Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Artikel

Probleemstelling en inleiding

Probleemstelling

Welke problemen ondervinden in APZ of PAAZ opgenomen kinderen van ‘foute’ ouders ten gevolge van de onbekendheid met hun problematiek bij de verpleegkundigen?

Definitie:
Met kinderen van 'foute' ouders bedoel ik Nederlandse mensen, van wie de ouders tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de zijde van de bezetter stonden, en dan met name degenen die:
- ofwel als kind (tot - 15 jaar) de oorlog meegemaakt hebben. Dezen
kunnen tot de 1e generatie oorlogsgetroffenen behoren.
- ofwel na de oorlog geboren zijn in een gezin waar minstens één van
de ouders in de oorlog 'fout' is geweest (de na-oorlogse of 2e generatie).
In de tekst gebruik ik vaak de verkorte term 'NSB-kinderen'; zonder nadere aanduiding bedoel ik dan de bovenbeschreven groep mensen.
Degenen die zich tijdens of na de oorlog bewust bij de ideologische keuze van hun ouders hebben aangesloten en het daar ook nu nog min of meer mee eens zijn, laat ik buiten beschouwing. Hun eventuele problematiek is m.i.
van geheel andere aard.


Inleiding, motivatie, doelstelling

Inleiding

Als eerste reactie op het noemen van mijn scriptie-onderwerp hoorde ik nogal eens: "Dat is toch niets voor een verpleegkundige scriptie!" Psychische problematiek en trauma's werden scans gezien als "een zaak voor de
behandelaar", en bovendien, "je komt het bijna nooit tegen in het ziekenhuis!" Omdat ik vind dat psychische problematiek en trauma's wel degelijk ook voor het wérk van de verpleegkundigen van belang zijn, dat men er in voorkomende gevallen van op de hoogte behoort te zijn, en dat 'het' veel vaker voorkomt dan men denkt, ben ik toch maar doorgegaan. Ik hoop al doende aan te tonen dat het toch een relevant onderwerp voor de intramurale psychiatrie is.
Ik begin met in hfdst. 1 de globale geschiedenis van deze groep mensen te beschrijven, de daaruit voortvloeiende problematiek, de problemen en klachten die opgenomen patiënten zoal kunnen aangeven of laten blijken. Dit hoofdstuk eindigt met een schatting van het aantal patiënten met deze achtergrond. Ook noem ik enkele oorzaken waardoor het in de praktijk zo weinig lijkt voor te komen.
In hfdst. 2 maak ik een vergelijking met andere 'kinderen van de oorlog', en beschrijf dan kort de invloed van normen en waarden en van de media, in zoverre deze van invloed kunnen zijn op de houding van verpleegkundigen t.o.v. NSB-kinderen.
In hfdst. 3, 4 en 5 beschrijf ik mijn onderzoek naar ervaringen en meningen van ex-patiënten/NSB-kinderen, van verpleegkundigen en enkele behandelaars, en de gegevens die ik op deze manier verzameld heb. Conclusies uit dit onderzoek en adviezen die ik van diverse kanten ontving gebruik ik in hfdst. 7, voor de suggesties om als verpleegkundige op een m.i. goede manier met deze patiënten en hun problematiek om te gaan.
Hfdst. 6 geeft aanvulling voor wat betreft het al of niet opnemen in categorale instelling voor oorlogsgetroffenen, plus een beschrijving van enkele instanties die zich o.m. bezighouden met het geven van voorlichting over
de problematiek.
In het slothoofdstuk tracht ik te antwoorden op de vraag uit de probleemstelling. Daarnaast geef ik enkele factoren aan, die er toe kunnen bijdragen dat kinderen van 'foute' ouders niet optimaal geholpen worden in APZ of PAAZ, voor zover verpleegkundigen daar een rol in kunnen spelen.

Motivatie

Waarom heb ik juist dit onderwerp gekozen voor een scriptie?
De aanleiding was, dat ik tijdens mijn opleiding in het ziekenhuis Vogelenzang en bij Synopsis merkte, dat er weinig of niets met deze problematiek gedaan werd. In de theoretische lessen werd er niet over gesproken (ook niet
over de problemen van ex-concentratiekamp-gevangenen of van joodse overlevenden van de oorlog, trouwens). In het ziekenhuis werd het, voor zover ik kon merken, en als de achtergrond al bekend was, verzwegen, gesust, toegedekt, (zie Bijlage I, 1a en 1b).
Daarnaast weet ik uit eigen ervaring, dat het feit dat mijn ouders in de oorlog aan de kant van de bezetter stonden, een zeer grote invloed op mijn leven en persoonlijkheidsontwikkeling heeft gehad, (zie ook Bijlage I, 2).
Op de derde plaats heb ik, als gespreksleidster bij zelfhulpgroepen van werkgroep Herkenning (zie hfdst. 6) veel mensen met een dergelijke achtergrond leren kennen, zodat ik een vrij goed beeld heb hoe deze ‘kinderen’ de oorlog en de jaren daarna ervaren hebben. Ik heb veel schokkende ervaringen gehoord, gemerkt dat veel mensen hier nog ernstige problemen mee hebben, daar soms moeilijk goede hulp voor kunnen vinden. Ook heb ik gezien hoe bevrijdend en verhelderend voor hen de openheid over het verleden kan werken – juist omdat ze er meestal al die jaren over gezwegen hebben.
Zo koos ik voor dit onderwerp, en stel me daarbij het volgende als doel:

Doelstelling

1) het inzicht in de problematiek van kinderen van 'foute1 ouders bevorderen,
2) consequenties van deze problematiek voor patiënten en verpleegkundigen onderzoeken,
3) suggesties bieden ten behoeve van verpleegkundigen, voor een m.i. goede manier om met de betreffende patiënten om te gaan.
Tot slot van deze inleiding wil ik al degenen bedanken die me bij deze scriptie hebben willen helpen, naast de scriptiebegeleidster vooral de mensen die ik heb mogen interviewen, de verpleegkundigen die mijn enquête
hebben ingevuld en al de anderen met wie ik er in de loop van deze maanden korter of langer over gepraat heb!