Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

28 januari 2010

Sluimerende angst

Margje werd geboren in 1935 in de Hoeksewaard. Ze is het vijfde kind dat geboren werd in een gezin dat zes kinderen zou gaan tellen. Haar vader werkte als landarbeider bij een boer en pachtte van hem een klein huisje. Het gezin leefde in armoede en moest rondkomen van een klein landarbeiderloon. Haar vader werd aan het einde van de bezetting lid van de Nationaal Socialistische Beweging. Tijdens een interview met Ceciel Huitema vertelt Margje over haar jeugd.

  • Margje in 1939

    Margje in 1939

Afgezien van de eerste vijf dagen van de bezetting – toen Nederland nog in oorlog was met Duitsland – en er geschoten werd aan de dijk waardoor het gezin tijdelijk haar intrek nam bij de pachtboer op de boerderij, kan Margje als klein meisje zich maar weinig herinneren van de eerste oorlogsjaren. Het leven ging door en ze ging naar school. Van de tijd dat de oorlog steeds langer duurde – en ze zelf ook ouder werd - kan ze zich de vliegtuigen herinneren die over kwamen vliegen. ‘Je hoorde ze al in de verte, zo ronkend en bonkend. Dan zeiden we: “o, daar komen ze weer”. Dan waren we bang’.

Margje herinnert haar vader als een hardwerkende man die zondags getrouw naar de kerk ging en actief was op de zondagsschool. ‘Door de week bereide hij zich hierop voor en moesten wij kinderen stil zijn.’ In haar herinnering is hij nooit echt politiek geïnteresseerd geweest. Ze vermoed dat haar vader hoopte, door lid van de NSB te worden, op economisch betere tijden voor het gezin. ‘Ik denk dat het door die vrouw komt die altijd bij ons kwam ’s middags, want haar man was wel lid en had ook een functie bij de NSB. Ik denk dat zij mijn moeder een beetje zat op te ruien en mijn moeder vervolgens mijn vader overhaalde.’

In tegenstelling tot de eerste jaren heeft Margje meer herinneringen aan de laatste oorlogsjaren. Toen haar vader aan het eind van de bezetting lid werd van de NSB, werden Margje en haar oudere zus uitgescholden en achterna gezeten op weg naar school. ‘Maar ik had ook gewoon vriendinnen hoor.’ In haar herinnering werd ze niet echt buitengesloten, maar ze herinnert zich wel een voorval waarbij ze plotseling niet meer welkom was bij haar vriendinnetje uit de buurt. ‘Dat meisje heeft toen verklapt waarom ik niet meer mocht komen en dat was omdat ze daar een fietsje hadden staan van een joods meisje en dat mocht ik niet zien omdat anders mijn vader haar zou verraden. Ik snapte dat toen niet. Ik zag mijn vader als een goede man die niets verkeerd deed.’

Rond Dolle Dinsdag, begin september 1944, verliet Margje samen met haar ouders en broers en zusje op een vroege morgen, het was nog donker, hun huis. De kinderen werd verteld dat ze moesten vluchten omdat het oorlog was en ze anders afgeslacht zouden worden vanwege Bijltjesdag. Al lopend kwamen ze bij het volgende dorp vanwaar ze met een goederentrein richting Utrecht vertrokken. Margje herinnert zich dat het daar enorm onweerde en ze met nog veel meer gevluchte Nederlanders voor korte tijd ondergebracht werden in de Domkerk. ‘Toen het zo onweerde moesten wij van vader afscheid nemen. Dat heeft me erg aangegrepen omdat hij stond te huilen.’ Vanuit Utrecht werden moeder en de kinderen in een stinkende goederentrein naar Duitsland vervoerd. Daar werden ze ondergebracht in een groot schoolgebouw met verschillende verdiepingen waar allemaal stapelbedden stonden. Bij aankomst kregen ze veel te eten, maar naar mate de tijd verstreek was er steeds minder voedsel. Samen met haar moeder en broertje ging ze wel eens naar een bakker – waar het altijd zo lekker rook – die soms een brood voor hen had. Margje weet zich nog te herinneren dat ze in Duitsland, samen met een heleboel andere Nederlandse kinderen, naar school ging en Duits leerde.

Toen de capitulatie van Duitsland niet lang meer op zich zou laten wachten gingen alle gevluchte Nederlanders weer in een goederentrein naar Nederland en kwamen terecht in Oude Pekela. In eerste instantie werden Margje, haar moeder en broers en zus over verschillende gezinnen verspreid die verplicht werden gevluchte NSB’ers onderdak te verschaffen. In die paar weken ging Margje gewoon naar school in het dorp. Na de bevrijding veranderde de sfeer. De NSB’ers die ondergebracht waren in verschillende gezinnen werden opgehaald door soldaten met geweren en in een groot complex of op een soort verlaten fabrieksterrein opgesloten. Dit was voor Margje een angstige periode. ‘Oorlog is eng hoor. Vreemde mensen, vreemde omgeving en een vreemde situatie. Er liepen bewakers waardoor je echt het gevoel kreeg opgesloten te zitten’. Naast de angst herinnert ze zich ook de toiletten daar nog. ‘Dan moest je naast elkaar zitten. Dat heeft me erg aangegrepen, dat vond ik ook zo verschrikkelijk’.
Nu Margje vertelt over de angst die ze in Oude Pekela voelde, vertelt ze ineens dat ze haar vader – toen iedereen nog thuis woonde - zag fietsen met een geweer op zijn rug. ‘Ik zie hem nog gaan. Dat heb ik altijd onthouden en vond ik heel erg’. Dit boezemde haar grote angst in en ze vraagt zich nog steeds af wat dat geweer heeft betekend. Ondanks deze vraag heeft ze nooit onderzoek gedaan in het Nationaal Archief in Den Haag waar alle dossiers van veroordeelde Nederlanders liggen met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog. Ze weet niet of ze dat wel wil weten, deze herinnering strookt niet met haar andere herinneringen aan haar vader. ‘Mijn vader was hartstikke zachtaardig. Het is niet te geloven!’.

Hoe ze uiteindelijk van Oude Pekela naar de Buitensluis zijn gekomen, weet Margje niet meer. Ze herinnert zich van deze tijd nog dat haar moeder herhaaldelijk werd ondervraagd. De kinderen, behalve de jongste die bij hun moeder bleef, werden binnen afzienbare tijd buiten de poort gezet. ‘En toen waren er mensen met een Volkswagentje en mochten we meerijden. Vlak bij huis werden we afgezet en toen zijn we naar een oom en tante in de buurt gegaan’. Omdat hun woning van de pachtboer was, was het niet in beslag genomen en konden ze er – toen hun vader gevangen zat – gewoon blijven wonen. ‘Ik heb het idee dat mijn moeder, toen mijn vader vastzat, geholpen is door de boer.’ Terug op school werd ze terug in de vierde klas gezet, maar omdat ze in Oude Pekela ook gewoon naar school was gegaan had ze de hoofdmeester gevraagd naar de volgende klas te mogen, waar haar oude klasgenootjes ook in zaten. En dat mocht.

Margje weet dat ze af en toe op bezoek konden komen bij haar vader in de Scheveningse gevangenis. Van die momenten kan ze zich alleen nog herinneren dat ze dan ook naar het strand gingen. Van zo’n dag werd altijd een uitje gemaakt en Margje bewaart er dan ook alleen maar goede herinneringen aan.

In eerste instantie vertelt Margje dat ze maar weinig last heeft ondervonden van het feit dat haar vader lid werd van de NSB. Ze werd wel eens gepest, maar haar oudere zus kreeg het volgens haar veel meer te verduren. Ook later, toen ze verkering kreeg en trouwde, hebben haar schoonouders nooit problemen gemaakt van haar achtergrond. ‘Er is nooit over gesproken, terwijl ze het geweten hebben’. Als gevraagd wordt of haar kinderen er van weten, zegt ze dat ze het, achteraf gezien, haar kinderen veel te vroeg heeft verteld. ‘Ik heb me altijd voorgenomen hen met niks op te zadelen. Want ík ben er mee opgezadeld, ik en mijn zus hebben er altijd last van gehad. Ik vind het wel erg dat mijn vader lid is geweest. Maar ik kon er niks aan doen. Ik hou er nog steeds niet van als mensen voorop lopen of zich ergens duidelijk voor inspannen. Ik heb altijd gezegd: ik ga bij de grootste club, dat is het veiligst’. Margje vertelt haar verhaal onder pseudoniem. ‘Er zijn misschien wel mensen die mij er op aankijken. Omdat de mensen dat altijd deden, dus heb ik daar nog angst voor. En ik heb nu een leuk leven en dat wil ik graag zou houden!’.

Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website