Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

5 augustus 2008

1. Oorlog

Een hoofdstuk uit het boek Like

  • Like bij moe op de arm

    Like bij moe op de arm

Het was op hemelvaartsdag. De 10e mei 1940. Het was heel mooi weer. Omdat ze dan altijd vrij hadden van school, want het is dan zondag, mochten ze met Pa en Moe mee naar het bos, voor een mooie wandeling. Brood en drinken mee. Like werd wakker met een feestelijk gevoel. De zon scheen door het gordijn. En Like hoorde mensen buiten praten. En een raar bromgeluid in de lucht. Gea was niet in bed en de jongens ook niet. Like dacht dat ze zich had verslapen. Dus sprong ze uit bed, waste zich gauwgauw en trok een jurk aan. Ze liep meteen door de voordeur tegenover de trap naar buiten. Daar liepen allemaal buren. Like dacht dat het feest was, omdat het hemelvaartsdag was. Alle mensen keken naar boven. “Kijk, Vliegtuigen!” riepen ze. Een van de buurjongens liep naar haar toe. “Het is oorlog,” riep hij. Like werd door Moe naar binnen geroepen. “Wat doe jij op straat,” vroeg ze. Like vertelde wat ze had gehoord. Moe zei, dat ze het gehoord had. “Het is pas zes uur,” zei Moe. Maar ze bleef ook beneden. De anderen kwamen ook van buiten. “Moe, het is oorlog,” zeiden ze. “Maar Nederland zou toch neutraal blijven?” dacht Moe. “Gisteravond had de Minister President nog gezegd, dat Nederland rustig kon gaan slapen,” zei ze verbouwereerd. “Dat is niet zo mooi, dat weet ik nog van de vorige oorlog. Toen was België zo erg getroffen, dat er hopen vluchtelingen ons land binnen kwamen.” Van de boswandeling kwam niets terecht... De hele dag stond de radio aan. Like werd naar de voorkamer gestuurd om daar te spelen. Ze was algauw zo in een boek verdiept, dat ze alles om zich heen vergat. Aan het middageten zei Tonnie: "morgen hoeven we vast niet naar school.”
Hij kreeg gelijk. De zaterdag en de zondag waren ze nog erg opgewonden en Like hoefde zelfs niet naar de zondagschool. Die maandag stortte haar vertrouwde wereldje in elkaar. Eerst kwam er een meisje naar Like toe, of ze met haar wilde spelen. Er waren helemaal geen kinderen op straat. Ze zei toen tegen Like: "Jouw vader wordt lekker gevangen genomen, dat heeft mijn vader zelf gezegd.” Like keek haar aan. Ze kende het meisje niet. Maar wat zei ze toch? Meteen kwam er een politiewagen aan en stopte inderdaad voor hun huisdeur. Like vloog naar het gangetje en rende de achterdeur in. Maar Pa was al in de politieauto. Like zag die nog net weg rijden. “Paaah,” huilde ze. Moe ving haar op. "Niet huilen” zei ze streng, zodat Like van schrik stil werd. “Niet laten merken hoor, als je bang bent, anders lachen anderen je uit!” die woorden zou ze nog vaak te horen krijgen. “Pa komt wel weer terug,” zei Moe. Maar hoe kon Pa nou gevangen genomen worden, hij was toch geen dief? En geen moordenaar. Die kwamen toch alleen maar in de gevangenis? Like wist zeker dat Pa niets had gedaan. Zei Moe daarom, dat Pa weer terug kwam? Moe zei, dat alle ooms waren opgepakt, behalve de man van tante Lidia. Vijf bange dagen gingen voorbij. De scholen waren dicht. Totdat Like op een nacht wakker werd van een zware bromstem in de gang. Like dacht dat de politie hen nu allemaal op kwam halen en begon van schrik te gillen. Moe kwam naar boven gerend: "Stil maar, niet huilen, Pa is weer terug gekomen, kijk maar.” Like was echter zo van streek, dat ze helemaal niet hoorde wat Moe zei. Toen Pa zich over haar heen boog, gilde ze: " Nee, nee.” Pa ging van schrik maar weg. Gea kwam Like een kroes water brengen en praatte met haar tot ze weer tot bedaren kwam. De anderen gingen heel laat naar bed. Ze hoorden wat er allemaal met Pa was gebeurd. Hij had op het politiebureau in een cel gezeten. Hij was daar verhoord. Hij moest bekennen dat hij lid was van de NSB., een politieke partij, die tegen de oorlog met Duitsland was. Like sliep nog niet, toen de anderen naar boven toekwamen. Ze hoorde Pa in de gang nog brommen: “Het is allemaal de schuld van de joden!” “Dat mag je niet zeggen,” hoorde ze Moe nog zeggen: "de joden zijn het uitverkoren volk van God!" Oei-oei-oei.” bibberde Like, is Pa nu toch slecht? Ze kroop diep onder de dekens. "Hou mij maar vast," zei Gea “als je bang bent”. Like greep haar hand. Ze lag helemaal tegen Gea aan. Dat was niet zo’n succes voor Gea, want die nacht had Like een ongelukje in haar bed. En dat gebeurde daarna nog heel vaak. Het was op school niet leuk meer. De juffrouw was helemaal niet aardig voor haar, maar gaf haar geen strafwerk meer. Ze moest achter in de klas zittenen op haar rapporten stonden alleen nog maar vijf en zessen. Eigenlijk zou ze moeten blijven zitten. Maar juf wilde dat NSB-kind niet langer in haar klas hebben, dus ging ze voorwaardelijk over naar de vierde klas. Daar was een aardige meester. En hij kon zo goed vertellen. Niet alleen Bijbelverhalen, maar ook over de vaderlandse geschiedenis. Van de tachtigjarige oorlog en van Hugo de Groot, die in een boekenkist ontsnapte, toen hij in een kasteel gevangen werd gehouden. En ze kregen tekenles. Ze mochten van voorbeelden natekenen en meester lijstte ze in. Eerst hingen ze in de klas tegen de lange muur “Zo is het een tentoonstelling,” zei hij. De sommen waren erg moeilijk, vond Like. Allemaal breuken! En aardrijkskunde was echt niet leuk. Allemaal plaatsnamen leren, die langs de spoorlijnen lagen. En voor vaderlandse geschiedenis moesten ze jaartallen leren.
Like werd in de herfstvakantie weer met een groep kinderen van winterhulp naar Duitsland gestuurd, daar kwamen ze in een boerendorp, waar ze goed te eten kregen en tot rust konden komen van de spanningen van de oorlog. Er waren geen bergen, Ochsenbach heette het plaatsje. Wel was de omgeving heuvelachtig. Like kwam op een boerderij te logeren. Toen ze daar aankwam, moest ze alleen aan een tafel eten. Meelnoedels met appelmoes. De noedels waren grote meelballen, die in water gekookt waren. Met moeite at Like een meelbal, maar ze mocht net zoveel appelmoes eten als ze zelf wilde. Ze kon de dochter, die voor de huishouding zorgde niet verstaan. Maar alle kinderen, die bij mensen ondergebracht waren, wel een stuk of twintig, moesten op een morgen naar een school, waar ze Duitse woordjes moesten leren en ‘ s middags deden ze spelletjes. Net als toen Like voor het eerst in Oostenrijk was en toen herinnerde ze zich weer enkele woorden. Ze leerden er ook leuke dingen maken van papier. Met lege luciferdoosjes maakten ze een hele speeltuin met elkaar. Ze deden daar ook kringspelletjes en volksdansjes. Ze gingen twee keer in de week naar school, en leerde zo spelenderwijs de Duitse taal goed verstaan. Dichtbij Like in dezelfde straat, was een meisje ondergebracht, ook op een boerderij, ze kwam uit Haarlem en heette Corrie van Dalen. Met haar speelde Like het meest. De dochter van de boer en boerin, waar Like woonde, had ook nog een getrouwde zuster die had een dochtertje van vijf jaar. Een leuk parmantig ding, vond Like, die nog altijd gek op kleine kinderen was, en veel liedjes van haar leerde. Zoals:

‘Kindlein mein,
Schlaff nur ein,
weil die Sternlein kommen,
und der Mond,
kommt auch schon wieder angeschwommen,
Eija Kindlein, Kindlein mein,
schlaff nur Prinslein,
schlaf nur ein’.

En ook:

"Schneeflockje, Weissrockje,
who kommst du von her,
du kommst von der Himmel,
ich liebe dich sehr.’

Like vond Gertrudl een schattig meisje en haar moeder had al gauw door dat Like goed met kinderen op kon schieten en liet haar dochtertje dan ook menigmaal achterbij Like, als ze zelf even ergens heen moest. Tenslotte was haar zuster er ook nog, die een oogje in het zeil hield. Het was herfst en al erg koud en Like wilde ook wel eens mee naar de akker. De suikerbieten moesten uit de grond gehaald worden. Een machine haalde die naar boven en die moesten opgeraapt worden en in een vrachtwagenbak gegooid worden. Het viel Like erg tegen, de grond was modderig en de bieten erg vies. Ze kreeg er koude handen van. Ze was dan ook niet zo’n erge goede hulp. Maar op een mooie dag gingen ze achter in de vrachtwagen de heuvels in. Like vond dat het bergen waren. Daar stonden tot Like’s verrassing allemaal op een rij. Dat waren wijnbergen. Ze mocht meehelpen met plukken en er ook net zoveel van eten als ze op kon. De grote trossen moesten in rieten manden gedaan worden, die de grote mensen op hun rug naar een hele grote kuipwagen droegen, die zou naar een fabriek gebracht worden, waar er wijn van gemaakt werd. Dat vond Like jammer van die lekkere druiven. Waarom werden die niet gewoon opgegeten? Ze vond het wel een leuk werkje, niet dat ze er nou een hele mand vol mee kreeg, zoals de anderen. Maar ‘s avonds had ze wel buikpijn. Aan tafel werd er voor én na het eten staande achter een stoel gebeden. Like mocht dan wel blijven zitten, maar ze wilde net als de anderen staan en bad dan in het Nederlandse mee: "Here, zegen deze spijze, Amen.
Er hing aan de muur ook een dagkalender, net als thuis, maar dat kon Like niet lezen. Er stond een plaat op, van de Goede Herder. Dat verhaal ken ik ook, zei ze, De zes weken vlogen om. Like en Corrie vonden het jammer, dat ze straks biet maar met elkaar konden spelen, omdat ze niet bij elkaar in dezelfde stad woonden. De dag van vertrek kwam steeds dichterbij. Er werd een varken geslacht. Maria, de dochter" vond het gillen van het varken altijd zo erg, zei ze. De volgende dag kwam Gertrude met haar handjes op haar rug, de kamer binnen. Like zag, toen Gertrude zich omdraaide om de deur dicht te doen, met een handje, dat ze een snoer grote kralen in haar handje had. Maria knipoogde naar Like. Gertrude zei, dat ze moest raden, wat ze op haar rug verstopt had. Een ketting, raadde Like. Triomfantelijk liet Gertrude een lange ketting kleine worstjes zien. Dat is van het varken dat geslacht is, gemalen vlees in een darm. Like griezelde: ze had nog nooit die worstjes gezien. “Dat is voor jou!” zei Gertrude. Like wilde het niet aannemen, wat moest zij met die enge dingen doen, maar Maria zei, dat ze die in de koffer mee moest nemen voor haar moeder, die zou er erg blij mee zijn. Like betwijfelde dat. In haar koffer? Maar dan werd alles toch vies? Maria schudde haar hoofd over zoveel onverstand, maar Like zei, dat ze ook nog nooit op een boerderij geweest was.
Maria deed ondertussen de worstjes in een stevige zak in haar koffer. Het was een afscheidscadeautje, omdat ze weer terug ging naar Holland. De treinreis naar huis was nogal lawaaiig. Maar Corrie en Like huilden, omdat ze elkaar niet meer zouden zien. Toen Like thuis aankwam, waren alleen Pa en Moe bij het station. Moe had een nieuw vest aan, die ze trots aan Like liet zien. Like gaf de worstjes aan moe. “Dat is lekker,” zei Moe, "dat zijn saucijsjes .” “Nee,” zei Like, “geen sijsjes, maar van het varken.” Ze dacht dat Moe vogeltjes bedoelde.