12 augustus 2008
Boekfragment Potgieterlaan 7
Sytze van der Zee, Potgieterlaan 7. Een herinnering (Amsterdam 1997).
‘Hoewel de POD en de BS ons met rust laten, er vindt zelfs geen huiszoeking plaats, duiken we zekerheidshalve in ons eigen huis onder. We mogen volgens ons angstige moeder geen slapende honden wakker maken en dus moet de indruk gewekt worden gewekt alsof Potgieterlaan 7 niet meer bewoond is. Slechts het hatelijke plakkaat op het voorkamerraam ontbreekt. ’s Avonds maken we geen licht, niet in de eetkamer laat staan in de voorkamer, niet in de gang, niet in de slaapkamers, en we lopen op kousenvoeten door het huis. Buiten spelen doen we al helemaal niet meer.
We leven, hokken met ons vieren wekenlang in de keuken, op een gerafelde, mossige mat van drie bij drie meter, tussen het aanrecht en de keukentafel, waaraan we eten en spelen. Op het aanrecht staan twee petroleumstellen die zo’n stinkende walm verspreiden dat je ogen gaan tranen, maar mijn moeder kookt sowieso nauwelijks. Een enkele keer warmt ze een blik ’meat and vegetables’ op, lekkere brokken vlees met aardappelen en groente, hetzelfde voedsel dat de bevrijders eten. Heel vaak moeten Henri en ik met een aluminium pan zonder handvatten, die zijn afgebroken, naar Ons Gebouw aan de Havenstraat, naar de gaarkeuken. We hoeven er niet meer in de rij te staan, zoals in de laatste weken van de oorlog. Wie nu nog naar de gaarkeuken komt, is arm en verdacht. Normale mensen koken, zo goed en zo kwaad als het gaat, hun eigen potje.
Een man met op zijn hoofd en wit mutsje vol vetvlekken steekt een pollepel in een walmende ketel en kwakt een hap hete brij in onze pan. Het ruikt zuur en wat het is, weet ik niet. Wanneer ik een gezicht trek, snauwt de man: ‘Je mag blij zijn dat je te vreten krijgt, snotjong’, en hij gebaart dreigend met de lepel alsof hij de smurrieresten in mijn gezicht wil gooien. ‘Gebakken braaksel’ noemt Henri het eten van de centrale keuken, en het zou mij niets verbazen. De ene dag is het grijsgroen met dikke klonten, de volgende dag bruin met draderige stukjes, dan grijsbruingroen, net dikke soep, alles smaakt hetzelfde, aangebrand, smerig.
In feite maakt het niets uit. Ook wat mijn moeder ons voortzet, is afgezien van het blikvoedsel niet veel soeps. Glazige, paarsgrijze aardappelen, waaruit ze dikke pitten en de rotte plekken heeft moeten snijden, vaak bruine bonen en, in haar woorden, falderarie-jus, maar het smaakt naar gootwater.
Mijn vader lijkt in rook te zijn opgegaan en we maken ons grote zorgen. Misschien is hij wel dood. Mijn moeder probeert bij allerlei instanties aan de weet te komen waar hij kan zijn gebleven, maar overal vangt ze bot. De ene dag heet het dat hij in een kamp bij Crailo vastzit, de volgende dag in Naarden, weggestopt in een vochtige vestingkelder. Ook heeft iemand gehoord dat de POD alle NSB’ers op transport naar Duitsland heeft gesteld, daar zouden die lui in ieder geval thuishoren, in Moffrika. Het laatste bericht luidt dat ze hem ergens bij Laren hebben gedetineerd, in een grote loods midden in een bos niet ver van Blaricum. Ze zouden daar alle NSB’ers uit Hilversum hebben opgeborgen.
Met die vage beschrijving stapt mijn moeder die geen zin meer heeft de hele dag thuis te zitten piekeren, op de fiets. Ze heeft op deze warme lentemiddag een zomerjurk aangetrokken, geel met rode bloemen, rozen. Aan haar stuur bungelt het kartonnen koffertje dat ze bij de paraplubak had neergezet voor het geval dat mijn vader zou worden opgepakt, maar dat hij niet mocht meenemen. Op onze zoektocht, ik bij mijn moeder achter op de fiets, houdt Riek Hoogterp ons gezelschap. Ze is een slanke, elegante vrouw die betere tijden heeft gekend, nu gaat ze zuchtend en steunend door het leven. Tante Riek logeert op de Potgieterlaan bij haar ouders, oma en opa Bes, die zelf ook weer in twee piepkleine kamers bij een bejaarde heer inwonen. Ze heeft alles verloren, haar woning, haar huisraad, haar geld en haar man.
Meneer Hoogterp was lid van de NSB en hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, maar tante Riek heeft er geen idee van waar hij sinds zijn aanhouding zit, misschien ook in Laren. En ze klaagt bitter dat het een grote schande is wat ze hem aandoen. Iedereen weet dat hij helemaal niet het hoofdredacteurschap ambieerde en dat hij enkel de krant had willen redden. Hij was net zo lief gewoon landbouwredacteur gebleven. Sjoerd deed uiteindelijk niet meer dan zijn plicht, en zij voelt zich in de steek gelaten. ‘Hoeveel collega’s hij niet heeft geholpen!’ zegt ze boos. ‘Maar die hoor je nu niet meer, de mensen zijn zo ondankbaar’.
Mijn moeder gaat er niet op in, ze snapt absoluut niet waarom tante Riek zich zo opwindt: de tot hoofdredacteur gebombardeerde NSB’er bleef immers tot het bittere einde actief. Bovendien had hij de naam een felle te zijn, over wie de mensen spottend zeiden dat zijn initialen niet toevallig S.S. waren. Bij mijn vader ligt dat heel anders. Hij heeft tijdig voor de partij bedankt en het is hemeltergend, meent mijn moeder, dat ze hem nog vasthouden, hij had allang op vrije voeten moeten zijn. Maar tante Riek luistert niet, het interesseert haar niet.
Wat doet het er ook toe? Eens een NSB’er, altijd een NSB’er.
Pas na een lange zwerftocht door de bossen en over de heide rond Laren en Blaricum stuiten wij op een bouwvallige loods aan het einde van een mul bospad. De ramen zijn met planken dichtgespijkerd, in de bakstenen muur zitten kogelgaten. Mijn moeder en tante Riek zetten hun fiets tegen een boom en we kloppen op de deuren, op de planken voor de ramen, roepen, lopen om het gebouw heen, proberen de deuren open te trekken. Krekels zingen, vogels kwetteren, maar van gedetineerde NSB’ers geen spoor.
Een paar dagen later bereikt ons het bericht dat mijn vader in het kamp De Roskamp vlak bij Weesp vastzit. Langs het hoge prikkeldraadhek om de houten barakken patrouilleren zwartgehelmde mannen met geweren aan hun schouder. Er mag geen enkele twijfel over de status van dit kamp bestaan. Bij de ingang heeft zich een lange rij vrouwen en kinderen gevormd, de meesten zwaar bepakt en bezakt met uitpuilende tassen. De regen heeft het pad naar de Roskamp veranderd in een grijsbruine modderpoel waarin de bezoekers tot aan hun enkels wegzakken.
Niemand zegt iets, allen wachten vol spanning, tot eindelijk het hek openzwaait en een bewaker gebaart dat we binnen mogen komen, één voor één. Eerst controleren ze onze namen, en de man achter de tafel haast zich niet. Loom bladert hij door de lijsten met namen. ‘Za, Za, Zee, Van der Zee’ mompelt hij. Dan likt hij aan zijn anilinepotlood en zet een kruisje. Mijn moeder moet het kartonnen koffertje afgeven dat ze nu ook weer heeft meegesleept. Een norse bewaker krast er met een krijtje de naam van mijn vader op en gooit het op een grote stapel met tassen en pakjes, en ondanks haar protesten wil hij niet zeggen of ze het koffertje aan mijn vader zullen geven. Geprikkeld bijt hij haar toe door te lopen.
Een bewaker brengt ons naar een grote tent waar aan lange ruwhouten tafels mannen met kaalgeschoren hoofden zitten, onder wie mijn vader die ik eerst niet herken. Hij draagt zijn oude, versleten pak, zonder stropdas en boord, en ziet er goed uit, tanig, gezond. Op het oog gaat het er tamelijk ontspannen aan toe, breed lachend omhelst hij mijn huilende moeder, maar ik zie de spanning in zijn gezicht. Zijn mond lacht maar zijn ogen doen niet mee.
Ik heb van tabak uit sigarettenpeuken die ik op straat heb gevonden, een shaggie gerold. Zo doen andere peukenrapers het ook, en mijn vader toont zich blij verrast. ‘Ik rook hem straks’, zegt hij, en knuffelt mij. Van mijn moeder wil hij weten hoe het op de Potgieterlaan gaat, en zij antwoordt dat we kunnen overleven. We hebben te eten, het is geen vetpot, maar toch.’




