “In 1942 zijn Bram en ik in Thüringen geweest. Voor mij niet zo’n succes, want ik had vroeger nogal last van heimwee.”
Bram: “……we kwamen vet terug.”
Op maandagavond 4 september 1944 geeft Mussert opdracht dat alle NSB-vrouwen en kinderen die zich in Zuid en West-Nederland bedreigd voelen naar het Noordoosten moeten reizen. Op 5 september 1944 wordt er massaal gehoor gegeven aan zijn oproep. Met zo weinig mogelijk bagage gaat het gezin op weg naar Leiden vanwaar een speciale trein naar Duitsland vertrekt. De treinreis staat Aad en Bram nog in het geheugen gegrift. Vooral het traject tussen Amersfoort en Zwolle zal Aad nooit vergeten:
“Dolle Dinsdag zijn we met de trein naar Duitsland vertrokken. Onderweg werd de trein beschoten en moesten we allemaal uitstappen en in een greppel gaan liggen terwijl de kogels om je oren floten. Ik weet nog dat ik toen gedacht heb: ‘wat duurt het lang voor ik dood geschoten word.’
Bep was aan de andere kant de trein uit gegaan en zij heeft toen een scherf van iets in haar gezicht gekregen. Veel later is dat gaan ontsteken en daar is ze erg ziek van geweest. Hannie en Bep zijn in Duitsland niet bij ons gebleven, maar net als Jo van oom Arie in, wat nu Polen is, terecht gekomen om daar te werken. Bep is daar door, ik dacht, een Russische arts geopereerd en hij heeft de scherf er uit gehaald.”
Het gezin komt terecht in Südwalde. Han en Zus worden met Bram en Wientje geplaatst op de boerderij van het burgemeestersgezin van Südwalde, de familie Stubbemann. Herr Burgermeister Stubbemann is een herenboer met een glazen oog en vader van een gezin met vier kinderen waarvan de oudste zoon, Heinrich, in Rusland vecht.
Buiten schooltijd speelt Bram met de zoontjes Ewald en Alfred Stubbemann en met hun heeft hij een leuke tijd. Voor Aad is er in het burgemeestersgezin geen plaats en zij woont boven de plaatselijke bakkerij bij de schoonouders van Stubbemann. Ze helpt in de bakkerij en werkt in de huishouding.
Bep en Hannie en hun nichtje Jo zijn zestien, zeventien en negentien jaar. Oud genoeg om naar Polen te worden doorgestuurd om daar te helpen met het verplegen van Duitse soldaten. Daar wordt bij Bep ook de scherf van het bombardement op de trein weggehaald. Han en Zus werken op de boerderij van Stubbeman waar Wientje op het erf scharrelt en zich vermaakt met het kleinvee. Han is weer volop boer.
Na de Duitse capitulatie duurt het tot Augustus voor Han en Zus met hun kinderen terugkeren naar Nederland. Bij de grensovergang in Glanerbrug wordt de toon direct gezet.
“We werden in een groot hok gedreven alwaar de mannen direct gescheiden werden van de rest. De mannen moesten kruipen over spiegelsteentjes naar een vrachtwagen toe en werden daar ingeladen en vertrokken”.
Zus, Aad, Bram en Wientje moeten zich uitkleden om met DDT te worden ontluisd. Wientje is acht jaar en stribbelt tegen, ze schaamt zichzelf om zich in het bijzijn van een vreemde uit te kleden. Het helpt niet en ze begint te schelden, maar zonder pardon worden haar kleren ruw uitgetrokken.
Nadat ze zijn ontluisd worden ze op de trein naar Rotterdam gezet en vandaar reizen zij onder begeleiding van bewapende BS-ers naar Leiden. Het transport maakt in Voorschoten een tussenstop om enkele manden uit te laden en van die gelegenheid maken Zus en de kinderen gebruik om voorzichtig langs de slapende BS-er te lopen. Niemand merkt hen op. Ze stappen zomaar de trein uit, staan op straat en zijn thuis.
Een voorproefje van de nieuwe verhoudingen hebben zij in Glanerbrug al gehad, maar op de Leidscheweg, komen ze een oud klasgenootje van Aad tegen. Aad roept een opgetogen groet, maar wordt uitgescholden.
Het verhaal van Hannie, Bep en Jo is als dat van velen die voor de oprukkende Russische troepen uit vluchten, het gaat net niet snel genoeg en ze worden ingehaald. Bram vertelt in 2007:
“…..een Poolse verpleegster kon ze verstoppen, maar kon niet verhinderen dat een paar Russen Hannie te pakken kregen en haar toen verkracht hebben. Bep hoorde het allemaal vanuit een kast. Omdat die Russen dronken waren hebben ze Bep niet gevonden. Hannie heeft het nooit thuis verteld en Bep heeft het aan Aad verteld, moeder heeft het gelukkig nooit geweten. Aad heeft het mij pas vorig jaar verteld”.
Lopend komen Hannie, Bep en Jo uit Polen terug. Onderweg houden ze zich in leven met het stelen van appels en eieren en het stiekem melken van de koeien. Het is zomer en ze slapen in de open lucht en soms in een hooiberg.
Pas twaalf jaar na de dood van Bep vertelt Aad het in 2006 aan haar broer Bram. Zó wordt er gezwegen over de oorlog, zelfs aan je moeder vertel je dit niet, laat staan aan je broer. En wie heeft er na de oorlog belangstelling voor het verhaal van Hannie? Ze is op dat moment geen verkracht meisje van zestien, maar een kind van foute ouders en daar is weinig medeleven mee.
Als ze op de Leidscheweg aankomen een ander gezin in hun huis en ze besluiten door te lopen naar de boerderij van broer Arie een paar honderd meter verderop. Nog geen uur na hun aankomst worden ze daar door gewapende BS-ers gearresteerd en uit elkaar gehaald. Zus wordt nu naar de Doelenkazerne in Leiden gebracht, Wientje en Aad moeten naar Huize Offem in Noordwijk en treffen daar hun zusje Bep en hun nicht Jo. Ze zijn nu bij oorlogspleegkinderen. Na bijna 65 jaar herinnert Aad zich in het voorjaar van 2009 nog stukje van haar verblijf in Huize Offem:
“Veel herinneringen heb ik er niet aan en het lijkt wel of ik die verdrongen heb, want het was geen prettige tijd. Ik heb vroeger altijd last van heimwee gehad en dit was een situatie waar ik geen kans had om naar m’n ouders te gaan. Ik ben niet zo lang in Huize Offem geweest en het was een zogenaamd heropvoedingsgesticht, maar van heropvoeden heb ik niets gemerkt. Ik weet nog dat er ’s nachts een keer op het huis geschoten is, maar door wie weet ik niet. Wij moesten onze kleren zelf wassen en er zal niet veel zeeppoeder geweest zijn, want ik weet dat ik m’n ondergoed in een soort bleekpoeder zette om het een beetje wit te krijgen, maar de gaten vielen erin omdat ik teveel van dat poeder gebruikt had. Hoe het eten was weet ik ook niet meer, maar het zal niet zo goed geweest zijn, want nadat ik door een broer van moeder uit dat tehuis gehaald werd bleek dat er voor mij extra voedselbonnen waren verstrekt omdat ik dat blijkbaar nodig had, maar nooit extra voedsel gekregen heb. Wel weet ik dat ik met schurft besmet was toen ik bij m’n oom en tante in huis kwam en dat was heel vervelend voor die mensen”.
Bep wordt als eerste kind weer uit Huize Offem geplaatst. Zij moet gaan helpen bij de familie Van Vulpen die in 1941 de Wassenaarhoeve betrokken heeft nadat Han en Zus deze moesten verlaten. Bep werkt nu als hulp op de boerderij waar ze zelf tot haar tiende jaar heeft gewoond.
Huize Offem was bedoeld voor meisjes en daarom wordt Bram op zijn elfde geplaatst bij de ‘Willem van den Bergh Stichting’ in Noordwijk. Hij herinnert zich nog goed het strenge regime, zó streng zelfs dat hij probeert daaraan te ontsnappen. Met de slimheid van een kind merkt hij al gauw dat ongewenst gedrag tijdens de gezamenlijke maaltijden wordt bestraft met wegsturen. Hij maakt gebruik van deze wetenschap en belandt voor straf op de gang. Op de WC maakt hij een raampje open, klimt naar buiten en loopt door de duinen naar de boerderij van zijn oom Arie in Voorschoten. Daar loopt hij in de armen van de inmiddels opgetrommelde BS-ers en hij wordt zonder omhaal teruggebracht naar de stichting. Hij wordt streng gestraft.
Bram: “De andere dag moest ik mij geheel uitkleden en toen door twee rijen jongens lopen die me mochten trappen waar ze me raken konden en daarna, met flink wat kneuzingen, werd ik onder een koude douche gezet waarbij een bewaker mijn neus dichthield. Ik viel bijna flauw.”
Een paar dagen later loopt hij weer weg. Deze keer gaat hij naar zijn oom Jan en tante Jaapje in de Broek- en Simontjespolder. Oom en tante zijn verrast als hun neefje de keuken binnenstapt. Bram vertelt zijn verhaal en mag die nacht blijven. Oom Jan licht de volgende dag de Van de Bergh Stichting in en biedt aan om Bram op te nemen in zijn gezin. Voor de stichting komt zijn aanbod op een goed moment, de psychiatrisch patiënten keren langzamerhand terug en dus moet er voor de NSB-kinderen een andere oplossing worden gezocht. Ook Huize Offem wordt gesloten waardoor Aad bij een oom en tante in Leiden gaat wonen. Nu is het Wientje die in de Van den Bergh Stichting wordt opgenomen. Voor Bram is het verblijf bij oom Jan en tante Jaapje geen onverdeeld genoegen.
“Bij mijn verblijf bij oom Jan heb ik altijd een dubbel gevoel overgehouden. Aan de ene kant ben ik ze dankbaar dat ze de verzorging van mij op zich genomen hebben, maar aan de andere kant was ik niet erg welkom.”
Jan en Jaapje hebben tijdens de oorlog onderduikers gehad, de drie zonen van rector Stokkermans van een HBS uit Zeist, die op die manier hun oproep voor de Arbeitseinsatz ontlopen, en zij hebben vanuit een heel ander perspectief naar de oorlog gekeken dan Han en Zus.
Dan krijgt Bram als klap op de vuurpijl steenpuisten op zijn billen en schurft zodat al zijn kleren verbrand moeten worden. Bram gaat in Leiden naar school, maar als hij daar ’s ochtends naar toe fietst heeft hij al meegeholpen met het melken. En ook na school moet er gewerkt worden; weer melken en elke dag de aardappels schillen voor de maaltijd van het grote gezin.
Zus wordt in 1946 vrijgelaten en dan mogen ook de kinderen weer naar huis. Ze zijn bijna compleet, alleen Han is nog gedetineerd. In Nederland heerst de beschaafde armoede van de naoorlogse jaren en ze wonen in een erg klein huis aan de Parkstraat in Voorschoten, “maar we waren allemaal erg blij weer bij moeder te zijn” herinnert Bram zich.
“Het was wel een zeer armoedige tijd, sociale voorzieningen waren er niet. Een commies van de gemeente heeft moeder enorm geholpen om een bedrag van de armenwet los te peuteren. Ook Hannie en Bep werkten toen en met hun bijdrage zijn we het eerste jaar doorgekomen”.
Han wordt in 1948 vrijgelaten en het gezin is voor het eerst sinds September 1944 weer compleet. Han vindt werk als knecht tussen Voorschoten en Leidschendam. Hij staat elke ochtend om vier uur op en komt ’s avonds om zeven uur thuis. Zondag is zijn vrije dag, maar toch moet hij dan twee keer de koeien melken. Menigmaal neemt Bram de zondagse ochtendbeurt over van zijn vader zodat die tenminste één keer in de week langer kan blijven liggen. Zus wil dan graag dat Han mee gaat naar de kerk, maar als hij dat doet valt hij steevast in slaap. Het levert het vertrouwde beeld op van slapende mannen in de kerk.
De oorlog heeft ook nà afloop nog streken in petto. Eén ervan treft Hannie. Zij wil stewardess worden. Het zijn de romantische jaren van de luchtvaart. In 1946 begint de KLM een trans-Atlantische dienst op New York. Wat een prachtige gelegenheid om het arme en het benauwend grauwe naoorlogse Nederland, waar je nog zo lang fout blijft, te verlaten.
Hannie bereidt zich goed voor, ze woont een jaar in Londen om haar Engels beter te leren beheersen en daarna een jaar in Genève met hetzelfde doel, maar voor nu haar Frans. Wat kan er mis gaan?
Tijdens haar detentieperiode heeft Hannie ‘natte pleuritis’ gehad en wordt een jaar lang verpleegd in de paviljoens van de Martha Stichting in Alphen aan de Rijn. Ze heeft er nooit meer aan gedacht, maar de röntgenfoto tijdens de keuring voor de KLM is onbarmhartig. Hannie heeft littekens op haar longen en wordt afgekeurd. Haar droom valt in duigen en nadien fietst ze door weer en wind naar haar werk bij de Sikkens lakfabrieken in Sassenheim. Het is alsof ze wil bewijzen dat ze ècht gezond is en trapt elke dag de teleurstelling van zich af. Het leven is voor haar ook daarna niet mild geweest, haar oudste zoon overlijdt op zijn drieëndertigste aan een hersentumor en zelf sterft ze in 1994 op haar zesenzestigste aan leukemie.
Een andere streek treft Aad. In 1948 solliciteert zij bij boekhandel De Kler in Leiden en moet referenties opgeven. Ze denkt dan aan haar predikant uit Voorschoten, dominee Fortgens, met wie ze tijdens de catechisatie goed kon opschieten. Of Fortgens vindt dat hij niet mag liegen of dat hij misschien andere motieven heeft wordt Aad niet duidelijk, maar Fortgens doet in zijn referentie aan de boekhandel uitgebreid de foute familieomstandigheden van Aad uit de doeken. Boekhandel De Kler heeft geen boodschap aan deze vorm van oprechtheid en Aad wordt aangenomen. Omkijken in wrok doet ze niet. Ze schrijft in 2008:
“Ds. Fortgens heb ik nooit meer gesproken over zijn nare referenties. Het heeft geen invloed gehad op mijn geloof, want een dominee is ook maar een mens. Hij heeft ons getrouwd. Dat was niet de bedoeling, maar de dominee die we eigenlijk wilde hebben was die tijd met vakantie of in ieder geval hij was er niet op de datum die wij uitgezocht hadden”.
Aad en Bram vertellen graag, maar het is hun hele leven wel een beladen onderwerp gebleven.
Aad: “Ik neem het mijn ouders absoluut niet kwalijk dat ze deze keuze gemaakt hebben al hebben wij als kinderen best wel narigheid ondervonden van deze keuze. Zoals klasgenootjes die niet meer met mij om mochten gaan van hun ouders en steken onder water van de onderwijzers. Ik heb het mijn kinderen wel verteld, maar de kleinkinderen niet en ook onze vrienden weten het niet. Zelfs nu vind ik het moeilijk om daarover te praten, want mensen hebben zo gauw een oordeel klaar.”
In September 1954 reist Han Bregman naar zijn jongste broer in Nijmegen om zijn pas geboren neefje (HJ Bregman) te bekijken. Nadat hij daarvan is thuisgekomen voert hij nog even de kippen. Als hij niet binnenkomt gaat zijn vrouw hem zoeken en vindt hem in de tuin. Han heeft een hersenbloeding gehad en overlijdt binnen een paar dagen.
Bram: “Hoewel onze ouders in de oorlogstijd achteraf gezien misschien verkeerde keuzes hebben gemaakt zijn Aad en ik er ons van bewust dat ze altijd het goede met ons voor hadden en hebben wij alleen maar dierbare herinneringen aan beiden.
Wij hebben nauwelijks nog over de oorlogstijd gepraat wij waren te veel bezig met de toekomst van ons allen.
Ik en naar ik meen ook de anderen van ons gezin hebben nooit iets ondervonden wat pijnlijk over kwam of nadelig zou zijn geweest voor onze toekomst, dus geen trauma’s. Van mijn huidige vrienden en bekenden is er maar één die wat van mijn oorlogsverleden afweet. Ik vind het niet nodig de anderen hierover te vertellen. Toch moet ik bekennen dat ik enige opluchting gewaar wordt nu ik jou hiervan deelgenoot heb gemaakt omdat jij er blijk van hebt gegeven in jouw manuscript begripvol te zijn en zonder oordeel alles hebt beschreven.”
Het grootste deel van de bevolking bleef na 15 mei 1940 doen wat zij voor 10 mei ook deed. De meesten hebben niet actief gecollaboreerd en ook niemand verraden, maar zijn ook voor niemand in bres gesprongen; ‘stilzitten en wachten tot het voorbij is’. En door dit ‘niet kiezen’ was men achteraf automatisch ‘goed’. Praat ik daarmee de gebeurtenissen binnen mijn familie goed? Allerminst, maar ik probeer te laten zien dat het niet gaat om platte eendimensionale figuren, ‘goed’, ‘fout’, zwart, wit, maar om mensen met een eigen individuele geschiedenis, met dromen en ideeën, met emoties.





huize offem
Wat ben ik blij dit te lezen, heb zelf ook in Huize Offem gezeten, na de oorlog.
Mijn naam is Clara Erades, samen met mijn grote zus Irma.
Ik was nog maar 3 jaar en ben daar 4 jaar geworden.
Dat denk ik maar weten doe ik het niet.
Zou je mij kunnen vertellen wanneer huize offem gesloten is????
Heb volgens de verhalen,ook nog een aantal maanden in de willem v/d berg gezeten. Daarna naar Offem.
In ons gezin is nooit meer gesproken over het leed wat er geleden is.
Wel weet ik dat mijn oudere broers in het st Jeroen zaten en mijn grote zus bij mij in Offem.
Ik ben ook bij Noordwijkse mensen te gast geweest, en ging daar regelmatig naar toe heb nog herinneringen er aan. Die heb ik laatst op geschreven, voor een oudere dame van deze familie .Die ik tegen kwam in het huis Groothoogwaak zorg centrum waar ik nu zelf woon in de aanleun woningen. zou je mij kunnen bereiken. Wil zo graag dingen weten wat mij niet verteld wordt. Eén broer is al overleden en de zus geen contact mijn oudste broer wordt 80 jaar is erg emotioneel moeilijke prater.Heeft veel mee gemaakt ook in zijn eigen gezin.