Bijlagen
Bijlage I, bij Inleiding
Bijlage II, bij hoofdstuk 3
Bijlage III, bij hoofdstuk 4
Bijlage IV, literatuurlijst Ego-documenten
Bijlage V, bij hoofdstuk 7, voorbeeld deel-anamnese
Bijlage I
1a. In een van de zelfhulpgroepen kende ik een vrouw, die in Vogelenzang regelmatige voor enkele weken opgenomen werd en tussendoor thuis verbleef. Zij had haar verleden bij de behandelaars ter sprake gebracht (niet bij de verpleegkundigen en medepatiënten). Zij kreeg van psychiater en psycholoog tegenstrijdige adviezen: de een raadde haar aan het verleden te laten rusten, de ander adviseerde haar contact te zoeken met de zelfhulpgroep en er dus met lotgenoten over te praten.
1b. Een andere vrouw kwam op de dagbehandeling vanwege haar angst om beslissingen te nemen en om haar huis te verlaten. Ze bracht in de groep haar verleden ter sprake, dit werd genegeerd. Later zei men haar dat haar
achtergrond niet relevant gevonden werd en dat ze maar een therapeut buiten het ziekenhuis moest zoeken die speciaal fobieën behandelde.
2. Als voorbeeld van wat een NSB-kind in en na de oorlog zoal kon meemaken geef ik hier wat feiten uit mijn eigen levensverhaal, plus een aanduiding van wat dat voor me teweeg gebracht heeft.
Vanwege de bezigheden van mijn vader zijn we de eerste paar jaar van de oorlog een paar keer verhuisd. In Arnhem zat ik de eerste 1½jaar lagere school op een Duitse school. Toen mijn vader eind 1943 in Hannover ging werken, kwam ik met twee jongere broertjes bij mijn oma in Breda terecht. Daar moest ik naar de gewone lagere school, was daar uitgestoten en erg eenzaam. Voor Dolle Dinsdag kwam mijn moeder ons ophalen, het laatste oorlogsjaar brachten wij in Hannover door, met de regelmatige bombardementen. April 1945 werd
mijn vader daar gearresteerd (pas 5 jaar later kregen we via het Rode Kruis het bericht dat hij enkele weken na zijn arrestatie aan dysenterie overleden was). Mijn moeder trok toen met enkele van de kinderen door het verwoeste Duitsland terug naar Nederland. Aan de grens werd zij gearresteerd, kwam ongeveer een jaar later weer vrij. De kinderen werden na een paar weken onzekerheid in huis genomen door een door de omstandigheden toch al overbelaste tante. Na verloop van tijd keerden een andere broer en een zusje uit Duitsland terug; mijn oudste broer was bij de Wehrmacht en is aan het Oostfront gesneuveld, wat we ruim tien jaar later via het Rode Kruis vernamen.
Na de oorlog leefden we nog lange tijd in geldgebrek en onzekerheid, in een zeer gesloten gezin, waarin het onmogelijk was over het verleden gevoelsmatig te praten.
Van de eerste tien jaar na de oorlog herinner ik me: onzekerheid, mezelf slecht voelen, verlangen naar de terugkeer van mijn vader, conflicten vermijden, ook in het gezin een teruggetrokken houding, geremdheid, altijd de aarzeling:
'kan ik laten merken wat ik voel?'Kan ik naar buiten een mening geven?’ Op de duur 'voelde’ ik weinig meer. Veel later, in de zestiger jaren, kwam mijn eigen zoeken naar wat er nu eigenlijk gebeurd was, wat voor rol mijn ouders gespeeld hadden, met alle ambivalentie t.o.v. mijn ouders en de plaatsvervangende schuldgevoelens van dien.
Langzamerhand zijn de gevolgen minder geworden.
Bijlage II, vragenlijst voor ex-patiënten
1. Herkenning heeft de gevolgen van het "kind van foute ouders zijn" onderzocht, (een aantal van de belangrijkste: eenzaamheid, loyaliteitsconflict, schuldgevoelens, sociale isolatie, wantrouwen, depressie, angsten, moeite met agressie in jezelf en/of anderen, grote inzet voor mensen die onrecht aangedaan wordt, het gevoel er niet te mogen zijn). Welke gelden voor jou? Zou je ook iets anders kunnen noemen?
1a. Welke zijn, denk je, een oorzaak geweest dat je in de psychiatrische hulpverlening terecht gekomen bent?
1b. Wat was de directe reden tot opname?
2. Wisten de behandelaars van je verleden?
Zo ja, wat heeft je ertoe gebracht erover te praten? Hoe waren de reacties? Hoe heb jij die reactie ervaren? (uitnodigend om verder te gaan, begrip, remmend, bagatelliserend, anders...)
Zo nee, waarom niet? Wel geprobeerd? Resultaat? Hoe was dat voor jou?
2a. Idem voor wat betreft de verpleging:
Wist de verpleging ervan?
Zo ja, welke benaderingswijzen waren zinvol, een hulp voor je? Wat heeft je gehinderd? Wat heb je gemist?
Zo nee, waarom niet? Heb je het geprobeerd? Waarom wel/niet? Wat was het resultaat? Hoe was dat voor jou?
Welk effect denk je dat de reacties gehad hebben op het verdere herstel?
Welke acties/ houding van verpleegkundigen hebben je gerend? geholpen?
3. Kon je in de periode rond je opname over je verleden praten met
familie?
vrienden?
medepatiënten?
Bijlage III, enquête onder verpleegkundigen
Brief
Geachte verpleegkundige,
In het kader van mijn eindscriptie voor de B-opleiding KIND VAN 'FOUTE' OUDERS (= van ouders die in de oorlog '40-'45 'fout' waren) ALS PATIËNT IN DE KLINISCHE PSYCHIATRIE, probeer ik:
1. de specifieke problematiek van deze mensen, in leeftijd variërend van ongeveer 30 - 60 jaar, overzichtelijk te beschrijven;
2. te inventariseren in hoeverre 'de verpleging' van deze problematiek op de hoogte is en hoe ze er mee omgaat;
3. tot conclusies te komen over welke elementen binnen de klinische setting positief of negatief op deze patiënten inwerken.
Ik stuur deze enquête naar de verpleegteams van vier afdelingen waarvan ik vermoed dat er wel eens patiënten met een dergelijke achtergrond opgenomen worden. Daarnaast interview ik een beperkt aantal mensen met deze achtergrond, die opgenomen zijn geweest in een psychiatrisch ziekenhuis en nu weer thuis wonen.
Ik verzoek u vriendelijk de vragen te willen beantwoorden en de enquête voor 1 febr. te retourneren via uw afdelingshoofd.
Bij voorbaat dank voor de te nemen moeite!
K. Bruggeman
Vragenlijst
1. Voelt u zich in staat om vanuit de hulpvraag van de patiënt het zelfzorgpatroon, het zelfzorgtekort en de zorgbehoefte systematisch te observeren, te analyseren en te interpreteren, in verband met deze achtergrond?
ja/ nee/ irrelevant
Zo ja, welke concrete problemen kent u die in samenhang met deze specifieke achtergrond op kunnen treden?
2. Welke specifieke maatregelen of acties zou u voorstellen voor het verpleegplan van iemand die u op de afdeling begeleidt en die 'kind van foute ouders' is,
- bij een depressieve patiënt
- bij een manische patiënt
- bij een psychotische patiënt
- bij een suïcidale patiënt
Of bent u van mening dat de achtergrond van zo'n patiënt geen rol behoort te spelen bij de vaststelling en de uitvoering van het verpleegplan? Waarom dan niet?
3. Voorziet u problemen als u voor een patiënt met de genoemde achtergrond een tolkfunctie zou moeten vervullen naar behandelaar, multidisciplinair team of familie, m.n. ouders? S.v.p. aankruisen wat u van toepassing acht:
0 Ik weet te weinig van wat de problematiek voor de betrokkene inhoudt om goed namens hem/haar te kunnen spreken.
0 Ik heb te veel weerstand tegen de familie of de ouders om onbevooroordeeld met hen te kunnen praten en overleggen.
0 Ik verwacht geen problemen hierbij, want ……………
0 Ik verwacht een ander probleem, nl. …………….
Kunt u op basis van observatie, analyse en interpretatie van de problematiek van de patiënt aangeven welk milieu het meest geschikt is voor hem/haar?
ja / nee / irrelevant
Welke elementen van het milieu ziet u als positief beïnvloedend?
Welke elementen van het milieu ziet u als negatief beïnvloedend?
Bent u zich bewust van uw eigen normen en waarden m.b.t. de oorlog en bezettingstijd 1940-'45, de collaboratie en de oorlogsmisdaden, de collaborateurs en hun kinderen?
ja / nee
Denkt u dat uw eigen normen en waarden meespelen in uw houding t.o.v. een patiënt die 'kind van foute ouders' is?
ja / nee
Zo ja, hoe?
Zo nee, hoe komt het dat dat niet zo is?
5. Voorziet u problemen binnen de patiëntengroep, wanneer daar bekend is dat een medepatiënt 'kind van foute ouders' is?
ja / nee
Zo ja, in welke sector?
Door welke factoren kunnen volgens. u problemen ontstaan?
Welke acties stelt u voor om hier in de groep mee om te gaan?
Zo nee, door welke factoren zullen volgens u geen problemen te verwachten zijn?
7. Mij zijn twee instanties bekend die werkzaam zijn t.b.v. 2e generatie-oorlogsslachtoffers, nl. de Stichting ICODO (algemeen) en de Werkgroep Herkenning (kinderen van 'foute' ouders), waarbij men informatie kan inwinnen en naar wie men personen die met deze problematiek te maken hebben, kan verwijzen.
Bent u van het bestaan en de werkwijze hiervan op de hoogte?
ja / nee
Zo nee, zou u er informatie over willen ontvangen?
ja / nee
Kent u zelf misschien nog andere instanties met dit werkterrein?
ja / nee
Zo ja, s.v.p. naam en adres van de instantie vermelden:
8. Er is de laatste jaren inde media vrij veel aandacht besteed aan diverse tot voor kort nogal onbekende problemen, bv. incest, ongewenste intimiteiten in de werksfeer en in de relatie cliënt/hulpverlener, 2e generatie oorlogsslachtoffers.
Wordt dergelijke informatie naar uw ervaring ook inderdaad gerelateerd aan patiënten met een dergelijke achtergrond op de afdeling?
ja / nee / matig
Vindt er voldoende onderlinge kennisoverdracht plaats, m.n. tussen psychiater
en verpleegkundigen?
ja/ nee / matig
Zijn 'nieuwe' problemen, die vaak min of meer in de taboesfeer liggen, openlijk bespreekbaar binnen uw verpleegteam?
ja / nee / matig
Idem binnen het multidisciplinaire team?
ja / nee / matig
Gelden uw antwoorden op de vier vragen onder punt 8 ook voor de problematiek
van de kinderen van 'foute' ouders?
ja / nee / enigszins
Als uw antwoord hierop "nee" of "enigszins" is, kunt u dan een oorzaak
voor dat verschil noemen?
Zou volgens u een collega, die persoonlijke ervaring heeft met een van die tot nu toe minder bekende problemen, binnen uw team een rol als katalysator kunnen vervullen, om de bespreekbaarheid en de informatieverschaffing te bevorderen?
ja / nee
9. Eventuele verdere opmerkingen
Bijlage IV: egodocumenten
Berserk, P.
De tweede generatie Herinneringen van een NSB-kind
Utrecht, 1985
Blaauwendraad-Doorduyn,D.
Niemandsland
Amsterdam, 1989
Van Gooi, J.
Foute boel
Haarlem, z.j.
Kooiman, D.A.
Montijn
Amsterdam, 1982
Rijke, R.
Niet de schuld, wel de straf. Herinneringen van een NSB-kind
Bussum, 1982
Rijke, R.
Op zoek naar erkenning. De strijd van een NSB-kind om een plaats in de na-oorlogse samenleving
Weesp, 1985
Spruit, I.P.
Onder de vleugels van de partij. Kind van de Fuhrer
Haarlem, 1983
Visser, H.
Het verleden voorbij
Sliedrecht, 1989
Bijlage V
Aandachtspunten voor het vaststellen van de mate van 2e generatie problematiek. Het verdient aanbeveling om bij iedere nieuwe patiënt te informeren naar het eigen oorlogsverleden en dat van de ouders. Indien hieruit een NSB-verleden naar voren kont, kunnen de volgende vragen een aanvulling zijn op de gebruikelijke anamnese- en biografie-vragen.'
Men kan vragen naar:
persoonsgegevens
- de voornaam / arisch?
- naamsverandering na de oorlog?
- geboren in interneringskamp?
- politieke stellingname
anamnese
- toetsing inzicht in invloed oorlogsgebeurtenissen in eigen problematiek
- werd in de adolescentie al hulp gezocht? Hoe stonden de ouders hier tegenover?
- moesten de problemen uit schaamte geheim gehouden worden?
familie en gezin
- naam en geboorteplaats partner
- communicatie met partner over het oorlogsverleden
- kinderen vernoemd naar?
- door wie wordt oorlogsvoorlichting gegeven?
ouders
- gezinsgeheim? loyaliteitsconflict?
- beide ouders gelijkelijk getraumatiseerd?
- vervreemding door scheiding tijdens of na de oorlog?
- bij 2e huwelijk na de oorlog: wordt 1e partner doodgezwegen?
- heerst er verbittering over de periode na de oorlog?
- contacten met NSB-ers
- oorlogsvocabulaire (liquideren, kapo etc.)
vader
- levensgeschiedenis m.b.t. oorlogsgebeurtenissen
- landwacht? NSB? SS? Oostfront?
- geïnterneerd?
- gedwongen van baan veranderd?
- veranderd van godsdienst?
moeder
- gescheiden geweest van echtgenoot?
- levensgeschiedenis m.b.t. oorlogsgebeurtenissen
- gevlucht naar Duitsland?
- gedetineerd? veranderd van godsdienst?
- relatie t.o.v. kinderen die voor of in of na de oorlog geboren zijn
grootouders
- schaamte, isolement, wrok?
pleegouders
- bijv. na de oorlog tijdens internering ouders
pleegkinderen en broers/zussen
- ouders kunnen uit schuldgevoel eigen kind in stiefkind positie plaatsen
- gezinssplitsing: voor / na de oorlog geboren
- gescheiden geweest door internering, oorlogsgebeurtenissen
- afreageren van angst op patiënt?
- ondervoed geweest, ziekten?
hobby’ s
-oorlogsliteratuur, films, tv, verzamelen oorlogsgegevens, vliegtuigmodellen etc.
-deelname aan demonstraties van neo- of antifascisten
fantasieën/angsten/dromen/levensloop
- bijv. over familiegeheim
- vernietigingsangst, angst voor oorlog etc.
- nachtmerries over oorlog, vervolgde of vervolger
- aanwijzingen voor: troostkind, vredeskind, reparatiekind?
- eetstrijd
- in kamp geweest? Duitsland gevlucht? bombardementen?
- substituut voor ouders
- onthechting of te sterke gebondenheid aan ouders in
de puberteit
- (ont)idealisering van de ouders
- gewoonten op bijv. herdenkingsdagen
- partnerkeus: (dis)loyaal aan ouders, NSB of joods.
Bij het beoordelen van de mate waarin 2e generatie problematiek een rol speelt dreigt zowel het gevaar van overschatting: "Aha, nu weet ik wat u mankeert" (men moet uiteraard altijd rekening blijven houden met de multifactoriële bepaaldheid van psychiatrische ziektebeelden) als het gevaar van onderschatting: legio zijn de verhalen van patiënten die van hun dokter te horen kregen "Ach, mevrouwtje, dat is al zo lang geleden en bovendien, u heeft toch zelf de oorlog niet eens meegemaakt."
Hierbij kan van de kant van de hulpverlener sprake zijn van onkunde, of een vlucht voor de eigen betrokkenheid. Ook patiënten kunnen zoals gezegd bijv. uit schaamte de invloed van de oorlog bagatelliseren.
(verklaring van de klachten)
Ook hier geldt dat men oog moet houden voor de mulitifactoriële geaardheid van psychiatrische ziektebeelden. Het blijft vaak zeer moeilijk uit te maken hoe zwaar een factor weegt. Het is in ieder geval van belang cm de specifieke
problematiek van NSB-kinderen te onderkennen en in een onderzoek en eventuele behandeling te erkennen.
(Uit: Beerthuis, R.J., "2e generatie problematiek bij kinderen van NSB-ers")



