Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

4 februari 2010

Zoektocht zonder podium

Deel 3

Voor ons kinderen van foute ouders is het moeilijk openlijk te zoeken. Televisieprogramma's als "Vermist" en "Spoorloos" of het radioprogramma "Adres onbekend" zijn aan ons niet besteed vanwege de precaire familiegeschiedenis.

  • Koos in militaire dienst 1967, Amersfoort.

    Koos in militaire dienst 1967, Amersfoort.

Hoe integer een programma ook lijkt, het gaat om kijkcijfers en succes van programmamakers. Stap je er in dan kun je moeilijk terug door de hoge kosten die ze voor jou gemaakt hebben. Je tekent er voor en zit in de val! Toch sta ik versteld over het gemak waarmee mensen hun hele privé-leven in de openbaarheid gooien. Emotietelevisie levert geld op! Ik vraag me af of deelnemers de inpact van dat soort uitzendingen overzien in gevolgen voor hun zelf en omgeving. Ondanks deze kritiek kijk ik graag naar dat soort programma's, het liefst alleen om daarna afhankelijk van het onderwerp mijn tranen de vrije loop te laten.
Ik bewonder de moed van de mensen die wel gebruik maken van genoemde media. Natuurlijk we hebben geen schuld aan alles wat is gebeurd in de oorlog. Wij zijn wel het veilige schild waarmee we onze ouders achter willen beschermen ten koste van onszelf. Met dat schild torsen we ook de schade die we oplopen.

Ooit had ik een onhandige poging ondernomen bij familie om aan informatie te komen. Dat was bij een 25 jarig trouwfeest in 1973 van de lievelingsbroer (mijn peetoom) van mijn moeder. Een andere oom zat duidelijk wat aangeschoten door de drank alleen aan een tafeltje. Ik was erg gesteld op mijn ooms en voelde dat het wederzijds was. Oom Manus was een vriendelijke, rustige man die ouder was dan mijn moeder. Hij was met zijn jongste broer de enigen die niet waren opgepakt na de oorlog. Ik stapte op hem af en ging naast hem zitten. Na wat gebruikelijke familie uitwisselingen werd het gesprek zeer vertrouwelijk, ik zag mijn kans schoon en ik vroeg of hij wist wie mijn biologische vader was. Hij keek mij verrassend nuchter aan en antwoordde; "Koos dat zal ik je nooit kunnen zeggen, dat een zaak van je moeder." Op de vraag van mij of hij het wel wist wie hij was zweeg hij. Ja, dat mijn familie mij ooit iets over dit familiegeheim zouden vertellen leek voorlopig uitgesloten!

Ik nu had sinds de vakantieweek met mijn ouders eindelijk een naam en wat aanwijzingen. Maar waar en hoe ga je zoeken? Direct na de vakantieweek in Engeland met mijn ouders (zie deel 2) begon ik met mijn zoektocht in de Haarlemse stadsbibliotheek en in alle boekwinkels in mijn stad. Elk boek over de 2e wereldoorlog en de tijd direct na de oorlog in Nederland werd door mij onderzocht naar relevantie informatie. Vele uren bracht ik door op de leeszaal. Internet was er nog niet, computers wel maar die werden gebruikt voor registratie van studieboeken naar onderwerp die elders waren opgeslagen . Ook nam ik het Haarlems Dagblad door die vanaf mei 1945 op microfilms in de kelder was opgeslagen. Inmiddels had ik al een bescheiden verzameling van boeken van auteurs wiens ouders fout waren, Wat een moed om daarover te schrijven! Inmiddels heb ik een kleine bibliotheek thuis over de volle breedte van dat onderwerp.

Een belangrijke aanwijzing in mijn zoektocht was dat mijn biologische vader na de oorlog ter dood was veroordeeld en het vonnis voltrokken. Daar moeten publicaties van zijn. In boeken van Koos Groen en "In plaats van bijltjesdag" van Belifante vond ik veel informatie zelfs een lijst van namen die ter dood waren veroordeeld en bij wie dat vonnis daadwerkelijk was voltrokken. 135 doodvonnissen zijn er in Nederland uitgesproken waarvan er 40 voltrokken, velen hebben nog gratie gekregen. En daar stond het! Zwart op wit. SD'ers Sander van D. en Jan L. verantwoordelijk voor de dood van 7 jonge Nederlanders geëxecuteerd op 16 november 1949. Ik zat op een krukje tussen de rijen boekenkasten in de bibliotheek en voelde mijn bloed op dat moment uit mijn gezicht wegtrekken. Het was waar! mijn laatste beetje twijfel was verdwenen. Mijn vader is een oorlogsmisdadiger! Een moordenaar! Fouter kon niet.
Dat kerft in je ziel en zal zich nooit meer uitwissen. Hoe moet ik dit dragen en goed verder gaan, ik heb een taak als eerzame burger, vader en echtgenoot.

Veel heb ik gepiekerd in die tijd die volgde, er ging geen dag voorbij of ik dacht er aan. Ik stelde me voor hoe de laatste uren moest zijn voor een ter doodveroordeelde. Ik ben principieel tegen de doodstraf maar als hij nog had geleefd zou ik hem nog willen zien? Hij is er niet meer en dat maakt zo’n vraag overbodig, zo lost de geschiedenis een probleem op.
Bij de jaarlijkse dodenherdenkingen had ik steevast aanvallen van hevige emotie, die als ik kon verborgen hield voor mijn omgeving alleen Joke wist daarvan. Gelukkig ging het niet ten koste van mijn werk in de drukkerij waar ik een verantwoordelijke functie had. Ik leefde een dubbel leven. Ik bedacht dat het goed was geweest dat ik jarenlang en in mijn jeugd niets geweten had over deze dramatische familiegeschiedenis, de belasting zal zeker te groot zijn geweest als je dat op hele jonge leeftijd moet dragen. De stap van een boerendorp naar Haarlem en het lange verzwijgen was voor mijn ontwikkeling als kind goed geweest. In feite moet ik mijn moeder daar nog dankbaar al was dit niet bewust voor mij gedaan, ik denk eerder dat ze zich als ongehuwde moeder niet meer in haar dorp wilde wonen waar iedereen alles van elkaar weet.

Het is een bekend gegeven. Je hebt vele leugens nodig om een leugen in stand te houden. Spijtig genoeg is dat liegen en zaken anders voordoen dan hoe het werkelijk was geweest, een tweede natuur van mijn moeder. Ik kan het begrijpen, het is een manier van zelfbescherming, je wilt geen verantwoording afleggen aan je kinderen maar zij kijken er doorheen en weten precies hoe een ouder is. Als ik terugkijk op mijn jeugd dan is die redelijk goed geweest, ik ben niet gepest zoals andere kinderen van NSBers. Ik was sterk, sportief en kon me sociaal goed bewegen. Door de vele verhuizingen en veel verschillende lagere scholen had ik wel een leerachterstand opgelopen zodat ik snel werd klaargestoomd voor het arbeidsproces, mijn eerste baan had ik op mijn 15e. Ik denk aan flarden van vroege jeugdherinneringen en zoek naar sporen die het gevolg waren van het foute verleden van mijn familie. Van Westerbork weet ik niets meer. Een flits is dat ik speel in de modder. Dan speel ik op een binnenplaats achter een huis in Coevorden, ik woon bij een lieve tante. Plotseling komt een slanke vrouw de binnenplaats op, ik verwelkom haar vrolijk want mijn moeder zou mij komen ophalen had mijn tante die dag verteld. Lachend tilt zij mij op, ze ruikt vreemd en haar lippen geven af. Mijn moeder! We vertrekken met trein naar Haarlem.
Ik denk aan de 2 kindercrèches, in de Asterstraat en in Haarlem-noord met canvasbedjes, grijze dekens met rode streepjes het ruikt daar naar lysol. Moeder en ik wonen op kamers. We verhuizen veel, ik weet niet waarom. Van het centrum naar adressen in het noorden van de stad, dan weer in het centrum en vandaar naar de westkant. Moeder werkt in de avond bij cafetaria Rutecks op stationsplein. Overdag werkt ze bij welgestelde families in Heemstede als poetsvrouw. Een van die families is Joods, het zijn aardige mensen die soms iets lekkers voor mij aan haar meegeven. In de avond passen huis- en andere kamergenoten op mij. Er komen ook vreemde mensen op bezoek die van alles aan mijn moeder vragen en dan iets opschrijven. Mijn moeder heeft op een keer vriend die mij verwent met duur speelgoed, op een ochtend is het speelgoed weg en haar vriend zie ik niet meer, hij mag wegblijven! Ook komt regelmatig een vriendelijke oudere meneer met een hoed op langs, als hij weg is zegt mijn moeder tegen mij dat hij rechercheur de Jong is. Wat moet die man? We hebben het niet breed en onze inrichting is sober, 2 stoelen, een theemeubel met glazen schuifdeurtjes, een linnenkast, 1 bed en een divan met daarachter een wandkleed aan de muur. Op de kamer mag niet gekookt worden, mijn moeder kookt in de keuken van de hoofdbewoner als zij klaar zijn met koken. Het toilet moeten we met alle bewoners delen, we hebben een po onder het bed staan voor noodgevallen. Van overgebleven oud brood maakt mijn moeder met melk warme pap die ik lekker vind door de suiker en kaneel. Uitgesproken vies vind ik de fles levertraan waarvan ik elke avond verplicht een lepel van naar binnen moet werken. Regelmatig heeft ze s'avonds een lekker hapje meegenomen van het cafetaria en maakt ze me wakker, ik merk niets van armoede. Op de zondag huurt moeder soms een doortrapfietsje voor mij of we wandelen in de Haarlemmerhout. Van gespaard geld gaan we tijdens de Kerstdagen naar familie in Drenthe naar haar zus en broers. Ik vind het prachtig en leer alle plaatsen uit mijn hoofd waar de trein vanaf Zwolle stopt. Ik ben dol op oom Manus, zijn vrouw tante Trinie en hun kind die 1 jaar ouder is dan mij, een neefje die ook Koos heet. We worden schandalig verwend door mijn tante die alles goed vindt, In een onbewaakt moment plunderen we de hele kerstboom leeg van de suikerkransjes. Neefje Koos en ik zijn samen naar onze overleden grootvader Kobus vernoemd. Ze wonen in een klein huisje, aan de wieke op de Dordsedijk, in de vroegere winkel naast het grote huis van mijn grootvader waarin de oudste broer Bernard woont met tante Greet, ze zijn kinderloos. Bernard verdient zijn geld als magnetiseur. Spek en gedroogde worsten hangen aan het plafond, buiten ruikt de omgeving heerlijk naar verbrande turf. In de avond praat moeder in dialect met haar broer Manus over grootvader en ik zie haar huilen en huil dan uit compassie mee maar weet niet waarover ze verdriet heeft. Mijn neefje en ik worden naar bed gestuurd maar door de enkele houten vloer horen we nog alles, ze praten ook over erfenissen, het land, andere broers en de rol van de katholieke kerk in Klazienaveen. We snappen het niet en vallen in slaap, het is 25 december 1949.

Nu ik informatie had over de sterfdatum van Sander was het niet moeilijk een krantenpublicatie op microfilm in het archief te vinden en jawel een klein berichtje op de voorpagina van het Haarlems Dagblad vermeldde op donderdag 17 november 1949 dat Sander van D. en Jan L. op woensdag 16 november waren geëxecuteerd in Groningen.

Joke en ik hebben ons aangesloten bij de Werkgroep Herkenning waar we iets over in de krant hadden gelezen. Wij gaan naar een weekend van lotgenoten die in Driebergen wordt gehouden. We vinden het bijzonder spannend en zijn erg nerveus. Voor het eerst met lotgenoten om de tafel met hun verhaal, jouw verhaal en ons gezamenlijk verhaal. We worden ingedeeld bij twee andere echtparen. Loes onze gespreksleidster vertelt kort iets over haar eigen geschiedenis dan mogen we ons verhaal vertellen. Lastig, heel lastig. Veel verdriet komt naar boven, veel luisteren naar anderen. We komen er achter dat we onze partners tekort hebben gedaan. Ze zijn belast met onze familiegeschiedenis maar vervolgens kunnen ze er nergens mee heen. De zaterdagavond is ontspannend met een glaasje wijn maar het onderwerp kunnen we niet verlaten. Ik heb een goed gesprek met Corrie van Dijk, zij heeft haar nek uitgestoken in een praatprogramma van rondom 10 van NCRV en ze werd door een zoon van een verzetstrijder afgebrand. We sluiten vriendschap met een ander echtpaar wiens relatie onder spanning staat door het foute verleden van een overleden vader. De stichting herkenning geeft ook aan hoe de procedure is om in het dossier van je ouders te komen als die zijn overleden. Leven ze nog dan heb je de toestemming nodig van je eigen ouders. Een onmogelijke situatie! Ze zullen je nooit toestemming geven. Maar voor mij is er mogelijkheid omdat Sander overleden is. Het is een zwaar weekend en we gaan leeg en uitgeput in de namiddag van de zondag naar huis.

Ik schrijf een brief naar Den Haag om inzage te krijgen in het dossier van Sander. In één moeite vraag ik in die zelfde brief ook om inzage van het dossier van mijn opa Kobus en zijn zonen Benard en Jo die inmiddels ook zijn overleden. In de brief motiveer ik mijn verzoek dat ik op de eerste plaats op zoek ben naar mijn biologische vader. Ik krijg toestemming tot inzage en ik word uitgenodigd een afspraak te maken. Het archief van de bijzondere rechtspraak valt in die tijd nog onder het ministerie van Justitie. Joke en ik maken een afspraak en we gaan op weg naar Den Haag. Een vriendelijke ambtenaar ontvangt ons bij de deur leidt ons in, ik merk dat hij een voorinzage heeft gehad door zijn gerichte vragen. We komen vervolgens op een grote kamer waar drie ambtenaren werken en stukken doornemen. Midden op een tafel rechts liggen vier keurige stapels van verschillende dikten gekleurde dossiermappen met dichtgeknoopte lintjes, de tafel is verder leeg. We gaan zitten en krijgen koffie. Ik wil gelijk starten met de inzage in het dossier van Sander. De ambtenaren werken onderwijl stilletjes gewoon door maar ik voel me bekeken, ik denk dat zij moeten verhinderen dat je iets uit het dossier mee zal nemen. We vinden van alles, gebruikelijke stukken, getuigenverklaringen, enzovoort. Het is dramatisch wat we allemaal lezen, o.a. de over de wreedheid van Sander tijdens de verhoren die hij afnam van gevangenen in Assen. Dan vinden we wat persoonlijke stukken, namen van familieleden, adressen waar hij gewoond heeft en een ontroerende brief van Hendrik van D. uit Amsterdam de vader van Sander die aan de rechter is gericht. Hij smeekt de rechter genadig te zijn in zijn oordeel naar zijn zoon. Plaatsnamen van Amsterdam, Schalkhaar, Woudenberg, Apeldoorn en Assen komen geregeld voorbij. Zijn levensverhaal heeft hij opgeschreven in een schoolschrift. Een gratieverzoek wordt afgewezen. We lezen dat Sander in de laatste periode van zijn gevangenschap gelovig wordt en zijn God om vergiffenis vraagt. In de rechtzaal van Assen wordt hij echter door het publiek weggehoond als hij openlijk zijn spijt betuigd. Schoolrapporten van zijn ambachtschool uit Amsterdam komen voorbij, ze zijn matig. Ook de Dienstrapporten van de Koninklijke Marechaussee komen langs waar hij voor de oorlog als beroeps diende. Veel stukken zijn dunne getypte doorslagen en soms dubbel aanwezig. We vinden een Lidmaatschapkaart van de NSB en niet Ariërverklaringen. We vinden een stuk waarin blijkt dat Sander gehuwd was. Dit verrast mij volkomen ik dacht dat Sander vrijgezel was. We mogen alles opschrijven en dat doen we ook zo veel mogelijk maar dat is geen doen we moeten selecteren. Dan vinden wij plotseling in een vergeeld envelopje drie foto's van Sander, op twee foto's staat hij alleen, ik wil een achterover drukken want fotokopieën worden in die tijd nog niet toegestaan. Ik weersta de verleiding. Op een derde foto staat hij met zijn vrouw in een of ander stadspark. Joke en ik turen langdurig naar zijn gezicht, lijk ik op hem? Joke vond dat wel wat trekken heb maar een overtuigende gelijkenis is er niet. In een ander stuk lezen we dat hij een zoon heeft die in februari 1940 is geboren in Woudenberg. Margreta van R. is de naam van zijn vrouw, zij wordt beschreven als een flinke zelfstandige vrouw die haar weg zou vinden na de veroordeling van haar man. Zij werkt in een restaurant op de Arnhemse straatweg. En dat kind? Hendrik is mijn halfbroer! Vier dossiers zijn teveel om grondig door te nemen. Het dossier van Sander was de dikste, het grootste deel van de dag zijn we ermee bezig. Na de lunch kijken nog een aantal zaken in het dossier van Sander na. Het was genoeg en vermoeid zwaar, we moeten nog in de dossiers van mijn opa en twee andere ooms kijken.

Klik hier om naar Deel 4: De jaren door te gaan.

Voeg een reactie toe

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website