Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Hoofdstuk 3

Ervaringen van ex-patiënten

3.1. Motivatie en werkwijze

3.2. Samenvatting interviews

3.3. Conclusies


3.1 Motivatie en werkwijze

Toen ik wilde onderzoeken, wat voor problemen kinderen van ‘foute’ ouders als patiënt binnen de klinische psychiatrie ondervinden, leek het me een heel voor de hand liggende stap dit te vragen aan de betrokkenen zelf.
De eerste beperking, die ik mezelf opgelegd heb, was dat ik in mijn onderzoek geen mensen wilde betrekken die op dat moment opgenomen waren en die ik in mijn werksituatie tegenkwam - in feite zijn dat er vijf geweest. Vanuit mijn verantwoordelijkheid als leerling-verpleegkundige wilde ik niet, ter wille van mijn onderzoek, een belastend extra element invoeren in een behandelsituatie, waarin er niet mee gewerkt werd, zodat ik tegen het afdelingsbeleid en behandelplan in zou gaan. Achteraf gezien vind ik, dat ik met name in mijn eerste twee stageperiodes meer invloed binnen het team had kunnen proberen uit te oefenen, zodat de problematiek binnen het team wel bespreekbaar was geworden; misschien had ik althans met enkelen van hen er wel over kunnen praten.
Verder heb ik er over gedacht een oproep in een paar kranten te plaatsen om informanten op dit gebied te vinden - dit heb ik niet gedaan uit praktische overwegingen, met name de vrees dat het me te veel tijd zou gaan kosten.
Dus heb ik me beperkt tot vier mensen, die ik kende uit de tijd dat ik gespreksleidster was bij Herkenning: degenen die ik kende en waarvan ik wist dat ze een of meer keer opgenomen waren geweest (ik heb het nog aan een vijfde gevraagd, maar die wilde op dat moment het verleden niet 'oprakelen'). Ik heb deze mensen opgebeld en gevraagd of ze mee wilden werken aan het onderzoek. Vier van de vijf waren daartoe bereid, in de hoop dat het anderen zou kunnen helpen, en ondanks het feit dat de meesten er tegen op zagen om zich weer in die situatie te verdiepen.
De interviews zijn mondeling gehouden; ik had een vragenlijst opgesteld (bijlage II) en aan de hand daarvan hebben we gepraat; per persoon ongeveer twee uur. Er waren grote verschillen qua opnamesituaties en persoonlijkheid, zodat de accenten in de gesprekken heel verschillend gelegd werden.
Hieronder vindt u een samenvatting van die gesprekken, met nadruk op de ervaringen met behandelaars, verpleging en medepatiënten, en op wat de geïnterviewden als 'genezend' of 'schadelijk' ervaren hebben.
Ter wille van de anonimiteit noem ik ze Mw. A., B., C. en D.


3.2. Samenvatting interviews

3.2.1. Mevrouw A. is geboren in 1938 als het jongste kind in een NSB-gezin. Vader was middenstander, politiek niet actief, heeft wel meegewerkt bij de Winterhulp. Ze hebben in de oorlog een tijdje een joodse onderduiker in huis gehad. Van de drie oudere broers is er een tijdens de oorlog overleden in Duitsland (Mw. weet niet hoe), één is lid van de SS geweest en is gedeserteerd, één is voor de arbeidsdienst vrijwillig naar Duitsland gegaan en heeft daar nu nog angsten door (vanwege meegemaakte bombardementen). Na Dolle Dinsdag is de moeder met de jongste kinderen eerst naar Duitsland gevlucht, tegen het einde van de oorlog teruggekomen. In Drenthe zijn beide ouders 'opgehaald1; de kinderen bleven eerst alleen achter, kwamen daarna in een opvanghuis voor NSB-kinderen, later in een normaal weeshuis. Na enkele jaren is het gezin herenigd. Er werd nauwelijks over het verleden gepraat. Mw. is gehuwd (geweest), heeft twee kinderen.
Mw. zegt, dat ze alle genoemde (Bijlage II) gevolgen van het kind-van-foute- ouders-zijn wel bij zichzelf herkent, maar vooral de schuld- en schaamtegevoelens ('t geheim houden voor vrienden), moeite met agressie, depressiviteit, angsten. Ze is hulp gaan zoeken toen ze last kreeg van fobieën, niet meer naar buiten durfde te gaan; ook thuis namen man en kinderen bijna alles van haar over.
Er waren diverse hulpverleningssituaties:

1) 2½ jaar lang eenmaal per week een gesprek met een psycholoog. Eerst verzweeg Mw. het verleden; na een tijd is de echtgenoot een keer meegegaan om er bij te zijn als ze het vertelde. Reactie psycholoog: "Nu vallen de stukjes van de puzzel in elkaar voor me, nu begrijp ik je beter". Verder is er weinig op ingegaan. Mw. was heel blij dat er geen afwijzing volgde op haar 'bekentenis'. De behandeling heeft echter nauwelijks resultaat opgeleverd.
2) Verblijf bij Stichting 40/60, een opvanghuis voor vrouwen rond de overgangsleeftijd voor wie de situatie thuis op de een of andere manier te moeilijk is (maximaal verblijf 6 weken, begeleiding door vrijwilligsters, verder vooral zelfhulpgroep). Na een tijdje heeft Mw. haar verleden genoemd tegen haar persoonlijk begeleidster. Deze reageerde met veel begrip, heel lief, ook de rest van de tijd, maar raadde haar aan er niet met de medebewoners over te praten. Resultaat: geen echte genezing, wel een blijvende vertrouwensrelatie.
3) Dagbehandeling Vogelenzang, twee dagen per week. Mw. heeft haar verleden genoemd in de groep. De gespreksleider reageerde niet, de groep ook niet. Later vroeg een van de groepsleden onder vier ogen of ze er meer over wilde vertellen, toonde belangstelling. Reactie van Mw.: ze zweeg verder over zichzelf, was in de groep met de anderen bezig, vroeg geen aandacht meer voor zichzelf. Einde dagbehandeling: 'We kunnen niets voor je doen, je kunt beter een fobiebehandeling zoeken.11 Mw. kreeg geen hulp hierbij. Als Mw. aan deze periode terugdenkt, is ze boos. De persoonlijk begeleidster van Stichting 40/60 heeft toen een adres voor fobiebehandeling voor haar opgezocht, en haar tevens het adres van de werkgroep Herkenning gegeven.
4) Herkenning. In het begin was Mw. heel bang, heel langzamerhand begon ze zich daar veilig te voelen. Mw. werd altijd gebracht en gehaald door man of zoon, ze durfde geen weekend van huis weg, uit angst dat ze een 'aanval' zou krijgen. (dan was ze heel angstig, kon niet staan of lopen, enz.)
5) Fobiestichting. Mw. vermeldde haar achtergrond op het aanmeldingsformulier, uit angst weggestuurd te worden als ze het verzweeg en het kwam later wel uit. Er is niets mee gedaan; ze kreeg alleen gedragstherapie zonder aandacht voor achtergronden. Het hielp niet. Mw. is maar een paar keer geweest.
6) Zes korte opnames in het marinehospitaal in Overveen (er is daar geen aparte PAAZ-afdeling, mensen met psychische problemen verblijven daar op de afdeling interne geneeskunde) in anderhalf jaar. Bij biografiegesprekken na de intake met de arts-assistent vermeldde Mw. het verleden, en rende toen in paniek de kamer uit, verdwaalde in het ziekenhuis. Het contact is toen overgenomen door de hoofdpsychiater. Deze reageerde vriendelijk en met begrip, maar deed er weinig mee. Met verpleging en medepatiënten zweeg Mw. over het verleden, ook als de oorlog ter sprake kwam. Ze had het er wel moeilijk mee, met dat zwijgen. Ze wist niet of de verpleging al of niet van haar verleden op de hoogte was, zweeg dus. Reactie op behandeling: "Ik kon tegen de behandelaar af en toe mijn hart luchten en spanning afreageren, of kreeg een extra pilletje". Mw. ging langzamerhand vinden dat ze op deze manier niet echt verder kwam, ze wilde minder voorzichtig aangepakt worden, dieper op de dingen ingaan. Ze heeft dit op den duur tegen de behandelaar gezegd. Na enig aarzelen is ze toen overgeplaatst naar
7) Limmen, een kliniek voor kortdurende klinische psychotherapie. Ze heeft haar verleden vermeld in de aanmeldingsbrief die ze zelf moest schrijven, na opname ook al heel gauw in de groep medebewoners. Reactie: het werd gewoon als 'een probleem' aanvaard; ik voelde me als mens geaccepteerd. Begeleiding en groep keken naar de totaliteit: het verleden is een stuk van je, maar ook je huwelijk, de toestanden in het weeshuis, je angsten. Mw. vermeldt met warme waardering ook de houding van de groep: Mw. kreeg extra uren psychomotorische therapie, waarbij andere groepsleden ter wille van haar mee moesten doen - dat deden ze, als iets heel normaals! Reactie op de behandeling als geheel: dit heeft echt geholpen. Mw. is nu gescheiden, heeft een eigen winkel, functioneert goed.

Samenvatting van wat helpend of remmend gewerkt heeft volgens Mevrouw:
- remmend: bagatelliseren, niet reageren.
- wel veilig, maar weinig vooruitgang: met begrip luisteren, zonder er echt iets mee te doen.
- helpend: acceptatie als mens, problemen serieus nemen, het verleden óók als een serieus probleem accepteren, werken aan de totaliteit.

3.2.2. Mevrouw B. was veertien jaar aan het einde van de oorlog, dochter van een bekende familie in een grote stad, heeft haar verleden nooit geheim kunnen houden. Moeder was alcoholiste. Na de oorlog is vader gearresteerd, Mw. heeft toen de verantwoordelijkheid voor het gezin op zich genomen. Werd na de oorlog geweerd van het gymnasium, moest naar de MULO. Was ontzettend dankbaar t.o.v. een jongen die in 1946 bevriend met haar wilde zijn. Gehuwd; toen echtgenoot vriendin kreeg, voelde ze zich extra in de steek gelaten ("weer een NSB-kind") en is toen gaan drinken. Mw. noemt van zichzelf als NSB-kind-kenmerken: agressie ("de eerste klap is een daalder waard"), sociale isolatie, eenzaamheid, wantrouwen naar andere mensen. Mw. is in 1977 opgenomen op Vogelenzang, wegens alcoholmisbruik, voor vier maanden. Na zes weken thuis te zijn geweest, werd ze opnieuw opgenomen, waarbij Mw. doorverwezen werd naar een T.G. voor alcoholisten in Noord-Brabant. Daarna is ze jarenlang bij de A.A. geweest. Mw. heeft nog een paar jaar gewerkt. Nu is ze in de VUT. Ze is nog steeds gehuwd; het gaat goed met haar.

De opnamesituaties:
1) opname-afdeling Vogelenzang.
De aandacht ging uit naar het alcoholmisbruik. Haar NSB-achtergrond was bekend bij behandelaar, verpleging en medepatiënten, daar maakte ze nooit een geheim van. Er werd niet mee gewerkt. Op de afdeling kwamen twee medepatiënten, ook NSB-kinderen, naar haar toe, samen praatten ze over hun ervaringen. Zeker een van die twee sprak er verder absoluut met niemand over. Reactie op deze periode: Er werd niets met het NSB-verleden gedaan; terecht, het ging niet over problemen m.b.t. het verleden, maar over de alcohol, en ik was erg in de war.
2) Therapeutische Gemeenschap voor alcoholisten.
Hier was het verleden bespreekbaar, met behandelaars en in de groep; er werd ook mee gewerkt. De psycholoog liet haar zien, dat ze het NSB-verleden als manipulatiemiddel gebruikte, wanneer iemand boos op haar was. ("Zie je wel, jij minacht me ook!") Het ging onbewust, zegt Mw. nu achteraf, maar de man had gelijk. In eerste instantie was het niet prettig dit te horen. Naderhand, toen Mw. inzag dat het inderdaad zo was, vond ze het prettig, zinvol, positief.

Enkele opmerkingen van Mw. n.a.v. de problematiek van NSB-kinderen:
1.Ik zelf had geen keus, maar ik vind wel dat openheid over je oorlogsverleden, ondanks de soms harde reacties, meer voordelen heeft dan zwijgen.
2.Mede doordat ik uit een cultureel en materieel bevoorrecht milieu kwam, was ik zelfbewuster, had een heel behoorlijk zelfvertrouwen. Dat heeft me ook geholpen.
3.Ik heb het kort na de oorlog het moeilijkst gehad. Dat de mensen in de oorlog rot tegen ons deden, kon ik begrijpen. Ik had gedacht dat de vijandschap na de oorlog afgelopen zou zijn, maar het werd integendeel veel erger. Ik snap dat nu nog niet, vind het heel laf.
4.Ik word kriegel als mensen het verleden als excuus gebruiken voor hun gedrag, blijven doordrammen en niet zelf een oplossing zoeken, als ze geen eigen verantwoordelijkheid nemen.

Samenvatting van wat helpend of rennend gewerkt heeft volgens Mevrouw: Helpend: als behandeling/verpleging kijkt hoe het verleden in het heden doorwerkt, en daar wat mee doet.

3.2.3. Mevrouw C. In haar verleden speelt behalve het specifieke NSB-kind zijn ook fysieke mishandeling en incest mee.
Van de kenmerken van NSB-kinderen bij zichzelf noemt Mw.:
- erg opkomen voor mensen die onrecht aangedaan wordt,
- enorm wantrouwen naar mensen,
- angsten,
- schuldgevoelens (dit is nu voorbij, de eerste drie niet).

Mevrouw is vier maal opgenomen geweest,
- in 1962 na een suïcidepoging,
- kort daarna nog eens, voor crisisinterventie,
- in 1980 en 1985 in de Ursulakliniek, met als acute aanleiding visuele en auditieve hallucinaties. Tijdens de eerste drie opnames heeft Mw. niet over het verleden als NSB-kind gesproken, ze zag het niet als een (mede)oorzaak.

Tijdens de laatste opname zeiden medepatiënten tegen haar: "Je doet nu wel lollig, maar je hebt een enorm minderwaardigheidscomplex." Haar reactie toen: "Als je als kind maar genoeg gepest wordt, krijg je dat vanzelf wel!" Toen pas legde ze de link tussen het NSB-kind zijn en haar problemen (vertelt nu over ervaringen op school, bij sollicitaties, in vriendschappen).
Ze zei er iets over tegen haar behandelaar, die reageerde met: "Al die oude koek, daar heb je niets aan; je leeft nu!" In eerste instantie dacht Mw.: nou, als het je niet interesseert, houd ik mijn bek wel dicht. Ze praatte er toen echter wel over tegen de assistent-psychologe, die zeer onder de indruk was. Een week later kreeg ze een andere assistent toegewezen. Na hevig protest van Mw. mocht de eerste assistente haar toen wel blijven begeleiden, maar deze vermeed verder het onderwerp. Reactie van Mw. hierop: ze was er zeer door teleurgesteld. (De assistent-psychologe was de persoonlijk begeleidster van Mw.)
Mw. had inmiddels contact met de werkgroep Herkenning, en hoorde daar van een patiënte van een andere afdeling van de Ursula, dat zij een psychiater op de afdeling hadden die er wel over wilde praten. Na fikse tegenwerking kreeg Mw. gedaan dat ze naar die afdeling overgeplaatst werd en die psychiater als behandelaar kreeg. Deze psychiater had begrip en medeleven, luisterde echt. Ze waarschuwde Mw. echter wel, dat ze er goed over moest nadenken voor ze het verleden oprakelde, dat het moeilijk zou zijn en lang zou duren. Reactie van Mw. hierop: vertrouwen, zich veilig voelen.
Houding verpleging: naar de ervaring van Mw. wordt deze beïnvloed door de houding van het hoofd van de afdeling, de psychiater. Op de eerste afdeling waar Mw. in 1985 verbleef, was het verleden blijkbaar in gesprekken met de verpleging taboe - als Mw. er over begon, werd ze altijd doorverwezen naar behandelaar of persoonlijk begeleidster. En hoe de mogelijkheden daar lagen, is hierboven al beschreven.
De houding van de verpleging op de tweede afdeling was voor haar een openbaring. Mw. kon er toen met haar persoonlijk begeleidster en eventueel anderen wel over praten, zij het summier. Ze toonden begrip, kapten het niet af; en in geval van nood kwamen ze voor haar op. Ook bij de verpleging voelde ze zich daar veilig.
Reacties medepatiënten: op de eerste afdeling wist niemand van de medepatiënten van haar verleden af. Op de tweede afdeling had Mw. het in een kleine behandelgroep ter sprake gebracht; de anderen reageerden heel open, praatten er naderhand ook af en toe met haar over.

Een ander deel van de woongroep wist er niet van. Een van hen zei op 5 mei bij een TV-uitzending: "Dat gajes hadden ze indertijd met hun hele familie af moeten schieten!" Reactie Mevrouw (die zeer adrem kan zijn): "Dan had ik hier niet gezeten." De man schrok toen. Een ander vroeg toen, of ze er nog iets over zeggen wilde. Dat wilde ze niet. De volgende dag gaf de p.b. haar een compliment over haar reactie. Niemand deed er verder moeilijk over; Mw. voelde zich veilig en zonodig gesteund.
Samenvatting van wat helpend of remmend gewerkt heeft
remmend: bagatelliseren, afhouden, doorverwijzen zonder op de emoties in te gaan.
helpend: verleden bespreekbaar houden, met begrip en medeleven luisteren, steun en veiligheid bieden.

3.2.4. Mevrouw D. had aanvankelijk zelf geen helder beeld van haar verleden. Ze wist alleen dat haar vader de hele oorlog als zeeman uit Nederland weg was geweest, dat ze met haar moeder veel rondgezworven had, dat moeder min of meer uit de ouderlijke macht ontzet was geweest. Na de oorlog volgde gezinshereniging, maar met veel problemen. In 1986 kwam Mw. in contact met de werkgroep Herkenning, Mw. was toen heel labiel, haar verhalen waren erg vaag. In 1987 kwam ze in behandeling bij prof. Bastiaans.
Van de kenmerken bij NSB-kinderen herkent ze van zichzelf: sociale isolatie, wantrouwen, angsten, zeer depressief, sterk geremd, soms suïcidaal.
De behandeling door prof. Bastiaans vindt aanvankelijk ambulant plaats, met cm de andere dag een lang telefoongesprek. Na een eerste behandeling met pentotal knapt ze af, kan niet meer ophouden met huilen, mag eerst een nacht blijven slapen, wordt een paar dagen later opgenomen in de dependance van de Jelgersma-kliniek. Langzamerhand wordt het verleden duidelijker (moeder had losse sexuele contacten met Duitsers, Mw. zelf als kind van 8 jaar samen met haar moeder in het openbaar kaalgeknipt...) Dank zij prof. Bastiaans kan ze de eerste tijd nog blijven; medepatiënten weten niets van haar 'foute' verleden, de verpleging voor zover Mw. weet, ook niet. Na drie maanden vertrekt ze naar huis, hoewel ze heel bang is om te gaan. Voor prof. Bastiaans maakte het geen verschil toen haar verleden duidelijker werd en 'fout' bleek te zijn. Opname of behandeling in Centrum '45, de voortzetting van de dependance van de Jelgersmakliniek, zou nu echter geweigerd worden. Mw. maakte op mij tijdens ons gesprek een labiele indruk. Mw. krijgt veel steun van een goede vriendin.

De houding van de verpleging tijdens de opnameperiode heeft Mw. ervaren als zeer positief en steunend:
- ze voelde zich er heel veilig, onvoorwaardelijk gesteund (!),
- men mocht zelf na een paar dagen een persoonlijk begeleidster kiezen,
- je kon altijd bij iemand gaan zitten voor steun en hulp, er was altijd tijd voor,
- veel lichamelijke warmte, "een aai over je bol",
- er was houvast, duidelijkheid, aandacht, voor iedereen,
- er was niets gek, alles kon,
- elke dag een gesprek met psychologe en persoonlijk begeleidster.


3.3. Conclusies

Van deze vier verhalen geeft het verhaal van Mw. A. volgens mij het duidelijkst een beeld van zuiver NSB-kind problematiek; bij de anderen spelen andere belastende factoren sterk mee (resp. alcoholgebruik moeder, fysiek geweld, een onveilige jeugd). Opvallend vind ik, dat Mw. C. en Mw. D. bijzonder de nadruk leggen op de steunende, veilige omgeving - daar hadden zij kennelijk grote behoefte aan. Voor Mw. A. was het doorslaggevende: het er over kunnen praten, en dan als mens geaccepteerd worden, als mens met een aantal probleemgebieden, waar serieus mee gewerkt werd.
Heel duidelijk vond ik ook het verschil tussen de beoordelingen van Mw. B. en Mw. C.: het niet werken met de wel bekende achtergronden was voor de pas opgenomen alcoholiste heel terecht (ze kwam voor het alcoholprobleem en was erg in de war); voor de ander, die na het verdwijnen van de hallucinaties voor het eerst met de NSB-problematiek wat wilde gaan doen, was het kwetsend dat de behandelaar dat niet wilde.

Tot slot een opsomming van wat door deze vier mensen als helpend ervaren werd:
Mevrouw A.:
1. Rustig opbouwen van vertrouwensrelatie in algemeen ziekenhuis, acceptatie van haar behoefte aan dieper ingrijpende therapie, de doorverwijzing.
2. Psychotherapie waarin NSB-probleem onderdeel was van het totale intra-psychisch functioneren.
3. Eisen die aan haar omgeving werden gesteld voor haar welzijn.
4. Psychomotorische therapie m.b.v. een groep.

Mevrouw B.:
1. Integratie NSB-problematiek in totale problematiek.
2. Confrontatie met na de oorlog ontstane mechanismes, door deze als manipulatief te benoemen.

Mevrouw C.:
1. Integratie NSB-problematiek in totale problematiek.
2. Combinatie van groepstherapie en individuele steunende en inzichtgevende therapie.
3. Acceptatie en zonodig steun door verpleging en medepatiënten.

Mevrouw D.:
1. Zeer deprimerend is het besef niet opgenomen te kunnen worden in een omgeving die zij als zeer positief ervaren heeft.
2. Zij krijgt nu driemaal per week psycho-analyse, woont thuis, vindt steun bij vriendin.

Ik hoop van deze gegevens gebruik te kunnen maken in hoofdstuk 7.