Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

5 augustus 2008

5. Het kinderkamp

Een hoofdstuk uit het boek Like

Ze waren net een beetje gewend en Like vond het wel fijn om met zoveel kinderen te zijn. Mario liep Like aldoor als een hondje achterna en als ze hem maar even kwijt was, riep ze over het terrein: "Mariooooo!” Hij kwam dan meestal om de hoek van de barak vandaan. Zij waren in de laatste barak ondergebracht, niet zover van de wc barak vandaan. Like moest in hun huisje ook helpen met vegen en afwassen. Dit gezin kwam uit Brabant. Zij waren gewend de borden met een vaatdoekje te wassen in plaats van met een vaatkwast .Like werd voorgedaan door de moeder dat ze stevig de borden met het doekje moest bewerken. Nu had Like nog niet vaak thuis de afwas gedaan, ze was nog maar net op de huishoudschool toen ze naar Duitsland gingen, dus stond ze er een beetje vreemd naar te kijken.
Jan had van 2 roestige rijwielspaken, mooie gladde breinaalden geschuurd, toen Like gezegd werd, dat ze voor zichzelf sokken moest breien. “Ik ben ze bij de boerderij al begonnen,” zei Like, “maar die liggen daar nog.” Ze kreeg nu zwarte sajetwol, waar ze dan nu maar mee moest beginnen. De moeder zou wel helpen met de hak en aan de achterkant kwam dan een naad. Like vond de kleur helemaal niet mooi, maar met een bruin randje bovenaan, zou dat best mee¬vallen. Wat was het een nare wol om mee te breien, vond Like, maar er zat niets anders op, ze moest doen, wat de moeder zei. Maar ze moest toen bij een directrice komen. Die zou in het tweede barakkenkamp, een stukje verderop, een Kinderkamp opzetten .Jan en Like waren eigenlijk te oud, ze waren immers 13 jaar, maar ze mochten toch mee naar het kinderkamp.
Like moest een heleboel vragen beantwoorden. Waar ze gewoond had, hoeveel broers en zusters ze had, of ze nog familie in de buurt had. Of ze niet ergens bij familie kon komen. Like wist alleen, dat een broer bij Oma woonde en dat Moe gezegd had, dat ze daar naar toe moest. Ook werd haar gevraagd of ze bij een kerk hoorde. “Ja,” knikte Like. “Bij welke dan?” Like wist nog dat boven de deur van de lagere school waar ze op was geweest, een bord hing: Christelijk Gereformeerde School. Dus ze dacht, dat hun kerk ook wel zo heette. Maar ze waren eigenlijk de hele oorlog nooit meer naar een kerk gegaan, toen Pa en Moe niet aan het avondmaal mochten deelnemen. Zij had op de zondagsschool gezeten, dus had ze nooit geweten bij welke kerk ze hoorden. Like hoorde, dat Mario niet mee zou gaan, omdat hij nog te klein was. Zijn moeder was weggehaald, omdat ze niet getrouwd was en dat het kindje van een Duitse soldaat was. Waarom mocht Like nu niet meer voor hem zorgen, dacht ze nog. Als ze toch geen moeder meer voor hem hadden. Wat zielig vond ze dat, en gemeen om dat kindje niet bij zijn moeder te laten. Het hummeltje stond nog steeds voor het hek te roepen: “Mammie!” Like nam hem dan in haar armen, bij het hek vandaan, ze zong dan maar een liedje voor hem, net zolang tot hij niet meer huilde. De volgende dag moesten de kinderen in een lange rij staan met hun schamele bezittingen aan kleren in een koffertje of tas. De moeder had gezegd, dat Like nu goed moest zorgen voor de twee zusjes en broertjes, die ook mee moesten naar het kinderkamp. De meisjes waren 9 en 10 jaar en de jongens 7 en 11 jaar. Alleen de jongste van 4 jaar bleef nog bij de moeder en een meisje van 15 jaar en een jongen van 14 jaar. De moeders stonden verdrietig bij de rij te kijken. Mario kreeg in de gaten, dat Like wegging en begon te huilen: “Mama!” Ze wilde hem optillen en troosten, maar de andere moeders zeiden, dat ze dat niet moest doen, ze moest hem aan de andere moeder geven en zeggen, dat is Mama. Ze gaf hem een duwtje en hij liep toen naar de moeder toe. Die zei nog, voor mijn eigen kinderen mag ik niet zorgen, moet ik nu wel voor zo’n vreemd kind zorgen? Een leidster, die meegekomen was om de kinderen op te halen, ging naar Like toe, die ook bijna stond te huilen en vroeg of dat haar broertje was. Nee, schudde Like, zijn mama is weg! Toen moesten ze met hun zakken met kleren, koffertjes en tassen, het hek van het kamp uit en over straat naar het volgende barakkenkamp lopen.
Het was dezelfde weg door het bos, die Like en Jan samen met de kindjes in de wagen waren gelopen. Vlak bij de zandverstuiving, toen was hun de barakken niet eens opgevallen, omdat ze te druk waren geweest met de kinderen. Het kinderkamp zag er net zo uit, als het eerste kamp. Een hoofdgebouw met een keuken aan de straatkant. Dan links het washok evenals rechts, haaks op het hoofdgebouw. In het verlengde een barak met een slaapzaaltje, een huiskamertje, zo vijf keer aan elkaar, gescheiden door een tussendeur. De gebruikelijke medische onderzoeken werden weer gedaan, maar nu door een aardige dokter uit het kleine dorpje, waar Like en Jan geweest waren. Like had al gehoord, dat de moeders waren gebracht naar Westerbork. Maar waar Pa was, dat wist ze niet. Tonnie en Gea ook niet. Alleen Job was bij Oma. Dat was haar steunpunt, daar moest ze zien te komen. In het hoofdgebouw was de eetzaal. Daar zag ze Jan weer, als alle groepen gelijktijdig de maaltijden gebruikten. De jongens waren aan de rechterkant ondergebracht en de meisjes aan de straatkant. Gerda en Mieke, de twee meisjes, waar: Like voor zou zorgen, sliepen in een andere slaap zaal, dan Like, zij hoorden bij de middengroep, Like bij de grote meisjes, en dan was er nog een groepje met hele kleintjes.
Like kwam heel alleen met Nellie, op een slaapzaaltje, waar zes bedden stonden, tegenover elkaar, drie aan de ene en drie aan de andere kant. Gelukkig geen bedden boven elkaar. Het was al bijna 1 juni, maar de barakken waren koud. Toen ze naar bed moesten, was het nog maar 8 uur. NelIie pakte haar regencape van zwarte Jagerstof en legde die over de molton deken, er lagen geen lakens en slopen. De matras was van jute, de vulling weer van stro. En de kussenslopen gevuld met hooi in jute zakken. Like vond een handdoekje in haar koffertje die legde ze over haar kussen. Haar jas legde ze op haar voeten. Brrr, ze had het zo koud. Like lag in een hoek, en Nellie in het middenbed. Er zouden morgen nog meer kinderen komen uit de andere dorpen wat verder weg. Aan de straatkant, tegenover hen, waren boven de bedden klapramen. Aan beide kanten van de huiskamertjes waren vierkante ramen aan de straatkant zelfs met brede vensterbanken.
De directrice en onderdirectrice woonden in het hoofdgebouw. De juffrouw die met Like had gepraat, kreeg de kleine meisjes van 6 tot 8 jaar. Like en NelIie hadden een andere juffrouw. Nellie kwam uit Brabant, net als Gerda en Mieke. Like ging nog even bij hen kijken, hoe het met de beide meisjes was, ze moest immers voor hen zorgen. Ze lagen al in hun bedden. De handen naar elkaar toegestoken over het pad tussen de bedden. Ze hielden elkaar vast. Ze zagen er erg eenzaam uit. Er was nog een meisje met blonde haartjes bij hen, Mieneke. Ze huilde. Like ging even naar haar toe om haar te troosten. “De bewaker, die me bij Mammie weghaalde, met mijn broertje Chieltje zei, neem maar afscheid van Mammie, want je ziet haar niet meer terug, ze schieten Mammie dood.” De leidster van de middengroep kwam binnen. Ze stuurde Like naar haar eigen bed. Zij zou wel even met Mieneke praten, zei ze. Like mocht de volgende morgen wel komen helpen met aankleden en haren kammen. Like was wel een beetje blij, dat de juffrouws zo aardig tegen hen waren. Het waren dames, die de opleiding voor kinderverzorgster hadden gedaan en nu meteen de praktijk in konden. Er was wel gebrek aan goede verzorging voor de kinderen van NSB-ouders, omdat er meer kinderen ondergebracht moesten worden, dan waarop gerekend was. Het was een grote chaos. Overal kwamen vrachtauto’s met kinderen vandaan, uit de andere provincies, of uit de Duitse kampen. Het bleef maar toestromen. De Binnenlandse strijdkrachten hadden niet op zoveel kinderen gerekend, toen ze de ouders uit de huizen haalden en wisten eigenlijk niet waar ze met al die kinderen heen moesten. Het was aan de hoofden van de kampen de taak om familieleden op te sporen, die ze verplichten, om de kinderen op te nemen. Maar de stroom kinderen, die uit Duitsland kwamen, waren ver van hun woonplaatsen terecht gekomen, dus duurde het lang om die families op te sporen.
De volgende morgen kwam er weer een grote stroom kinderen aan. Er kwamen twee meisjes bij hen in het slaapzaaltje, Corrie en Ietje, twee zusjes. Ietje had een tweelingbroer, die dus aan de jongenskant terecht kwam. Tegenover Like kwam Ciska, dan Marietje en lneke, die wel wijzer leek dan Like, al was ze pas 11 jaar. Like was met haar 13 jaar de oudste van de grote meisjesgroep en ook de langste met haar lange dunne benen, maar de andere kinderen waren veel wijzer voor hun leeftijd. Ze tapten a1moppen, die Like voor het eerst had gehoord in het Duitse ziekenhuis en dat waren dan nog volwassenen geweest. Ook nu deed ze daar niet aan mee, ze moest dan steeds denken aan die Duitse soldaat in haar dorp, die haar had aangerand. De meisjes hadden het ook al over de jongens die aan de overkant waren. Buiten liepen de jongens quasi per ongeluk tegen de meisjes op, die dan ijselijke gilletjes slaakten, want dat het pijn deed, wist zelfs Like.
De leidsters maakten aan die spelletjes een einde en lieten de kinderen in de huiskamertjes zitten, die wel propvol werd met 12 meisjes. Ze moesten over de planken paden lopen naar de wasbarakken of wc’s om geen moddervoeten te krijgen, en in de rij over de planken naar de eetzaal in het hoofdgebouw. Er was een kok in de keuken, die de maaltijden kookte. De kinderen moesten aan lange tafels zitten op lange banken. De leidsters zaten om een ronde tafe1met de directie. Bij de kleine meisjes en jongens werd om de beurt één van de grote meisjes gezet, om de kleintjes te helpen met eten. Like mocht er ook nog al eens zitten, omdat ze het zulk leuk werk vond. Dan werd er ook niet zo op haar eten gelet. Ze kon haast geen hap door haar keel krijgen van de spanningen en a1die drukte om haar heen. In Duitsland waren ze ook al met zulke grote groepen geweest, daar was ze ook gauw moe van en dan at ze ook zo weinig. Als ze in de eetzaal te hard praatten, moesten ze voor straf in het washok staan, maar dat kwam zelden voor, want de kinderen vonden het eten veel te belangrijk en schransten zoveel mogelijk naar binnen. De kok kon lekkere maaltijden klaar maken. De aardappelen met boontjes, een klein stukje vlees en bruine jus. De kok had steeds een andere naam voor de boontjes, de ene keer waren het sperziebonen, de andere keer prinsessenboontjes, dan weer spekbonen. Hij maakte vaak grapjes met de kinderen. Toch gaf Like het meeste van haar eten weg aan de andere meisjes. Met de boterhammen had ze grote moeite. Ze had ook vaak buikpijn. ‘s Morgens en ‘s avonds hielp ze bij de kleine meisjes met haren kammen of veters strikken. De middelste groep kon zichzelf wel aankleden, behalve met haren vlechten of strikken in het haar doen. Like hielp altijd Mieneke, Gerda en Mieke en dan de kleintjes. De juffrouw, Petra Noorda, vond ze erg aardig. Ze had toen aan Like gevraagd, of Mario haar broertje was. Soms praatte ze ‘s avonds wel eens een poosje met Like en sloeg dan een arm om haar heen, a1s ze erg verdrietig was. Dat was Like helemaal niet gewend en ze leefde ervan op. Maar ‘s avonds in bed, a1s het heel stil was, lag Like vaak onder de deken te huilen. Ze veegde haar tranen weg met haar handdoekje, die ze nog steeds op haar kussen had liggen, die er ook niet schoner op werd. Maar daar had Like geen erg in. Om een uur of 10 kwamen de nachtleidsters, voor elke barakkenrij één. ’s Avonds kregen ze gelegenheid om naar de wc te gaan voor ze naar bed gingen. Overdag moesten ze het vragen. ’s Morgens, na het ontbijt, gingen de groepen wandelen in het bos, elke groep met de eigen leidster. Zo kwamen ze ook vaak bij de zandvlakte, waar ze met Jan en de kindjes gespeeld hadden. Ze leerden het Drentse volkslied:
"Ik heb u lief, mijn heerlijk landje, mijn enig Drente1and.
Ik minde eenvoud in uw schoonheid, ‘k Heb u mijn hart verpand.
Mijn taak vervul ik blijde,
Waarheen ook plicht mij riep, Uw schoonheid die mij beide.
Daarom vergeet ‘k u niet!”
En liederen van Valerius Gedenckklank. De liedjes, die ze op de jeugdstorm geleerd hadden, die mochten ze niet zingen en die volksdansjes ook niet doen. Wel deden ze krijgertje en boompje wisselen in het bos. Juli had mooie zomerdagen. 's Middags moesten de kinderen verplicht rusten. Ze mochten wel lezen in bed, maar niet liggen praten met elkaar, om de andere groepen niet te storen, de kleinste kinderen vielen vaak in slaap. De grote meisjes vonden het erg kinderachtig, maar de directrice was in de oorlog leidster in een gezondheidskolonie geweest en daar moesten de kinderen ook ‘s middags rusten voor hun gezondheid. Trouwens, de groepsleidsters gingen dan even naar de bungalows, waar zij verbleven om even rust te hebben, anders zouden ze te lange dagen maken. En de kinderen konden dan even tot rust komen. De onderdirectrice sloop dan buiten rond, om te zien of alles rustig was. Als er dan iemand even naar de wc. moest, dan schrok die zich een hoedje, als ze dan tegen haar opliep. Juffrouw Having kwam in de wisseling in de nachtdienst terecht. Nu kregen ze Hynke van der Ploegen. Like was er erg blij om. Die juf had hen al tijd voor het slapen gaan een nachtzoen gegeven en nu bij het wandelen, gaf ze je zomaar een hand en kneep er wel eens liefkozend in. De meisjes liepen daarom allemaal graag naast haar, want een liefkozing hunkerden ze allemaal wel naar. Ze waren ook zo onzeker, hoe het met hun ouders was, vooral, omdat de meesten bang gemaakt waren door de BS-sers, die hen bij hun ouders hadden weggehaald. Er was in de zomer kermis in het dorp met een draaimolen en een zweefmolen, een kop van Jut voor sterke mannen en een schiettent. De leidsters vonden, dat ze met hun groepen er ook wel heen konden, de Koningin was immers jarig en ze hadden mooie bogen gemaakt van takken ui t het bos met crêpe papieren bloemen versierd door de grote meisjesgroep. Maar blij waren ze niet. De Koningin had immers gezegd, dat er geen plaats meer was voor de Landverraders, zoals hun ouders genoemd werden. Zij waren toch hun kinderen? Maar de leidsters vonden, dat ze als kinderen er niets aan konden doen, dus dat ze best feest mochten vieren. Maar ze gingen toch maar niet naar de aubade die bij het burgemeestershuis werd gehouden, maar ze hadden wel om een dag gevraagd, dat de kinderen naar de draaimolen mochten, als de dorpskinderen naar school waren. Dat werd toegestaan. De kleintjes mochten in de draaimolen en de groteren in de zweefmolen. Like kon niet tegen dat gedraai en mocht zuurstokken helpen uitdelen.
De zondag was ook altijd een gezellige dag. De kinderen, die Katholiek waren gingen met een van de leidsters naar de mis, de andere kinderen naar de kerk van de Hervormden of de Gereformeerden. Like ging met Ietje en Corrie naar de Gereformeerde kerk met juffrouw Karreman, maar een ouderling had haar na afloop gezegd, dat die kampkinderen hier niet hoorden. Dus gingen ze ‘s zondags voortaan maar mee naar de Hervormde kerk. Er werd na het eten op het grasveld een muziekfeest gehouden, waarbij ze in een kring op het gras zaten en dan liederen uit Valerius Gedenckklank en mochten zingen en met de kleintjes de zevensprong dansen of een kringbalspel met elkaar. De directrices waren er ook bij en deden lustig mee. De kok kwam tegen etenstijd even kijken en riep ze dan voor het eten. Het was leuk om hem met de kinderen te zien meedoen, vooral met een pot je voetbal, met de jongens. ‘s Middags moesten ze dan een brief schrijven naar een van de ouders, de kleintjes mochten dan tekenen. De directrice verzorgde de post. Zij had zoveel mogelijk adressen, waar de ouders gevangen zaten. De kinderen van de ouders van het andere kamp, mochten zelfs naar hun moeders toe, voor een uurtje. Dat was wel eens moeilijk voor de andere kinderen, die dan best jaloers op hen waren en dat leverde dan weer huilbuien op. Als Like dan begon te huilen, trok juffrouw Noorda haar dicht tegen haar aan. “Huil maar even, hoor" zei ze dan. Maar Like was niet de enige, die dan huilde in hun groepje. Ook Ietje werd zo behandeld door juffrouw Karreman. Juf van der Ploegen was er dankbaar voor, want ze had geen armen genoeg, voor alle tranen, zei ze dan maar. De grote meisjes, maar ook de jongens, hadden vaak van die sombere buien, omdat zij het meeste besef hadden dat hun ouders in kampen waren opgesloten. Juf van der Ploegen las tijdens de rustuurtjes vaak voor uit een heel leuk boek, waarin Potten en Pannen konden praten en pollepels op één been konden lopen. De kinderen hadden nog nooit zo’n sterk verhaal gehoord.
Op een rustuur besloten ze een gedicht te maken met elkaar. Like zou het op schrijven.
Het ging over hun kamp.

“Stil en verlaten, zitten we hier bij elkaar.
We kunnen het schreien niet laten,
We vinden het hier zo naar!”

Maar de huishoudelijke hulp, die de slaapkamers schoonmaakte, vond het papier en gaf het aan de middagwacht. Die ging het bij de meisjes lezen en spotte ermee. “Stil en verlaten, ja- ja, met l2 meisjes, die als kippen kakelen, vinden het hier zo naar? Nou, je mag wel naar een arbeiderskamp, hoor, dan mag je daar hard werken, in plaats van spelen in een bos.” De meisjes schaamden zich dood, dus maakte Like er maar gauw een paar regels bij toen de anderen het voortaan niet meer durfden:

“Maar we willen niet blijven treuren.
Kop op, moede van het zeuren.
Al is het dan niet zo fijn,
We maken toch altijd gein!”

Toen werd er een meisje door familie opgehaald, zoals de bedoeling was, dat alle kinderen bij familie zouden worden ondergebracht. Dus kwam er nog een liedje bij, want de eerste, die opgehaald werd, dat was wel even een belevenis: “Maddie is naar haar tante,
Vanmorgen is ze gegaan, Ze ging in een Canadese auto, Twee heren zaten vooraan!”
Dat gedicht werd onder Like’s matras gevonden door een van de schoonmaaksters en die gaf het aan de directrice. Like moest bij haar komen, ze werd erg bang, maar tot haar verbazing was deze niet boos, maar vroeg Like, of ze het voor haar wilde overschrijven omdat ze het bewaren wilde als aandenken Like kreeg een mooi schrijfblad en deed haar best om het zo mooi mogelijk op te schrijven.
Toen de directrice met een dagje uit was naar Scheveningen, kreeg Like een mooie ansichtkaart met Scheveningse vissersvrouwen erop. En voor de slaapzaal kregen ze een waaiertje, dat ze aan de muur mochten vastprikken. Lizette werd ziek, de dokter moest komen. Ze was voor het eerst ongesteld geworden, dat gaf heel wat beroering onder de grote meisjes. Lizette had zo’n buikpijn, ze lag te krimpen in bed. De dokter was erg aardig voor haar. Ze moest die dag maar in bed blijven. Like wist niet eens, wat ongesteld zijn was, maar Ineke, die met haar elf jaren al borstjes had, wist Like haarfijn te vertellen, dat je dan kinderen kon krijgen, als je het met een jongen zou doen, daarom mocht zij van haar moeder niet met jongens spelen, als zij ongesteld zou worden. Ze vond het raar, dat Like het nog niet had. “Ikke” schrok Like, nog meer narigheid, en ze had altijd al zo’n buikpijn. Hu.. het was helemaal niet leuk om een meisje te zijn. Juf zei, dat ieder meisje dat nu eenmaal kreeg, en dat het heel gewoon was. Ze mochten er best met haar over praten, als ze iets niet goed wisten. Gelukkig, dacht Like, dat mag dus wel. Ze durfde er toch nog niet zo over door te praten, maar vond het nu niet meer zo slecht, als de andere meisjes er een heleboel van af wisten en er moppen over maakten. Vooral Jenneke wist er veel, zeg! De herfst naderde en begon met een natte plensdag. De kinderen hadden landerig binnen gezeten en kibbelden met elkaar. Juf wist niet wat ze met hen moest beginnen. Na het brood eten ging Like naar de kleine meisjes om ze te helpen uitkleden en toen juf Noorda ze een verhaaltje had voorgelezen, kwam ze bij Like staan, die in de brede vensterbank zat. Ze keek zo verdrietig, dat juf vroeg, wat er was. "Ik heb zo’n buikpijn” zei Like. “Eet je wel genoeg?"vroeg ze. “Ik kan het niet.!” Like wist niet, hoe ze onder woorden moest brengen, waarom ze niet kon eten en waarom ze zo verdrietig was. Ja, om Pa en Moe, natuurlijk, maar dat waren ze allemaal, maar die huilden niet zo vaak als zij. Maar toen Like naar de zaal ging, kwam juf van der Ploegen haar al tegemoet. "Like, wil jij me nu helpen?” vroeg ze. “Je laat me toch niet in de steek.”
Alle meisjes waren van streek. Toen Like in haar slaapzaaltje kwam, lagen Ietje en Corrie in bed. Sommigen zaten in de huiskamer in de vensterbank, net als Like gedaan had en anderen huilden aan de tafel. Het was een uitbarsting van allemaal spanningen, die er nu eindelijk uitkwamen. Like had veel liever mee willen huilen, maar verbeet zich. Ze stuurde de meisjes naar bed. “Kom maar;” zei ze lief, “ga je maar uitkleden, stil maar.” Gelukkig deden ze het. Juf keek verbaasd. Like, die anders nooit zo’n overwicht had, op meisjes van haar eigen leeftijd, bracht de meisjes rustig naar bed. Inmiddels kwam met grote stappen de onderdirectrice aangelopen en donderde: “Zijn jullie nu helemaal mal, met je gehuil, onmiddellijk ophouden met je gesnotter.” Het was meteen doodstil. Juf vertelde, dat er de hele dag al zo’n spanning in de lucht had gezeten. Ze had echt niet geweten wat ze moest beginnen. Ze was er zelf ook door van haar stuk gebracht. De nachtwacht was op de hoogte gebracht en keek behoedzaam bij elk bed of ieder kind wel sliep. Like lag zo als gewoonlijk te huilen onder de dekens, ze moest op haar beurt de spanning kwijt. Ze hield zich stijf, toen juf even de deken oplichtte. Ze kreeg een aai over haar hoofd, en toen liep de wacht weer verder.
Like en Jan, waren op dezelfde dag jarig! Ze werden 14 jaar. Ze waren nog steeds vriendjes, al spraken ze elkaar niet veel. In de eetzaal bij het ontbijt, werd hen gevraagd of ze hier wilden blijven, of naar een kamp voor de oudere jeugd wilden. “Blijven” klonk het uit twee monden. Maar Like voegde eraan toe: "ik wil later wel naar mijn Oma!” Maar daar waren ze al mee bezig, zei de directrice. Maar ze zei er niet bij, dat haar tante Mijntje geen opvanghuis voor de neefjes en nichtjes wilde zijn. Ze had al een broer van
Like in huis. Oma had verzorging nodig en tante Mijntje woonde bij haar in. Toen de zomervakantie van de dorpsscholen weer voorbij was, werden ook de kinderen naar school gestuurd. Voor de kinderen, boven de 11 jaar was er een zevende klas, als voorbereiding voor de Mulo of HBS. Like kreeg geen plekje op school. Ze zat op de huishoudschool. Lizette ging ook niet naar de school, zij zat al op de HBS. in het eerste leerjaar. Zo kon het gebeuren, dat Lizette en Like samen naar de huisjes werden gestuurd, waar de leidsters sliepen om de vuile kopjes van koffiedrinken af te wassen, er te stoffen en te vegen.
De wc’s moesten ook schoongemaakt worden, maar in de slaapkamers mochten ze niet komen. Lizette troonde Like mee naar de wc zogenaamd om hem schoon te maken, maar ze liet haar het maandverband zien, die rood van het bloed was. Like schrok, kon je zo bloeden uit je bibs? Juffrouw Karreman had nachtdienst en lag nu te slapen in haar slaapkamer. Daar hadden ze niet aan gedacht. Plotseling stond Juf in de gang bij de wc. “Wat voeren jullie daar uit?” vroeg ze, “jullie moeten zachtjes doen, want ik werd wakker van jullie.” Lizette deed vlug de wc-deur dicht en de knip er op. Like mompelde zoiets van “Lizette bloedt zo erg." “Dat hoort erbij, als je ongesteld wordt, hoor” zei Juf vriendelijk. Ze ging weer naar de slaapkamer. Stil werkten de meisjes verder.
Lizette werd op een dag opgehaald, door een oom in een deftige zwarte auto. Haar oom en tante zouden verder voor haar zorgen. Dat was de tweede al van hun groep. Bij de kinderen uit Brabant, kwam een maatschappelijk werkster. De kinderen werden naar Brabant gebracht, daar zou naar familie van hen gezocht worden. Like had spelenderwijs het Brabantse accent overgenomen en de maatschappelijk werkster wilde haar ook al inschrijven, maar Like zei beduusd: “Ik woon vlak bij Hilversum, hoor?” Ze vertelde, dat zij naar haar oma ging, tenminste, dat dacht ze.
Toen kwam er een andere directrice! Dat sloeg in als een bom. De kinderen waren in rep en roer. De vorige directrice en onderdirectrice gingen weg! Er veranderde veel. De grote meisjes kregen ook een andere Juf. Juf van de Ploegen was terug gegaan naar haar dorp, hetzelfde dorp, waar ook Like haar ooms en tantes woonden. “Misschien kom jij daar ook wel,” zei Juf van de Ploegen. De meisjes moesten nu luierbroekjes breien voor de jongste kinderen. De directrice had haar eigen gebreide jurk uitlaten halen, omdat die niet meer paste en nu werd dat voor de kinderen gebruikt. Maar erg vlot kwamen ze niet af, tot groot ongenoegen van de directrice. De onderdirectrice was erg streng. Om de haverklap werd er iemand ui t de eetzaal gestuurd. De sfeer in het kinderkamp werd grimmiger. Er waren geen spelzondagen meer. Het werd trouwens al te koud om nog te wandelen buiten. Ietje bibberde in haar dunne zomerjurkjes. Like mocht haar hoofddoekje niet meer om. Haar haren waren alweer gegroeid tot een jongenskopje. Het groeide het beter, dan met doekje om zo’n hele dag. De grote jongens moesten gras maaien, de wc’s schoonmaken en de paden harken. De jongens mopperden. Twee ervan gingen er vandoor. Het broertje van Iet je had een schuilhut gevonden, in de zandvlakte, helemaal onder de grond. Later zou dat een oorlogsmonument worden, omdat er onderduikers hadden gezeten. Toen de jongens dat op de zandverstuiving had gevonden, beraamden ze een plan om daar eten heen te brengen om er een paar dagen te blijven, gewoon voor het avontuur.
Like mocht niet meer met de kinderen helpen aankleden of voorlezen en ook niet meer aan de tafels bij de kleintjes komen zitten. Jan was al weg. Hij ging ook naar familie .Like miste hem erg, maar er was immers niets aan te doen. Ze werd door haar rebelse houding tegen de directrice naar het washok gestuurd. Ze liep naar het hek, waar de jongens vroegen, of ze ook brood had meegenomen voor hen.”Nee” zei Like verbouwereerd, “jullie zouden toch eerst eten daar brengen, ik ben trouwens voor straf weggestuurd, hoor, dus ik had toch niets kunnen verstoppen.” Maar de kok, die op de loer had gestaan, greep de beide belhamels in de kraag. Hij was woedend en gaf ze een pak slaag. Like liep hard weg naar het washok. "Het is erg gevaarlijk, in dat hol onder de grond, hoor” had de kok gezegd "er kunnen nog Duitse deserteurs in gegaan zijn en die kunnen nog wel schietwapens bij zich hebben. Jullie zijn erg onbezonnen geweest!” Als ze wegliepen, zouden ze naar een tuchtschool gestuurd worden en daar kwam je maar niet zo uit, om bij familie te wonen.
De kinderen uit Brabant werden met een grote vrachtauto, die helemaal dicht was, opgehaald en naar hun provincie gebracht. Sommige vertrouwde leidsters waren weg en ook veel kinderen. Like liep er met een gebogen hoofd bij. Lang en mager, een te korte rok, kort haar en lange benen, ze zag er niet erg leuk uit, maar had het zelf niet in de gaten. Wel vond ze het haar van Maria erg mooi, dik bruin lang en krullen. Gerda en Mieke waren mee gegaan naar Brabant, alleen Mieneke was er nog, maar die ging met haar broertje naar een oom en tante. Mieneke klemde zich aan Like vast. Maar de juf kwam gauw erbij. Toen kwam op een mooie droge herfstdag juf van der Ploegen een dagje in het kinderkamp terug. Dat was een verrassing voor Like, want ze riep Like meteen bij zich. “Ik kom je halen” zei ze. "Je gaat naar een neef van je, die woont in dezelfde straat als ik.” Like kreeg een kleur van schrik "mag ik echt met u mee?" vroeg ze. Ze kon het haast niet geloven.