5 augustus 2008
4. Weer in Holland
Een hoofdstuk uit het boek Like
Dus de dag was aangebroken, dat Moe de koffertjes weer in ging pakken, en dat ze afscheid van de mensen namen, die nog op bericht wachten, dat zij ook terug konden gaan. Het grote gezin van de andere zaal met moeder in het laatst van haar verwachting, ging ook terug.
Ze werden naar Lüneburg gebracht, waar ze in een grote zaal van een gymnastiekgebouw werden opgevangen voor een nacht en waar groepen uit de omgeving vandaan kwamen Ze moesten zolang slapen op de grond op grond, onder een molton deken. Hun kleren konden ze niet uittrekken. Ze kregen een paar plakken Duitse kuch met käse ertussen. Like gaf de helft aan Moe, ze kon het niet naar binnen krijgen. Om 5uur in de vroege morgen werden ze gewekt. Om 6 uur zou de trein vertrekken. Het gebouw lag tegenover het station, dus konden ze zelf naar het station lopen. Moe had een kaartje gekregen naar Groningen. Het werd een lange saaie reis en voordat ze bij de grens waren, werd het al licht. Like was er blij om, zo kon ze in de lucht zien of er geen vliegtuigen in de lucht waren. Ze was de beschieting op de heerreis nog niet vergeten. Ze moesten overstappen bij de grens in grote loodstreinstellen, waar alweer stro op de grond lag, waarop ze konden zitten. Vroeger werden die loodsen voor vrachtvervoer gebruikt. Maar toen wisten deze mensen nog niet, dat het dezelfde wagens waren, waarin zoveel joodse gevangenen werden vervoerd naar de vernietigingskampen. Toen ze aan het eind van de middag aankwamen in Groningen, werden ze eerst naar een Rode Kruis gebouw gebracht. In kleedhokjes moesten ze zich bij andere mensen gelijk uitkleden. Like durfde haast niet naar Moe te kijken, die had ze nog nooit zonder kleren gezien. Maar wel probeerde ze stiekem een glimp op te vangen, van de dikke buik van de zwangere vrouw. Maar Moe trok haar terug. “Niet kijken,” zei ze, “dat is niet netjes.” Hun kleding werd ontsmet en zij werden door hete dampen gereinigd. Ze werden er klam van. Tot Moe haar ontsteltenis werd er niet alleen bij Like hoofdluis ontdekt, maar ook bij haar. Na een tijd kreeg ieder zijn kleren terug en mochten ze zich aankleden. Moe kreeg te horen, dat zij beiden hun haar eraf moesten laten halen. Like was er blij om, maar toen ze hoorde, dat ook Moe het haar moest verliezen, begon ze bijna te huilen. Toen een verpleegster Like wilde troosten en zei, dat ze niet hoefde te huilen, omdat het haar er vanzelf weer aangroeide, verklaarde Moe, dat Like het zelf wel graag wilde, maar omdat ze huilde dat Moe kaal moest. De volgende morgen moesten ze terug komen. Maar die avond kregen ze aan gezellige tafeltjes met vier stoelen eromheen, een heerlijke boerenkoolstamppot met schijfjes worst en een appel toe. Tot verbazing van Moe at Like haar hele bord leeg. Moe zei: “Je had zeker heimwee naar Holland, dat je nu wel eet.” Maar Like vond het alleen maar lekker. Like vroeg of ze nu weer in hun dorp gingen wonen. Ze verlangde naar huis. Maar Moe vond het veiliger om zo ver mogelijke van huis weg te blijven, de dreiging van' bijltjesdag en de haat in hun dorp was ze nog niet vergeten. Maar hoe moest Pa hun dan vin den? En Job was toch bij Oma, konden ze daar niet heen? En waar waren Gea en Ton, en Klaas dan? “Niet zoveel zeuren,” zei Moe. Ze moesten eerst maar zien, dat ze ergens onderdak kwamen. Maar eerst moesten ze naar het Rode Kruis gebouw, de volgende dag, om kaal geschoren te worden. Gelijk daarna ging Moe naar een kapperswinkel, om een pruik voor haar te kopen. Like mocht een leuk hoofddoekje uitzoeken, dat zat lekker warm op haar hoofd, vond ze. En lekker geen jeuk meer. Om de terugkomst in Holland te vieren, trakteerde Moe op een likeurtje, zelfs Like mocht er een proeven. “Daar wordt je lekker warm van,” vond Moe. Like nipte voorzichtig aan het likeurtje, ze wist helemaal niet, wat dat voor een drankje was. Like dacht, dat ze in een koffiehuis waren, maar Moe noemde het een bruin café. De likeur smaakte wel lekker zoet, maar brandde achter in je keel, vond Like. En was het niet slecht, om in een café te zitten? Maar dat durfde ze Moe niet te zeggen. Ze lustte best nog wel een likeurtje, het was immers zo’n klein glaasje. Moe lachte erom, dat is, omdat het zo sterk is, zei ze. Maar ze kreeg er niet nog een, want dat was te sterk. Weer terug bij het opvanglokaal waar ze die nacht ook hadden geslapen, maar dan in bedden met echte dekens, kreeg Moe een adres op in Meppel. Moe ging er met een trekschuit heen met Like. Dat vond Like vreemd. Een man trok met een paard langs de kant de schuit over het water. Moe vertelde haar, dat de mensen vroeger altijd zo reisden, omdat er nog geen treinen en bussen bestonden en dat zij vroeger ook zo gereisd had naar Pa toe, want Moe had in Drenthe gewoond en Pa in het huis, waar Like geboren was. Pa was toen in het leger vlakbij hun stadje, en zo hadden ze elkaar leren kennen. Like vond het heel fijn, dat Moe zo met haar praatte. En Moe werkte in de winkel bij haar vader, een kruidenierswinkel. Toen Pa op een zondag na kerktijd bij hen kwam koffiedrinken, want dat was aan de gemeenteleden gevraagd om de soldaten, die bij hen kerkten, uit te nodigen, kwam hij wel eens een kwatta reep bij haar in de winkel kopen. Zo maakten ze kennis aan elkaar. Like had nooit geweten, dat Moe in Drenthe gewoond had. Er woonden zelfs nog twee ooms, broers van Moe, die getrouwd waren. “Waarom gaan we dan niet naar hen toe?” vroeg Like. Moe vertelde, dat de familie niets met hen te maken wilden hebben, omdat ze lid waren van de NSB. “Maar toen Pa geen winkel en geen werk had en het armoede was bij ons, staken ze ook geen hand uit om ons te helpen,” zei Moe bitter, “dus wat hadden we dan moeten doen. Nu heeft Pa tenminste werk.” Maar hoe het nu verder moest gaan, wist Moe ook niet. Waar zouden ze moeten wonen, om veilig te zijn? Niemand in hun dorp zou iets met hen te maken willen hebben, anders was Moe heus niet weg gegaan. Moe keek weer net zo verdrietig, als ze in Duitsland had gedaan. Ze had nog nooit zoveel gesproken tegen Like, als ze nu deed.
In Meppel aangekomen, bleek het adres een boerderij te zijn, waar Moe dienstbode moest worden en Like een afwashulpje. Moe bleef daar niet lang. Daar bedankte ze hartelijk voor. Ze wilde proberen, of ze haar gezin weer bij elkaar kon krijgen en dat mocht niet van de boer. Ze gingen nu terug met een bus, omdat het met de trekschuit te lang zou duren. Een paar dagen daarna kregen ze een adres in het uiterste Noorden van Groningen. Een plaats die Like nooit met aardrijkskunde had geleerd. Des te beter, dacht Moe, dan zouden ze hen niet zo gauw vinden. Er gingen zelfs nog enkele moeders met kinderen mee. Ook een jongen van Like haar leeftijd. Ze werden zolang ondergebracht bij boerderijen, tot dat ze zelf een plekje gevonden hadden om te kunnen wonen. Moe en Like moesten samen in een bedstee in het opkamertje slapen. Die werd alleen maar gebruikt om logees te herbergen. Er stond een bureautje in, twee rieten matten lagen op de vloer, twee stoelen met rieten zittingen en een tafel op hoge poten. Wassen konden ze zich bij de pomp buiten, of met een emmer pompwater in het kamertje. De mooie kamer werd alleen gebruikt als er bezoekers kwamen. Maar Moe vond het gezelliger om in de woonkeuken te zijn. Like leerde het verschil tussen pompwater en regenwater. Regenwater kwam via de dakgoot in een regenton. Dat moest je er met een soort grote soeplepel uitscheppen, om in een emmer te doen. Daar mocht je niet van drinken, dat was voor de planten en bloemen binnen, of voor de tuin. De ramen werden ermee gewassen en de vloeren geschrobd en het straatje om het huis. Het pompwater werd gebruikt voor het eten, nadat het eerst werd gekookt. Tanden poetsen mocht je en jezelf ermee wassen kon ook. De boer en boerin waren wel vriendelijk. Ze vonden dat Moe eerst maar wat moest aansterken voordat ze met helpen begon. En dat kind, Like moest maar naar school. Like keek bedenkelijk. Is hier dan een huishoudschool? En als ze hier dan ook weer zo pesten? Op een dag kwam ze die jongen ook weer tegen. Hij vroeg haar of ze ook op school kwam. “Nee, hoor,” knikte Like, er is hier niet eens een huishoudschool. Ze had helemaal geen zin in leren. Maar de jongen zei, dat je verplicht naar school moest. Hij ging later naar de Mulo, maar hier in het dorp, was dat de zevende klas. “Word je hier dan niet gepest” vroeg Like. De jongen haalde zijn schouders op. Daarvoor was hij hier nog te kort.
De boerin stuurde Like in de vrieskou naar buiten. `Jij gaat maar een lange wandeling maken,” vond ze. Ze vond Like veel te pips om aldoor maar binnen te zitten. Moe wilde binnen blij ven. Ze hielp de boerin met stoffen en vegen. Dat vond de boerin aardig van Moe en ze gaf haar een bak met aardappelen om te schillen voor het eten. Like liep een lange rechte weg. De wind blies en suisde door de lange telefoonpalen. De weg was kaal met alleen een lange rij bomen langs de weg. Er waren geen stoepen, dus liep Like maar langs de kant van de weg. Like kon precies in een groot vierkant lopen en ze kon overal de boerderij in de verte zien liggen. Like dacht aan haar tocht in Duitsland van het station Dahlenburg. Like rilde ervan, ze speurde de lucht af op mogelijke bommenwerpers. Ze had toen eerst toch ook zo genoten van die wandeling door de velden tot dat vliegtuig over haar heen scheerde. “Ik ga later nooit in een vliegtuig reizen,” dacht ze. “Hier komen geen vliegtuigen overvliegen,” zei de boerin, toen ze er eens naar vroeg, “maar wist Like wel, dat ze hier vlakbij de Waddenzee woonden?”Like had nog nooit de zee gezien. De boerin wees haar de volgende dag, hoe ze lopen moest: “Met de zon in je rug rechtdoor tot je bij de dijk komt. Bovenop de dijk kun je de zee zien.” Dus ging Like weer op pad. Ze vond het wel een avontuur, er zo alleen op uit. Ze was erg benieuwd naar de Waddenzee. Toen ze na goed een uur lopen op de dijk stond, viel het haar erg tegen. Achter de dijk waren weilanden met palen en prikkeldraad, net zoals buiten het dorp. En er stonden schapen te grazen zelfs in de winter. Verder zag ze hier en daar wat modderplekken met water er door glinsteren. Was dat nou alles? Teleurgesteld ging ze weer terug. Ze kwam langs een boerderij, waar een koe stond, die gedekt moest worden door een stier. Boeren hielden beide beesten aan touwen vast. Like haar mond ging open van verbazing. Wat deed die koe raar! Een van de boeren riep, “mag jij daar wel naar kijken?” Like liep vlug door. Terug op de boerderij, vertelde ze
dat de zee haar erg was tegengevallen. Ja, dan was het net eb, je moet er ook met vloed zijn, was het antwoord. Weer wat nieuws: ebwas laag water en vloed was hoog water, dan liepen de kwelders weer onder water. Dat duurde zes uur en dat heette tij. Like vond dat ze hier meer leerde dan op school, dat was haar op school met aardrijkskunde nooit verteld. Ze vond het boerenleven wel interessant, leuker dan sommen maken. Op een morgen vertelde de boer, dat er een koe moest kalven, en dat Like wel mocht komen kijken. Maar daar stak Moe een stokje voor. Ze vond Like nog veel te kinderlijk voor zulke dingen. De boerin vond juist, dat Like het nu op een natuurlijke manier kon leren, ze was toch al 13 jaar. Like begreep maar niet, dat Moe haar nog altijd te jong vond. Waarom mocht ze een kalfje niet geboren zien worden? Ze was al bij de biggetjes wezen kijken, zulke schattige kleintjes, die bij het varken gulzig lagen te drinken. En al was het pas februari, toch waren er ook al lammetjes in de wei. De poes had jonkies gekregen. Like had het druk, om het boerenleven in zich op te nemen. Ze droomde op een nacht, dat Pa op een fiets hen zou komen halen. Misschien had ze Moe er in haar slaap over horen praten met de boerin, maar het leek zo echt. Moe had achter het adres van Pa kunnen komen en hem geschreven, waar ze met Like nu in Nederland verbleef en dat ze maar hoopte, dat Duitsland niet zou verliezen, om dat het er anders voor hen niet mooi uitzag. Daarom was ze zo ver naar het Noorden vertrokken. Diezelfde morgen bleef Like maar voor het hek hangen. Moe vroeg, of ze niet ging wandelen, en waarom ze de weg maar af bleef turen. Opeens begon Like te lachen en te zwaaien naar een fietser in de verte. Ze riep aldoor dat ze het echt gedroomd had en dat pa er aankwam. “Pa, Pa” riep ze blij. Moe kwam met een huiselijk schort over haar jurk naar buiten lopen. Pa stapte van zijn fiets met houten banden en een stapel boeken achter zijn rug op de bagagedrager. Moe loodste hem gauw mee naar binnen. Daar vertelde Pa aan de verbijsterde boerin, dat hij uit Arnhem was komen fietsen. Onder weg had hik in hooibergen mogen slapen. Arnhem was helemaal plat gebombardeerd .Hij had meegeholpen de mensen in veiligheid te brengen. Hele winkelstraten waren weggeslagen. Hij had onder het puin vandaan een hele stapel boeken vandaan getrokken. Hier en daar had hij wat boeken kunnen verkopen. Voor Like had hij wat kinderboeken meegenomen. Pa keek eens goed naar Like. Wat was dat kind lang en spichtig geworden. Hij herkende in haar niet meer zijn jongste. Maar Like glom. Pa was weer terug. Dat was er alvast een van hun gezin. En samen zaten ze dagen daarna aan de wegkant te tekenen. En al moest Pa daar ook in de hooiberg slapen, want de boerin had geen bedstee meer. Pa vond dat niet erg. De andere dagen was hij druk in de weer om alle instanties af te lopen voor vervoer naar Drenthe.
Pa vond dat de broers van Moe hen best konden helpen aan een plekje om te wonen, desnoods bij hen in hun dorp. Maar Moe maakte bezwaren, Pa had eens zo’n ruzie met haar familie gemaakt, ze konden nu niet met hangende pootjes aan komen. Maar Pa was stom verbaasd, je wilt je familie toch zeker wel eens weer zien? Nou dan, ze zouden hen heus niet weg sturen, het was toch hun eigen zuster? Een oude diligence met twee paarden ervoor, bracht hen van de wadden naar de stad Groningen. Er zaten nog andere passagiers in de diligence, vrouwen en kinderen. De vrouwen vroegen zich dreigend af, hoe daar zomaar een man in deze tijd vrij kon reizen, terwijl alle mannen toch gemonsterd werden om in Duitsland te werken. Moe stootte Like aan, dat ze rustig moest blijven, maar Like begon alweer te bibberen. Pa en Moe gaven geen antwoord en Like was blij, toen ze in Groningen uit konden stappen. Een militaire jeep bracht hen naar het dorpje, waar Moe gewoond had. Toen ze eruit stapten, waren ze vlak bij de woningen van de broers van Moe. Opeens vloog er een vliegtuig laag over der straat, als uit het niets opgedoken, die begon naar de jeep te schieten, die er in razende vaart vandoor ging. Moe ging tegen de huizen staan, Pa vloog naar de overkant en Like stond stijf van schrik midden op straat. Ze gilde het uit. “Pa, Moe!" Pa krabbelde overeind, hij had zich plat op de grond laten vallen. Nog nooit had Like zich zo in de steek gelaten gevoeld, als op dat moment! Vooral omdat Moe er al die tijd in Duitsland voor haar aanwezig was geweest. Even kwam in een flits het weiland van Dahlenburg voor haar oog. Toen was ze ook zo zonder bescherming geweest. Maar nu waren Pa en Moe er allebei en ze hadden haar los gelaten en elk een andere kant opgegaan. Ze waren er toch om haar te beschermen? Tenminste, daarom was ze zo blij geweest, dat Pa en Moe er allebei waren. Alles zou uiteindelijk toch weer goed komen? Like was zich deze gedachten niet zo bewust, het was meer het gevoel van veiligheid, wat ze zocht. Er was verder ook geen tijd voor, Pa sloeg zich het stof van zijn broek en Moe1iep snel de straat over in de richting van een van de huizen van haar broers. Met pa en Like achter zich aan, liep Moe achterom naar binnen, zoals daar altijd de gewoonte was. Ze liep de bijkeuken in, de deur stond als gewoonlijk open. Tante Guurtje sloeg van verbazing de handen in elkaar. “Waar komen jullie ineens vandaan?” zei ze beduusd, “Peer, kom eens gauw kijken, wie hier zijn!” “En wie mag dat dan wel wezen?” vroeg ze wijzend op Like. “Dat is onze jongste, Like,” zei Moe. Oom Peer kwam in de keuken, waar ze inmiddels stonden en als vanzelf ging tante Guurtje water scheppen in de ketel om koffie te zetten. Oom Peer begroette hen wel afgemeten. “Ik zal Lammert en Gaaike even waarschuwen” zei hij, terwijl hij naar het buurhuis liep. De achterdeuren stonden tegenover elkaar. Links van oom Peer en rechts van oom Lammert. Oom Lammert begroette zijn zuster heel wat hartelijker. Tante Gaaike zei meteen: “kwamen jullie uit die Duitse Jeep? Waar werd dan op geschoten? Wat gevaarlijk, om zo dicht bij huizen uit te stappen, ze hadden onze ramen wel kunnen raken.” Het klonk snibbig: “Komen jullie straks bij ons ook nog maar even aanlopen?” zei ze iets milder. Tante Guurtje vroeg, of ze ook een kopje surrogaat koffie wilden, maar dat wees tante Gaaike af. Ze hadden al koffie gedronken. Moe en pa vertelden, dat ze op zoek naar onderdak waren. Oom Peer keek zeer afwijzend. “Dat wil Peer niet;” zei tante Guurtje gauw. “Misschien kunnen jullie bij Gaaike en Lammert.” “Maar die hebben nog zoveel kinderen thuis," zei Moe. "O, je bent goed op de hoogte, hoor ik!” "We hebben al tijd nog wel belangstelling gehad voor onze familie” snibde Moe, “dat kunnen we van jullie helaas niet zeggen.” “Dat wichie mag bij ons wel blijven” zei tante Guurtje er maar gauw overheen. Intussen schonk ze water op de koffie die tijd moest hebben om door te lopen. Voor Like maakte ze een beker melk aan de kook. Like durfde niet te zeggen, dat ze dat niet lustte. Even later probeerde ze het vel eraf te halen. “Dat moet je ook opdrinken” zei tante Guurtje, “dat is het beste van de melk.” Oom Peer vroeg naar de belevenissen van Pa, die vertelde van het bombardement van Arnhem, waar hij was wezen helpen met de mensen in veiligheid te brengen, en later met het puin ruimen. Hij moest onderzoeken of er nog hele waterleidingen en gasleidingen waren onder de straten en het puin. En dat hij bericht had ontvangen, dat Moe in het noorden van het land bij gastvrije boeren logeerde. Hij was op een fiets met houten banden naar Moe gefietst. “Hoe ben je dan in het noorden van het land terecht gekomen?” vroeg Tante Guurtje nieuwsgierig.
“We zoeken hier naar eten, en onderdak en werk,” zei Moe ontwijkend. Moe vroeg op haar beurt, hoe het met hen ging, zonder wasserij en zonaast elkaar wonen. Guurtje vertelde, dat Lammert er zijn automobielbedrijf eraan had gegeven en dat ze er kwamen wonen toen dit huis naast Gaaike en Lammert vrij kwam, dan kon je elkaar nog eens helpen in moeilijke tijden. “Ja-Ja”,” knikte Moe, maar ze zei maar niets meer. Ze wilde haar familie niet op de nek zitten. Ze spraken nog over Goof en Stientje, die woonden nog bij Rotterdam. Dat was immers ook zo gebombardeerd. De beide meisjes waren vorig jaar in het huis van de zusters van Stien gekomen, omdat er hongersnood was in hun dorp. Hier hadden ze niet zo’n last van schaarste, omdat de meesten in hun grote achtertuin groenten en aardappels verbouwden.
Na de koffie gedronken te hebben, en verder toch nog gezellig gepraat te hebben over de families, gingen ze naar oom Lammert en tante Gaaike. Tante Guurtje vroeg nog aan Like of die niet bij hen wilde wonen tot Pa en Moe onderdak hadden gevonden na de oorlog. Maar Like schudde van nee, ze wilde bij Pa en Moe blijven. Ook in het buurhuis werden eerst alle familienieuwtjes uitgewisseld, waar Like niemand van kende. Ze had eigenlijk nooit geweten, dat ze nog familie van Moe hier hadden wonen. Moe had het nooit over hen gehad, dacht ze. Dat ze er door Moe vroeger altijd expres buiten was gehouden, dat wist Like niet. Oom Lammert zei tegen Moe, dat hij hen nog zo gewaarschuwd had, maar dat ze niet hadden willen luisteren, maar Moe antwoordde, dat de hele familie Flinter bij de NSB. was gegaan, dus dat zij niet had gedacht, dat het kwaad kon. En bovendien had Ton daardoor werk gekregen, zoals laatst met die gas en waterleidingen repareren in Arnhem, wie had dat anders moeten doen?Ton was niet te lui, om te werken, maar doordat de crisistijd aan kwam en Ton geen leningen mocht nemen van zijn vader, moest de zaak failliet verklaard worden. Ton was voorbestemd om samen met zijn broer de zaak te runnen en dat ging prima, maar door de malaise was alles fout gegaan, niet omdat hij geen zakelijk inzicht had en daardoor de zaak verspeeld had. Sociale bewogenheid had ze in hun kerkgemeenschap ook niet ondervonden. Toen ze voorzichtig een beroep op de diaconie had willen doen, hadden ze te horen gekregen, dat er heus nog wel geld achter de hand was, het was altijd een goed bekend staande zaak geweest, dus moest ze zich maar behelpen. De diaconie had natuurlijk hun vaste noodlijdende gezinnen, waar ze jaarlijks de begroting op af stemden, maar het had haar toch pijn gedaan, dat er gesuggereerd was, dat ze best nog wat achter de hand zouden hebben. Ze zaten zo aan de grond, dat ze de kinderen voor een warme maaltijd moest uitbesteden, aan verre familieleden, zoals neven of nichten van oma, Flinter’s kant. O, ja, de kinderen mochten komen, Job en Tonnie bij een gezin en Like bij een ander gezin, en weet je wat ze kregen? Brood! Nou, dat had ze zelf nog wel voor hen. Zo werden ze toch naar de socialistische partij gedreven. Dat de oorlog er ook nog bij kwam en dat hen landverraad werd verweten, iedereen dacht toch dat Nederland neutraal zou blijven? En wat wisten zij van politiek, dat was iets voor Academici. Zo sprak Moe zich voor het eerst uit, tegenover haar broer, die haar altijd het meest nabij had gestaan, maar haar trouw aan Ton verbood haar hem te vertellen over alle frustraties die ze in haar huwelijk had ondervonden. Dat was het risico van een huwelijk nu eenmaal met zich mee en Ton was nooit verkeerd gegaan, niet met drank en niet met ontrouw. Ze waren altijd zeker van elkaar geweest, zo waren ze zelf opgevoed, wat God had saam gevoegd, scheidde de mens niet.
Ze wisten amper van het bestaan van alle misère, die in slechte huwelijken voorkwamen, behalve armoede. En slechte vrouwen, maar trouwden die dan ook? Daar had ze zich nooit in verdiept. Tijdens dat gesprek had Like een boek te lezen gekregen van tante Gaaike en ze was er zo in verdiept geweest, dat ze amper hoorde, wat Moe en Pa bespraken met oom Lammert. Ze was naast de kachel gaan zitten en werd lekker warm. Ze mochten blijven eten, wel een broodmaaltijd, de kinderen bleven over op hun school. Hun dochter was lerares: Hun zoon werkte bij de gemeente. De andere zoons waren getrouwd. Tante Gaaike had eigen gemaakte jam van de bessen uit de tuin. Like smulde ervan, maar moest zich alweer door een beker gekookte melk met vel heen worstelen: “Wat is dat deerntje toch mager” schudde tante Gaaike haar hoofd, “Laat haar toch hier! Dan kan ze goed te eten krijgen.”
Maar Moe begreep wel, dat ze zonder Pa en Moe niet achter wilde blijven. Een van haar vijf kinderen wilde ze toch wel graag bij zich houden. Dat de anderen op de duur het nest uitvlogen, die hadden er de leeftijd voor, behalve Tonnie, die ze toch zo gauw mogelijk weer terug moest zien te krijgen uit dat oorlogsgebied, daar was hij nog veel te jong voor. Maar als ze aan Ans dacht die zoveel moeite moest doen om haar nog jongere zoon mee naar Holland te krijgen, dan vreesde ze voor Tonnie. Ze zuchtte eens, kom, ze was nu bij haar familie, die ze al zo lang had moeten missen, en die ze straks weer moest verlaten, ze moest nu niet gaan zitten tobben. Met het lezen in de Bijbel, en het danken voor de maaltijd, namen ze afscheid. Nog even liep Moe bij Peer binnen Like en Pa stonden al op de stoep te wachten, Steeds liep Moe weer terug, als haar weer iets te binnen schoot, wat ze nodig nog moest zeggen, Like kreeg er de slappe lach van. Eindelijk liepen ze met hun drieën naar het Centrum.
Ze moesten zich melden bij verschillende instanties en liepen van het ene kantoor naar het andere .Ook al waren de afstanden niet groot, Moe werd behoorlijk angstig, dat ze voor de nacht nog niet onderdak zouden komen. Pa prees Like, dat ze geen kik gaf bij al dat gesjouw, door het stadje. Like was alleen maar blij, dat ze met Pa en Moe hier liep, ze moest er niet aandenken, dat ze bij die vreemde familie moest blijven. Nog voor de: avond kregen ze een transport met een hele groep mensen naar een dorpje op de Friese en Drentse grens. Ze werden ondergebracht bij een boerenfamilie . Daar woonden een boer en boerin, een getrouwde zoon met zijn vrouwen een kleinzoon van 7 jaar. Ze kregen een bord karnemelkse pap met stroop te eten omdat de avondboterham al voorbij was. Zij aten ‘s middags warm. Pa en Moe kregen een bedstee toegewezen en Like een andere bedstee in het opkamertje. Like vond het net een vakantie op de boerderij. Het was niet zo koud meer. Het was eind april. Steeds kwamen er jonge Duitse soldaten aan de deur bedelen om eten. Ze waren gedeserteerd en probeerden zo vlug mogelijk te voet bij de Duitse grens te komen. Het waren haast nog kinderen en de boerenbevolking had medelijden met deze jonge jongelui, die maar een verlangen kenden, zo vlug mogelijk naar hun moeder!
Like mocht op de kuikentjes passen, die achter moeder kip buiten de ren naar gras sprietjes pikten zoals ze de kloek zagen doen, op zoek naar wurmen. Maar de katten lagen natuurlijk op de loer, en die moest Like wegjagen tot de boerin de kippen weer naar de ren lokte. Aan tafel werd er wel even stilte gehouden voor het eten om Pa en Moe en Like gelegenheid te geven om te bidden en na het eten moest het jochie leren lezen. Pa had Like wat van de kinderboeken gegeven en nu mocht Like hem leren lezen. Pa wilde de andere boeken zien te verkopen, maar boerenfamilies waren niet zo gek op boeken.
Praten gaat hen beter af. Like gaat een keer mee naar het land waar met ossen geëgd werd. Dat had Like nog nooit gezien en ze had zo langzamerhand al op heel wat boerderijen gebivakkeerd, ook al als kind, in Duitsland, in Ochsenbach. De grond werd weer klaar gemaakt voor nieuw zaad door een vierkant raam met een soort grote spijkers aan een ijzeren frame te spannen plat op de grond, werd het zaad over de aarde verdeeld en in de grond gespreid. Veel meeuwen en kraaien vlogen krijsend in de lucht achter de eg aan om dan neer te strijken op het land. Ze probeerden het zaad voor de boer uit weg te pikken en waren dankbaar voor de pieren, die blootgewoeld werden. Like liep met een ratel, om ze weg te jagen. Zelf mocht ze ook een keer de eg sturen achter de os aan. Maar ze vond het een erg groot stuk land, wat bewerkt moest worden. ‘s Avonds werden er van stro poppen gemaakt en aangekleed met oude kleren. Like keek er verbaasd naar. Waar was dat voor? De boer liet haarde volgende dag meegaan om de grote poppen op stokken in de grond te zetten. “Dat waren vogelverschrikkers,” zei de boer. O, zat dat zo. Like mocht dan al een tijd geen schoollokaal van binnen hebben gezien, ze leerde wel veel over de natuurlijke levensstijl op het land. Ze kreeg meer oog voor de natuur buiten. Pa had weer een andere manier van geld in het laatje krijgen. Hij was door de zoon van de boer aan het suikerbieten koken gezet, en hoewel hij koken een typisch vrouwenwerk vond, was hij nu ijverig bezig. Van suikerbieten kon je stroop maken, dus als hij een hele rij flessen had gevuld, kon hij die verkopen, en dat was vooral in Holland een gewild koopwaar, zo meende hij. Voorlopig werd het opgeslagen in de kelder van het huis. Met appels erbij, die gelukkig niet geschild hoefden te worden, maar waarvan de pulp gebruikt werd, het sap werd ook opgevangen voor appelsap, zo kreeg je dan appelstroop. Mmmm lekker, vond Like dat. En Pa, vond Like, met die appelsap kon je Suhsmost maken, als je er suiker in liet gisten, dat had ze weer in Dahlenburg geleerd. Moe hielp de boerin met bedden verschonen, stromatrassen vullen en kussens opvullen met hooi. En ze deed samen met de boerin de was door de mangel. Zo kon ze ook hun eigen kleren wassen en verstellen, en dat was wel nodig ook. Ze hadden alle drie maar weinig kleren bij zich, maar daarom hadden ze het ook te lang aan. De kleren sleten hard en moesten voor Like nodig verlengd worden, die groeide maar. Moe was blij dat ze nu even in de gelegenheid was om de kleren weer wat op orde te brengen. De boerin had lappen bont goed, die Moe mocht gebruiken om een strook onder een rokje te zetten, zodat ze er weer netjes bij liep. Het zag er nog leuk uit ook. Like was trots op Moe, dat ze zulke leuke kleren voor haar maakte.
De was lag dan in lange rijen op de bleek, een grasveld achter de boerenwoning in het zicht van het huis, zodat ze er goed op konden letten, dat er geen kat of eend de was weer besmeurde. Het zonlicht bleekte de was stralend wit. Like zag een varken in de modder liggen. Ze dacht aan Ochsenbach. “Slacht u hier ook varkens” vroeg ze. De boerin liet haar de hammen en worsten zien die op de deel aan de zoldering boven een stookgat hingen. Moe had sokkenwol en breipennen gekocht in een winkel van Sinkel in het. dorp, waar donkere rokken, boerenkielen, schorten en lang ondergoed te koop was. Ze leerde Like sokken breien. Al had Like op school breien geleerd, aan sokken waren ze nooit toegekomen. Moe vertelde, dat zij vroeger als zesjarige al leerde breien en dan elke dag zoveel naadjes moesten breien na schooltijd. Een naadje was een beginsteek van elke ronde toer die op vier pennen gebreid moesten worden. Like moest opeens aan het punnikklosje van vroeger denken. “Ik kan breien” had ze dan eigenwijs beweerd, vertelde Moe haar. Zo vlogen de dagen voorbij. De geruchten, dat de oorlog bijna was afgelopen, deden steeds sterker de ronde. Op 1 mei ging Pa met de boer op het erf zijn persoonsbewijs begraven. Like vond dat raar, maar ze mocht er met niemand over praten. De volgende dag was Pa op de fiets verdwenen. Tegen Like had hij de avond tevoren gezegd, dat hij ergens weer werk kon krijgen, maar dat hij nog niet precies wist, waar. Toen kwam er na twee dagen van spanning, het bericht dat Duitsland had gecapituleerd.
Op 5 mei was de oorlog voorbij. Voor Nederland, ja! Maar voor Like begon weer een nieuwe levensfase met nare gebeurtenissen. Er kwamen twee marechaussees op de boerderij. Die vertelden aan Moe, dat Pa op zijn vlucht was gearresteerd en dat Moe ook mee moest. Moe siste Like toe dat ze niet mocht huilen, want dat ze daar nu te groot voor was. Like mocht wel op de boerderij blijven, maar ze wilde persé met Moe mee. Moe had haar arrestatie wel verwacht en de weinige kleren in een koffertje met toiletspullen klaarstaan. Like haar koffertje moest dus haastig ingepakt worden. Ze moesten lopend naar het politiebureau, waar nog meer vrouwen stonden. In een vrachtwagen werden ze naar een volgend dorp gebracht. Ook daar kwamen ze bij een groter politiebureau met verschillende kamers. Ze werden in een zaaltje met stro gelaten. Geen tafel, geen stoelen. Moe gaf Like fluisterend instructies, pa had gewerkt bij de AVRO moest Like zeggen als ze verhoord zou worden. Dus niet Tonnie, maar Pa had daar gewerkt, wist ze dat nu goed? En verder zwijgen over Arnhem. Eerst moesten Moe en Like samen bij de commandant van de Binnenlandse strijdkrachten komen. Ze hadden een band om de arm met de letters BS erop. Toen de commandant aan Like een vraag wilde stellen, zei Moe verontwaardigd: “wat weet zo’n kind daar nu van.” Ze werden weer door een arts onderzocht. De dokter trok pardoes haar broekje naar beneden, die ze expres aangehouden had. Ze had nooit zoveel te maken gehad met dokters onderzoeken als kind. Ze zei het later tegen Moe. Maar meisjes van 16, 17 jaar, zeiden haar dat de dokter dat expres deed om te zien of je met een Duitse soldaat had gevrijd. Like schrok, maar Moe kwam gauw tussenbeide. Wat denken jullie wel van zo’n kind. Moe weigerde haar nog steeds te zien als een opgroeiend meisje. Ze hield Like eigenlijk expres onmondig en Like kreeg nu ook weinig gelegenheid, om haar licht op te steken bij leeftijdgenoten. Ze werden in een lange rij opgesteld en buiten het politiebureau stond een lange rij joelende mensen hen uit te jouwen. Moe siste Like weer toe, “niet huilen, hoor, niet laten merken, dat je bang bent.” Ze moesten tussen de joelende menigte door die tegen hen op stonden te duwen naar de overkant van het pleintje, waar een schoolgebouw was. Daar werden ze weer over schoollokalen verdeeld en moesten op de grond zitten op stro. Ze kregen de keuze, tussen een stuk roggebreed en tarwebrood. Moe zei, dat Like roggebrood moest nemen daar had ze langer wat aan. Ze kregen maar een paar sneetjes. Like moest zo nodig. Moe vroeg aan een bewaker, of ze naar de WC kon gaan. Die knikte. Like ging de zaal uit, maar kreeg buiten de deur een geweer in haar rug gepord en moest zo naar de wc. lopen. Toen ze klaar was, stond de bewaker er nog, hoe lang ze ook getalmd had. Weer het geweer in de rug, de gang door, terug naar de zaal. Like was wit van angst. Moe vroeg wat er gebeurd was. "Ik ga nooit meer naar de wc,” zei Like. Moe werd apart verhoord door de commandant en Mee vroeg hem of Like weer terug mocht naar de boerderij, omdat ze nog teveel kind was om zo behandeld te worden. Toen moest Like alleen komen, maar nu zonder bewaker.
Moe had haar verontwaardiging geuit over de behandeling van een kind. Eerst moest Like vertellen waar haar vader gewerkt had. Toen ze haar les je opzei, vroeg de commandant, of ze wist, waar de AVRO was. Dat wist Like. Ze zat immers op een radiokinderkoor. Ze meest vertellen, wat ze op de jeugdstorm deden. Spelletjes! Verder niet? Like haalde haar schouders op. “Vond je het fijn op de jeugdstorm?" “Ja,” knikte Like. Daar werd ze niet uitgescholden en er waren vriendinnetjes. “Eigenlijk zou je een pak slaag moeten krijgen” maakte de commandant haar bang, omdat je op de jeugdstorm bent geweest .Like schoten de tranen in haar ogen, maar ze probeerde niet te huilen. “Je moeder heeft voor je gepleit,
of je weer naar de boerderij terug macht. Dat mag wel. Anders moeten we je naar een kamp sturen, naar een meisjeskamp en dan moet je er hard werken, hoor.” Like vroeg of ze dan wel bij haar moeder op bezoek mocht komen elke keer.” De commandant knikte, dat mocht. Toen wilde Like wel terug naar de boerderij . Ze kon meteen weer terug. Haar koffertje met kleren kreeg ze weer mee, maar een zilveren sierspeldje uit Oostenrijk moest ze op tafel laten liggen, dat mocht ze niet mee nemen. Ook haar poëziealbum en een spelletje kwartetkaarten. Ze kwam verlegen weer op de boerderij terug. Daar kreeg ze te horen, dat ze voortaan maar op de zolder meest slapen. De bedsteden waren al schoon gemaakt. En na het eten meest ze Jannes maar leren lezen. Nu, dat vond Like niet erg, dat deed ze immers graag. De volgende dag zag ze buiten op straat een jongen. Hij zei, jij bent toch ook een evacué en of haar moeder ook was gehaald. Hij heette Jan. Like vertelde dat ze ook mee was geweest, maar nu weer terug was. En dat ze haar moeder mocht bezoeken. Jan vroeg of ze zijn moeder ook kende. Ja, toen ze hierheen gereden werden, waren zij er toch. “Er was nog een oma met twee kleine kinderen" zei Jan, “die woont op dat hoekhuis. Ze vraagt of je komt vertellen, hoe of het met de moeder van de meisjes is.”
Like had met Moe hier in het dorp wel eens staan praten met de andere evacués. Daarom kende ze sommigen mensen wel. Er waren kinderen waar ze wel eens mee had gespeeld. Ze vroeg aan de boerin, of ze met Jan naar de oma mocht, omdat die naar haar gevraagd had. Kende Like haar dan? “Jawel” knikte Like. De boerin vond het goed. Oma zat in de achterka¬mer met twee heel kleine peuters, een meisje van twee jaar en een van bijna vier. Het oudste meisje heette Violetta, de kleinste Margrietje .Net als het jongste prinsesje, liet Like zich ontvallen. “Ja,” zei Oma zuur, “maar dit zijn onze prinsesjes en ze missen hun mammie heel erg en nu wil ik vragen of jullie twee de kinderen in de kinderwagen mee willen nemen naar de school. Dan moet je eerst even brood en boter kopen bij de bakker en de kruidenier en dat in de voetenbank verstoppen. Als je dan het lokaal in bent, kun je het brood en de boter geven aan Mammie.” Like had haar verteld dat ze haar moeder mocht bezoeken, maar Jan had in het dorp gehoord, dat de moeders naar een ander dorp werden gebracht 10 kilometer verder. Dus of ze het morgen wilden doen. De volgende dag zei Like tegen de boerin, dat de oma van de kindjes had gevraagd of ze samen met de kindjes naar de school wilden gaan om nog een keer afscheid te nemen. Ze mocht. Jan kwam haar halen en oma stond al met de kinderen in de kinderwagen bij het hek van haar logeeradres . In het dorp kochten ze brood en boter. Toen begon de lange wandeling. Een stuk door het bos, toen langs een zandverstuiving en over een smalle bestrate weg het dorpje in, waar ze tegenover een klein kerkje, een klein schoolgebouw zagen. Ze wilden het speel¬plein oplopen, maar ze werden tegengehouden door een bewaker. Like vertelde dat ze van de commandant op bezoek mocht komen bij haar moeder en dat hun gevraagd was met de kin¬deren samen naar hun moeders te gaan, maar de bewaker zei, dat ze alleen even door het raam mochten zwaaien. Like en Jan tilden ieder een kind op en riepen: “Moe”, “Ma” en “Mammie”! De moeder van de kleintjes begon te huilen. De kindjes ook. Like kon haar tranen ook niet meer bedwingen. Het was gemeen, de commandant had gelogen, ze mochten helemaal niet" naar binnen. Moe riep, dat ze weg moesten gaan. Jan had gezwaaid naar zijn Ma. De bewaker had zich omgedraaid en snoot zijn neus. Hij was ook niet van steen, wat een drama. Toen haalde hij de kinderen weg bij het raam en zei hen dat ze terug moesten gaan. Verslagen sleepten ze
met de kinderwagen weer terug naar het bos. Bij de zandverstuiving zei Jan “we hebben het¬ brood en de boter nog.” “Laten we hier dan even gaan zitten” zei Like. Ze zetten de meisjes in het zand om bij het brood te kunnen komen. Jan had een zakmes. Daar sneden ze stukken brood mee af en besmeerden het dik met boter. Ze gaven de kleintjes een kleiner stukje die op het brood sabbelden. De kinderen waren onderweg al weer gekalmeerd. “Nu lijken we net een gezin” zei Like. Ze pakten alles weer in de wagen en speelden nog even met de kinderen in het zand. Toen gingen ze weer verder met de kinderen in de wagen. Like duwde en Jan zong kinderliedjes: “Klap eens met je handjes.” Violetta zong met haar zuiver kinder¬stemmetje mee. Margrietje klapte in haar handjes. Zo kwamen ze toch weer in een goede stemming terug. De kleintjes hadden hun verdriet al weer vergeten. Ze vertelden hun verhaal en biechten toen op dat ze zelf van het brood en de boter hadden gegeten, omdat ze het niet aan mammie hadden kunnen geven. Oma vindt dat niet erg. Ze was blij, dat ze zo goed voor de kleintjes hadden gezorgd. En ze wilden best wel eens een keer weer naar de zandverstuiving met hen wandelen. Die avond kreeg Like een huilbui aan tafel toen haar gevraag was hoe alles was gegaan. ‘s Avonds in bed op zolder zong ze heel verdrietig de liedjes die ze op zondagschool had geleerd.
“Als ge in nood gezeten,
geen uitkomst ziet,
wil dan nooit vergeten,
God verlaat u niet.”
Meester had hen gezegd dat ze maar moesten zingen als ze heel erg bang of verdrietig waren. De volgende dag werden alle evacués met kinderen opgehaald, ook de achtergebleven kinderen. Ze werden in vrachtwagens naar een barakkenkamp gebracht. Like en Jan ook. Ze werden allebei ondergebracht in een barak bij een gezin met kinderen. Ze sliepen allemaal in een slaapzaal. Er was nog een kamertje apart om te eten aan een vierkante tafel en stoelen eromheen. Er was een ingebouwde kast met het hoog nodige servies en schoonmaakmiddelen. Eten moesten ze in een emmer bij de hoofdbarak, waar ook de keuken was, halen. Bij het gezin waar Like was, werd nog een jongetje van twee jaar gebracht. Like moest daar maar voor zorgen, had de bewaker gezegd. Dat deed ze graag. Zo’n schattig jochie, Mario heette hij. Ze waste hem, kleedde hem aan, voerde hem zijn pap en nam hem mee naar de wc, want die was buiten. Een smal gebouw stond haaks op de barakken, waar alleen toiletten waren. Vooraan het kamp, bij het hoofdlokaal, was een wasgelegenheid, een lange leiding, met veel kranen, stond boven een lange spoelbak in het midden. Aan beide kanten konden zich dan barak voor barak zich wassen. Spiegels hingen aan de houten wanden om de haren te kunnen kammen. Maar Like had nog niet veel haar om te kammen. Ze verborg de inmiddels gegroeide stekeltjes nog steeds onder haar hoofddoekje.





Voeg een reactie toe