20 augustus 2008
Biografie - 1957-1976
Een kind
Ik ben geboren in een zwaargewond gezin. Natuurlijk wist ik dat toen niet. De jaren van mijn jeugd waren zoals jaren van een jeugd waren. Dacht ik. Mijn angstdromen en eenzaamheid, het stotteren, de zenuwen, de verlegenheid, het hoorde er gewoon bij. Zo was een jeugd nou eenmaal. Toch? Ik was een overgevoelig en angstig kind en had last van verschrikkelijke nachtmerries, die blijkbaar zo vaak voorkwamen en zo heftig waren dat mijn moeder daarvoor eens met me naar een kinderarts is gegaan. Wat daar uitkwam weet ik niet meer, ik geloof dat ik allergisch voor kapok was en een ander kussen kreeg, zoiets, en verder moesten we het nog maar eens een paar weekjes aankijken. Dat hebben we gedaan: tot op de dag van vandaag, hoewel veel minder frequent dan toen, heb ik last van verlammende angstdromen en nog altijd kan ik opeens 's nachts bezweet wakker worden en zo verstijfd zijn van angst dat ik niet naar de wc durf. En dan hebben we het over een man van een jaar of vijftig, 1.90 lang, 93 kilo zwaar en de vader van twee zonen.
Mijn hele leven heb ik allerlei psychosomatische aandoeningen gehad, waarvan een vorm van chronische hyperventilatie de hardnekkigste en lastigste was. Maar er was meer: mijn maag, mijn huid, mijn keel, mijn stem, mijn ogen, alles heeft op zijn beurt opgespeeld en een aangenaam leven behoorlijk in de weg gezeten. Naarmate de jaren vorderden, werd ik me steeds bewuster van hoe ik me voelde van binnen en zo ontkwam ik er niet aan de conclusie te trekken dat ik gewoon psychisch niet in orde was. Nu ik aangenomen heb dat het dramatische huwelijk van mijn ouders en de chaos in ons gezin daar debet aan zijn, heb ik besloten het allemaal op papier te zetten. Ik heb het aangenomen, zeg ik, want ik ben er niet zeker van. Het zou immers ook kunnen dat ik gewoon paniekerig geboren ben, dat het gewoon in mijn DNA zit? Hoe komt het dat ik ben wie ik ben, dat ik me voel zoals ik me voel? Nature of nurture, zo geboren of zo getogen?
Een oorlog
Om te beginnen was er natuurlijk die oorlog, die twaalf jaar voor mijn geboorte eindigde. Wat weet ik er van? Niet veel. Mijn ouders zijn aan het begin ervan getrouwd, mijn vader in een prachtig uniform, zijn kersverse echtgenote in adoratie aan zijn zijde. We hebben er één foto van - zwart-wit natuurlijk - dat wil zeggen, mijn broer heeft die. Soms staat die bij hem op de piano, maar meestal niet. Mijn moeder is daar het stralende middelpunt op, met om haar heen veel witte bloemen en zwarte militairen. Ik weet niet wat voor uniform mijn vader daar draagt, vermoedelijk is het van de Waffen-SS, wat iets anders is dan de SS zoals wij die kennen uit de vele films, is mij verteld. De Waffen-SS was niet meer dan de benaming van een legeronderdeel en stond als zodanig los van de echte SS. Dus zo erg was het niet, werd daar waarschijnlijk mee bedoeld.
Ik heb me niet in de oorlog en het oorlogsverleden van mijn ouders verdiept en zal me er ook niet in verdiepen. Daar heb ik die broer voor. Zijn studentenkamer hing destijds vol met foto's van de holocaust en met gewonde geestdrift las hij alles wat er over het onderwerp te lezen was. Enige decennia daarna heeft hij een in mijn ogen schitterend nuancerend boek over de oorlog en de rol der Nederlanders daarin geschreven, wat veel stof heeft doen opwaaien. De Jong schreef zijn dikke delen vanuit zijn joodse achtergrond, worstelend met beoogde objectiviteit, en net zo heeft mijn broer zijn bijdrage geleverd, zijnde de zoon van een hoge NSB-er. Straks als iedereen dood is zal iemand waarschijnlijk een nog betere poging doen de waarheid op te tekenen.
Dat de oorlog zo'n invloed op ons leven had, wist ik als kind nauwelijks. De overbuurvrouw schold me weliswaar uit voor moffenjong maar dat kwam me niet erger of pijnlijker voor dan klootzak of lul. Wel voelde ik de moeizame spanning die er was als ik met mijn buurjongen - nu directeur van een groot veilinghuis - mee naar onze gezamenlijke achterburen ging. Beleefd en bedeesd moest er dan altijd door hem gevraagd worden of ik ook naar binnen mocht. Vaak werd daar dan wel toestemming voor gegeven, maar pas na lang aarzelen en pijnlijke blikken. Ik had nauwelijks een idee waarom dat was.
Toch kwam ik daar graag. Misschien was dat ook vanwege die vreemde spanning, maar de schoonheid van de dochter des huizes speelde vermoedelijk een grotere rol. Ik zie haar nog met haar benen onder zich opgetrokken op de bank zo ongelofelijk mooi en aantrekkelijk zitten te wezen dat het mij dodelijk verlegen maakte. Ik geloof niet dat ik ooit iets tegen haar gezegd heb.
Die achterburen waren Joodse mensen, zo fluisterde men wel eens om mij heen, en daar had het allemaal mee te maken. Dat klonk nogal uitverkoren, vond ik, blijkbaar was Joods zijn heel wat en mocht je daar dan niet zomaar over de vloer komen. De man was directeur van een grote krant en zijn vrouw, in mijn herinnering een nogal wereldse knappe vrouw, had op een gegeven moment opeens zelfmoord gepleegd. Ze werd met lege pillenstrips en een halve fles whisky in het bos aangetroffen. Het was voor mij toen weinig meer dan een verbazingwekkende sensatie, iets dat weer zo'n bijzondere spanning opwekte omdat iedereen heel ernstig werd als er over gesproken werd. Ik weet ook nog dat ik concludeerde dat zelfmoord per definitie toch een eigen keuze was, dus niet zo erg, en fantaseerde erover hoe ik de dochter troostte.
Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot Joodse mensen en vond Joodse meisjes aantrekkelijker dan andere, maar ik ben nooit met één in de liefde verbonden geweest, niet echt. Wel ziet mijn vrouw er erg Joods uit, terwijl ze het niet is. Een compromis, zeg maar.
Mijn vader heeft in de oorlog - strikt gesproken - een unieke combinatie van onderscheidingen opgedaan. De vaderlandse luchtmacht, waar hij voor vloog en vocht, kreeg voor een poging tot verdediging van ons land in 1940 als geheel de Militaire Willemsorde en zelf scoorde hij het IJzeren Kruis door onze oosterburen een handje toe te steken aan het Oostfront, een aantal jaren later, en daar gewond te raken. Van die periode restte bij ons op zolder een grote koffer met letterlijk duizenden brieven van de twee geliefden die elkaar smartelijk misten, alsmede een sierzwaard dat wij een enkele keer angstig uit de schede haalden. Het was een vlijmscherp symbool van een duister verleden.
Dat mijn vader aanvankelijk 'gewoon' tegen de Duitsers heeft gevochten wou nooit iemand geloven, omdat dat niet in het plaatje paste. Zo kwam mijn gehele jeugd elke woensdag een 'oom' bij ons langs, die na een half uurtje zwijgend met mijn moeder gepraat te hebben weer vertrok en deze man schreef kort voor zijn dood, vele jaren later, een bitter en kansarm boekje dat hij in een aantal exemplaren in eigen beheer uitgaf en waarin hij beschreef hoe hij bij de invasie in 1940 als soldaat hard gestreden had tegen de Duitsers, terwijl er velen om hem heen waren geweest die angstig het hazenpad hadden kozen, diezelfden die hem na de oorlog met de nek aankeken en meer dan dat. Ik begreep dat ook deze man lid van de NSB was geweest en dat hij bij ons een zeldzaam welkom vond.
Mijn vader zat na de oorlog - hij was hoofd van de Landwacht in Zuid-Holland geweest - een flink aantal jaren in de gevangenis. Hij schijnt zijn tijd in stukjes te hebben uitgezeten door regelmatig te ontsnappen, om ook weer opgepakt te worden of zich weer aan te geven. Eén keer heeft hij zelfs het etablissement weten te verlaten in een gestolen monnikspij, een gebeurtenis die door mijn moeder met trots en veel gevoel voor katholiek theater verhaald werd. Zij is haar hele leven trots op de man geweest en heeft hem altijd bewonderd, daarbij altijd keurig aantekenend dat zijn carrière in de oorlog natuurlijk een grote fout was geweest waarvan ze hem met alle macht had proberen te weerhouden.
Tussen de jaren gevangenis door slaagde mijn vader er in bij haar een flink aantal kinderen te verwekken en toen zij het respectabele aantal van zes hadden bereikt, de straf was uitgezeten en er jaren van rust dreigden aan te breken, meende hij het te moeten aanleggen met haar beste vriendin, waarop zij hem verzocht het huis te verlaten. Dat deed hij, om nooit meer terug te keren. Ik was vijf jaar oud en zou de man meer dan twintig jaar niet meer zien.
Een gezin
Ons gezin bestond op dat moment uit twee meisjes in de pubertijd, een jongen van zeven, een jongen van vijf - ik dus - en een tweeling die net geboren was, ook allebei jongens.Gelukkig had mijn moeder geen enkel talent voor organisatie, koken en huishouden, zodat de chaos compleet helder en definitief was.
De vrouw had in 1938 op zestienjarige leeftijd gedebuteerd als romanschrijfster, met succes schijnt het, en het leek er op dat zij een gouden toekomst tegemoet ging. Door een wereldoorlog, zes kinderen en een mislukt huwelijk kwam het schrijverschap echter niet van de grond en hoewel er na die eersteling nog wel een en ander van haar werd gepubliceerd, was zij in mijn jeugd niet meer dan iemand die ooit schrijfster was geweest en altijd maar ploeterde met een los verhaal of een novelle die er nooit kwam.
Hoewel zij van haar kinderen hield en ons, toen we klein waren, goed behandelde en, vooral dat, respecteerde alsof we volwassenen waren, was er in ons gezin geen tijd en ruimte voor het normale opvoedingspakket. Tafelmanieren, beleefdheid, hygiëne, ik heb van dat alles nooit iets mogen meekrijgen. Mijn eerste echte vriendin heeft mij er bijvoorbeeld vele jaren later op moeten wijzen dat ik mij zelve moest reinigen na de wc te hebben bezocht, iets waar ik, uiteraard, met terugwerkende kracht nog regelmatig opvliegers van schaamte over krijg. De kleren die ik droeg waren vaak vies en oud, mijn nagels zwart en ik kan mij nauwelijks herinneren dat ik in die periode mijn tanden heb gepoetst. De beugel om mijn tanden recht te zetten heb ik mij laten aanmeten toen ik eind twintig was, en zo was er nog het een en ander.
Wel werd ik uitvoerig en geestdriftig bijgestaan als ik niet uit de vertaling van een Latijnse zin kwam, sleepte mijn moeder ons mee naar alle kathedralen in Frankrijk en hadden Goethe, Boutens en Garcia Lorca de eer voortdurend aangehaald en geciteerd te worden. Ik woonde namelijk in een intellectueel gezin, waar het leven draaide om taal, cultuur en geestelijk leven. Het zal wel daarom zijn dat ik na mijn mislukte studie nog maar zeer zelden een boek las en veel voor de televisie heb gewerkt, met het lichte genre als duidelijke specialisatie. Later kwam ik er ook achter dat ik nauwelijks ben aangeraakt in mijn jeugd. Er was geen fysiek contact. Dat was niet uit kilte, maar gewoon omdat het er niet was. Het hoorde misschien ook bij de tijd, maar het was ook zeker mijn moeder. Haar liefde was praten, weten, denken.
Tussen mijn vijfde en mijn tiende jaar had ik eigenlijk drie moeders, mijn echte en mijn twee grote zussen, en dus geen vader. De vrouwen waren bepaald niet gelukkig. Mijn zusters werden gedegradeerd, naar ik heb begrepen - na jaren slordig behandeld te zijn door hun en mijn vader - tot huissloofjes, die moesten opdraaien voor de onverschillige rommeligheid van hun kleine broertjes, die van hun moeder niets hoefden te doen in het huishouden omdat ze nou eenmaal van het mannelijke geslacht waren. Mijn oudste nogal knappe zuster trouwde zo snel mogelijk en verliet ijlings het gezin. Gelukkig trof zij een fantastische man die tot op de dag van vandaag van haar houdt en lief voor haar is en samen kregen zij drie leuke zonen. Ondanks dat alles is zij iemand geworden die vol diep verdriet zit dat zij probeert weg te drukken met een wat krampachtig positieve levenshouding. Als ik bij haar ben in Spanje hoor ik haar echter vaak, na aan avond wijn drinken en herhalen dat het leven eenmaal gaat zoals het gaat en dat daar toch niks aan te doen is, 's nachts opstaan en door het huis rommelen. Misschien is zij stilletjes nog wel het meest gewond van ons allen.
De zuster die onder haar komt heeft nog geruime tijd in de chaos van ons gezin doorgebracht en was aanvankelijk voor mij een baken, omdat zij oog en oor had voor mijn kwetsbare gevoeligheid. Na een flinke hoeveelheid mannen is zij uiteindelijk bij een volgzame en ruimhartige psychotherapeut terechtgekomen, die niet heeft kunnen verhinderen dat zij zo boos op het leven is dat zij veel mensen, waaronder een groot aantal van haar familieleden, van zich afgestoten heeft en nog immer van zich afstoot. Daar waar mijn oudere zuster al haar gevoelens relativeert, relativeert de tweede helemaal nooit iets. Zo heb ik het opgewekte en het gevoelige van mijn twee lieve zusters steeds verder zien veranderen in intens verdriet en bittere boosheid. Het lijkt alsof ook bij het naarmate de jaren vorderen, het hun lichamen aan kracht ontbreekt om de wonden dicht te houden.
De derde vrouw in huis, of eigenlijk de eerste, was dus die treurende moeder, die vanwege het verlies van haar grote liefde, zich op dramatische wijze door het leven heen probeerde te slaan. Het grootste gedeelte van mijn bewuste jeugd heb ik doorgebracht met haar en mijn drie broers. De jongere zuster ging, uiteraard, van alles studeren en was, godzijdank voor mij, nog wel in de buurt, maar in het dagelijkse leven was het de moeder met haar vier zonen geworden, waarvan ik dus op een na oudste was. Vanwege mijn kwetsbaarheid had ik het gevoel haar lievelingetje te zijn, maar waarschijnlijk hadden de andere drie dat gevoel ook, wat aantoont waar haar kwaliteit lag. Want verder was het, zoals gezegd, niet veel soeps: het huis was vies, net als het eten, de sfeer was beladen, er was ontzettend veel ruzie en zaken en dingen waren slecht of rommelig geregeld.
Op latere leeftijd haalde mijn moeder na elf mislukte pogingen bij het twaalfde examen haar rijbewijs en schafte zich een tweedehands DAF 44 aan. Daarmee gingen we op vakantie. Tot mijn veertigste, ruim, heb ik bij de aanvang van elke reis, hoe kort ook, een aanval van overweldigende nervositeit gekregen, brak mij een dag voor vertrek al het zweet volledig uit en ben ik altijd op weg gegaan met een wild bonzend hart, volstrekt vanuit een Pavloviaanse reactie. Als mijn moeder namelijk had gepland om op dinsdag te vertrekken, vóór 9 uur - hier is echt geen woord van overdreven - dan vertrokken we uiteindelijk op woensdag om half drie 's middags, na 36 uur van complete stress en paniek. De DAF zat dan afgeladen vol, met koffers, tasjes, zakjes, spelletjes, boeken en noem maar op, en ik zie nog voor me hoe op een van de eerste reizen bij de eerste bocht een open pak vanillevla een flink deel van zijn inhoud over de slaapzakken achterin uitgoot. Ik sloot de ogen en deed alsof ik er niet was.
Mijn moeder kon niet rijden en geen tent opzetten, toch reden wij dwars door heel Frankrijk naar de Pyreneeën om daar een poging tot kamperen te doen, in de bloedhitte en de altijd voortdurende stress. Onderweg maakten wij uiteraard constant ruzie, niet alleen, denk ik, omdat jongens nou eenmaal ruzie maken, maar ook omdat het kleine compartiment gevuld was met angst, verdriet en frustratie, over wat het leven, lees mijn vader, haar en ons had aangedaan. Vakantie is voor mij tot voor redelijk kort altijd een jaarlijkse straf geweest, iets waar je je doorheen moest worstelen, omdat het er nou eenmaal bij hoort, en het gevoel van paniek en chaos dat daarbij hoorde was symbolisch voor hoe ik mijn hele jeugd heb ervaren.
Een dorp
Het huis waar we in woonden was gelegen in het rijke gedeelte van een chique dorp vlakbij Utrecht. Het was er altijd koud, misschien omdat verwarming duur was en wij weinig geld hadden, maar misschien nog meer omdat dat hoorde bij het culturele en intellectuele milieu. Een intellectueel woont niet comfortabel en warm gestookt, doet zich niet tegoed aan champagne en gebraad, nee, hij leest en leest, gezeten op een rechte houten stoel, met de kachel uit en het raam wijd open, water drinkend of kauwend op een stuk oud abdijbrood. Later ben ik regelmatig mensen tegen gekomen die opkeken naar Universitair geschoolden en het duurde even voordat ik überhaupt kon geloven dat ze dat echt deden. Voor mij behoort een intellectueel veel eerder tot een minderwaardige soort, is het een dor, emotioneel geremd en aseksueel persoon, waar je beter maar niet bij in de buurt kan komen, omdat hij niets anders heeft te geven heeft dan kille karigheid.
Financieel was de breuk tussen mijn ouders slecht geregeld. Pas dertig jaar nadat het mis was gegaan scheidden zij officieel en voorafgaande aan dat moment stuurde mijn vader vanuit zijn villa in Italië, waar hij woonde met zijn nieuwe vrouw, geld naar zijn gezin in Nederland. Of hij stuurde het niet, dat kwam ook voor. Dan moest mijn moeder naar iemand van haar schoonfamilie om te klagen, werd er wat heen en weer gebeld en kwam het meestal wel weer goed, maar dan toch pas na een aantal weken van tobberige zorgelijkheid en schaamtevolle armetierigheid. Van echte armoede was geen sprake - honger hebben we nooit geleden - maar vakanties waren er lange tijd niet of nauwelijks bij en onze kerstkalkoen was altijd een goedkope kip.
Om het contrast aan te scherpen woonden om ons heen de welgestelden, met een paar straten verderop de echt rijken. Daar woonden jongens van mijn leeftijd die altijd cola in de ijskast hadden staan en hockeysticks hadden van het merk Karachi Super King. Ik kende zelfs via via iemand waar ze thuis een zwembad hadden en de enkele keer dat ik daar over de vloer kwam gedroeg ik me als een verlegen boerenkinkel die blij mocht zijn dat hij mee naar binnen was geglipt. Ik werd dan ook niet geapprecieerd in dat clubje uitverkorenen. Ik zat niet op de goeie school, hockeyde niet en was bedeesd en verlegen. Weg ermee.
Ongeveer twintig jaar later benaderde een tweetal van deze door mij net zo gehate als benijdde jongens mij na afloop van een succesvolle voorstelling van de cabaretgroep die ik had opgericht en terwijl ze mij verlegen feliciteerden met de hilarische avond deed ik, net niet hooghartig, alsof ik me de heren niet meer dan vaag herinnerde. Dat was een nog grotere triomf dan de voorstelling.
Een vrouw
Het verdriet van mijn moeder is mij in mijn jeugd heel dichtbij gekomen. Omdat ik dus erg angstig was en zij het altijd koud had, sliep ik tot op vrij hoge leeftijd bij haar in bed, als haar kacheltje, zoals zij dat noemde, en dat voelde met terugwerkende kracht toch wel alsof ik haar mannelijke doekje voor het bloeden was. Mijn moeder had zo nu en dan nog wel eens een vage man, maar toen we klein waren vonden we dat niet fijn en deed ze hem voor ons weer weg. Ze offerde zich op voor ons. En dat wisten we.
Mijn intimiteit met haar en de mix van gevoeligheid, onzekerheid, energie en de opvoeding door drie vrouwen heeft mij gevoelig gemaakt voor de aantrekkingskracht van de andere sekse. Als ventje van vijf jaar oud meldde ik op een avond dat ik vroeg naar bed wilde omdat ik had begrepen dat de volgende dag mijn favoriete oppas zou komen. Ik wilde er dan goed uitgerust uitzien, zei ik. Een jaar later werd ik verliefd op een meisje uit mijn klas - zij woonde in een groot rijk huis met tennisbaan - en die liefde ben ik zes jaar trouw gebleven. Zij wilde niet veel van mij weten en deed of ik lucht was - dat was ik ook, daar kon ik het volstrekt mee eens zijn, dus ik kwam niet in opstand - totdat we ook naar dezelfde middelbare school gingen en ik, om de een of andere reden, interessanter voor haar werd, waarop mijn liefde voor haar snel doofde. Of dat was omdat zij nu opeens zu haben was of omdat zij, net als ik trouwens, fysiek laat rijp was en platborst 69 werd genoemd, weet ik niet. Het zal allebei een rol hebben gespeeld.
Toen ik een jaar of twaalf was kreeg ik mijn eerste seksuele gevoelens en dat maakte het er allemaal niet gemakkelijker op. Jongens om mij heen waren - zo kwam het op mij over - enorm geschapen en hadden overal haar, terwijl ik nog het kleine kale piemeltje van een kind had. En het zag er ook nog anders uit dan bij anderen. Op negenjarige leeftijd was ik namelijk besneden, omdat mijn voorhuid niet kon worden teruggetrokken. Geloof ik. Was het daarom? Ik weet het niet meer. Misschien kon dat niet omdat ik het toen voor het eerst probeerde en het daarom niet lukte? Er was immers geen vader in huis die mij dat ooit had voorgedaan of mij er op had gewezen dat dat de bedoeling was?
Ook de besnijdenis heeft invloed op mijn leven gehad. Pas onlangs ben ik er achter gekomen dat er verschillende soorten zijn, waarbij die van mij de meest volledige is. Gevolg daarvan is dat het gevoelige gedeelte dag en nacht bloot ligt en daarom veel minder gevoelig is, waardoor condoomgebruik geen zin heeft. Met rubber erover heen voel ik niets meer en is de vrijpartij snel afgelopen, wat absoluut een nadeel mag heten in deze tijd.
Mijn romantische verliefdheden kregen nu een sterk broeierige onder- of, zeg maar, boventoon en ik raakte erg op vrouwen gericht. Al snel merkte ik dat ik vrij goed met ze om kon gaan. Ze praatten graag en bij voorkeur over zaken waar die overgevoelige jongen ook wel raad mee wist: emoties, muziek, kleding en meer van dergelijke zaken. Met de volwassen buurvrouw luisterde ik naar jazz en haar voorzag ik als ze uitging van kledingadviezen, om met het vier jaar oudere overbuurmeisje op haar kamer over van alles en nog wat te praten terwijl ze haar haar deed of zich aan- of uitkleedde, waarbij ze me echter en helaas op de hoogtepunten altijd de kamer uitstuurde. Ik voelde dat vrouwen de wezens waren waar het geluk te halen was, fantaseerde er lustig op los en hoopte op een spoedige ontmaagding.
Er waren echter ook flinke remmingen. Ik was nerveus en verlegen en omdat voor mijn moeder seksualiteit uitsluitend liefde en poëzie was en er een dierlijkheid in mij ontwaakt was die daar heel ver van afstond, bezorgde mij dat een groot schuldgevoel, dat nog enige decennia heeft doorgewoekerd. Wat ik wou en waar ik over fantaseerde, daar was niets liefdevols of poëtisch aan en helaas had ik geen vader die me gerust kon stellen ten aanzien van die vuige gedachten en gevoelens. En mijn twee jaar oudere broer was toen helaas nog te weinig man om die leegte te kunnen opvullen.
Op het eind van mijn middelbare schooltijd kwam ik, omdat ik nogal lang was, in aanmerking voor een beeldschoon meisje dat ook nogal uit de kluiten was gewassen en zij kleedde zich, tussen de eindexamenfeesten door, op mijn zolderkamertje geheel voor mij uit en stelde zich met haar prachtige lichaam volledig beschikbaar. Omdat wij allebei onervaren waren en zij als de mooiste plank ter wereld stram op het bed bleef liggen, slaagde ik er niet in het geheel volgens de tradities van het liefdesspel te laten verlopen en uit schaamte deed ik of in slaap was gevallen. Wat zij ook aan me schudde of trok, ik was in diepe slaap. Zij vertrok als een maagd in de nacht en ik heb haar nooit meer teruggezien.
Ik werd dagelijks bijna letterlijk verteerd door verlangen naar en bewondering voor de schoonheid, elegantie en verleidelijkheid van vrouwen. Toen ik heel jong was, uitte die liefde zich romantisch, daarna werd het seksueel en naarmate ik ouder werd groeide er een aangename combinatie van de twee. Het problematische gedeelte van deze liefde lag in de toch bijna symbiotische relatie die ik met mijn moeder had. Ik had het overweldigende gevoel dat ik haar gelukkig moest maken - omdat die egoïst in Italië dat niet deed - en projecteerde dat op de vrouwen waarmee ik later een relatie kreeg. Het had natuurlijk veel moois en genoeglijks, een jongen of man die niets liever wou dan zijn vrouw gelukkig maken, maar er zat een krachtige andere kant aan, en die was een stuk minder plezierig. De vrouwen die het object werden van mijn projecties kregen ook te maken met het ingewikkelde fenomeen dat ze wel van me moesten houden maar dat niet mochten laten blijken. Als ze dat wel deden, werd het serieus, en veranderden ze op slag in mijn moeder, kreeg ik het benauwd, werd bozig en dwars en liep weg als een puber.
Een gebrek
Als ik eerder in de avond wakker werd en mijn moeder was nog op, dan mocht ik beneden bij haar komen zitten bij het straalkacheltje - de verwarming stond immers uit - en dan keken wij samen naar de televisie. In zwart-wit - aanvankelijk was er slechts één net, pas later kwam daar een tweede bij - maakte ik kennis met films met Alec Guinnes, Edward G. Robinson, Heinz Rühmann en Fernandel en ik zag dat je in een fantasiewereld iemand anders kon zijn, wat mij zeer aansprak.
Zo gebeurde het dat ik op de lagere school Jozef mocht spelen in het kerstspel en later met Pasen werd ik gecast voor Judas. Het waren beide zwijgende rollen. In de eerste hoefde ik alleen maar te knielen bij de kribbe en heilig te kijken, maar de andere rol had ik zelf iets extra's meegegeven door voortdurend met een buidel met geldstukken te rammelen en daar gemeen bij te grinniken. Na die ervaring besloot ik dat ik acteur wilde worden. Ik was zes jaar oud.
Wie het maar horen wilde, vertelde ik het: ik word acteur. Ik merkte dat men het voornemen alleen al interessant vond en dat gaf me het gevoel dat ik op de goede weg was. Een acteur oogstte bewondering en had succes bij de vrouwen. Dat was het, dat moest en zou ik later worden. De kink in de kabel kwam toen de moeder van een schoolvriendje van me op mijn mededeling reageerde met: 'Maar je stottert toch? Hoe kan je dan acteur worden?'
Stotterde ik? Ja, ik stotterde. Het was een onderdeel van het hele pakket intense onzekerheid waar ik eigenlijk al aan gewend was. Ik had nachtmerries, sliep kort en slecht, stotterde, had zweethanden, zweetvoeten, noem maar op, maar zo was het leven toch? Had niet iedereen dat? En had stotteren iets te maken met acteur worden? Nee, besloot ik. Ik stotterde als ik niet wist wat ik moest zeggen, of bang was niet aan het woord te komen en een acteur had zijn tekst en wie wanneer wat zei was geregisseerd, geen zorgen dus. Ik meldde mij aan bij een chique dame in een duur huis, die erg belangrijk was, omdat zij regisseerde bij het toneelclubje van de koningin, de moeder van de huidige, en ik mocht bij haar thuis auditie doen. Blijkbaar verliep die succesvol genoeg en niet lang daarna speelde ik de jonge Scrooge in The Christmas Carol, waarbij ik niet stotterde, geen seconde.
Toch werd het probleem groter naarmate ik ouder werd. Mijn onzekerheid groeide en mijn gebrek werd steeds opdringeriger. Bij een volgende auditie voor de belangrijke mevrouw, voor een nieuw stuk, verliet ik voordat ik aan de beurt was de zaal met vreselijke maagpijnen. Ik was opeens bang geworden. Later, toen ik zeventien was en het schooltoneelstuk organiseerde, waarin ik zelf de lead zou spelen, werd ik twee weken voor de première zodanig verlamd door stotterangst, dat ik de rol op het laatste moment heb afgestaan aan een jongen van een lagere klas. Het was een vernedering die een wond geslagen heeft die nooit meer geheeld is. Bij vermoeidheid, paniek of onzekerheid kan ik nog steeds overvallen worden door de angst niet meer uit mijn woorden te kunnen komen.
Mijn onzekerheid vond wel weer zijn weg in andere creativiteit. Voor een grote liefde uit mijn schooltijd maakte ik samen met een boezemvriend - nu een bekende acteur - een boekwerk vol collages, tekeningen en gedichten. Samen adoreerden wij haar, waarbij hij het blijkbaar accepteerde dat ik de mogelijke minnaar was en hij het derde wiel aan de wagen. Waarschijnlijk zag hij nog minder dan ik een aantrekkelijke persoon in zichzelf, wat misschien te maken had met zijn iets meer dan normale omvang, iets waar hij later als acteur juist weer veel werk om gekregen heeft.
Toen het besef gekomen was dat ik waarschijnlijk het beroep waar ik van droomde niet kon gaan uitoefenen omdat ik een spraakgebrek had, stortte ik mij op het schrijven. Toen ik vijftien was schreef ik mijn eerste toneelstuk. Het was slechts tien pagina's lang en ging over een gewone familie, waarin niets gebeurde, helemaal niets, waarbij de wens waarschijnlijk de vader van deze kapitale dramatische dwaling was. Ik nam mij voor theaterwetenschappen te gaan studeren en een groot dramaturg en schrijver te worden.
Ik schreef als een bezetene en heb dat eigenlijk, in meer of mindere mate, mijn hele leven vol gehouden. Zelfs in militaire dienst, veel later, sloot ik mij op, terwijl de maats aan het drinken waren, in het kantoortje van de sergeant om toneel te schrijven. Ik schreef het ene stuk na het andere.
Het stotteren was in de pubertijd veel en veel erger geworden. Op school durfde ik niet voor te lezen, bleef steken als mij iets gevraagd werd en als ik me ergens op een nieuw adres als babysitter liet inhuren toonde ik bij binnenkomst een briefje waar mijn naam op stond, omdat ik bang was die niet te kunnen uitspreken. Dat was immers iets waar je niet een ander woord voor kon kiezen? Ik was zeer bedreven geraakt in het snel vinden van synoniemen: als de angst voor een woord mij greep, koos ik snel een ander. Met de eigen naam ging dat niet, dus ik toonde het briefje en legde dan omstandig uit dat ik een weddenschap had met een vriend dat ik een maand mijn eigen naam niet zou zeggen. Of ik daar bij stotterde weet ik niet meer.
Later, toen ik ging studeren en in een geheel nieuwe omgeving kwam, verving ik mijn roepnaam door mijn tweede voornaam, die voor een stotteraar veel makkelijker uit te spreken was, omdat die praktisch alleen maar uit klinkers bestaat en de moeilijkheid 'm juist zit in de harde medeklinkers, zoals de P, de B en de K. De angst om er niet uit te komen bleef echter, en is eigenlijk nooit helemaal uit mijn lijf verdwenen.
Een scholier
Inmiddels zat ik op het gymnasium. Mijn moeder had me daarheen gestuurd, tegen de adviezen van het lerarencorps in, die in mij niets meer dan een havo-klantje zagen. Het leek er op dat de specialisten gelijk gingen krijgen want aanvankelijk ging het dan ook totaal niet. In de tweede klas dreigde ik onherroepelijk te blijven zitten en mijn moeder haalde mij - tegen de wet op de leerplicht in - met Pasen van school, om mij voor drie maanden - ferm in strijd met het kinderwetje van Houten - te werk te stellen in een autowasplaats. Toen ik in drie maanden een dikke duizend auto's had gewassen zei ze tegen me: 'Als je niks op school doet, doe je dat soort werk de rest van je leven.' Vijf jaar later slaagde ik voor het eindexamen gymnasium alpha.
Als de nood hoog was, bleek de vrouw, die zo ploeterde met het huishouden en onze opvoeding, dus een stuk sterker dan ze zich altijd voordeed. Misschien maakt dat mijn verwijt - dat naar mijn idee rustig mag bestaan naast alle waardering voor het levenswerk dat zij verricht heeft - alleen maar groter: waarom heeft zij in godsnaam met die man, in die bizarre situatie destijds, zes kinderen op de wereld gezet?
Ik moet in die tijd, door overschreeuwde verlegenheid, een lastig en gefrustreerd jongetje zijn geweest. Daardoor werd ik veel uit de klas gestuurd - op de lagere school had ik zelfs wegens wangedrag in de vijfde klas een heel jaar bij het strenge hoofd van de school achter in de zesde doorgebracht - en kwam ik voortdurend met alles en iedereen in conflict, wat echter op zich wel passend was bij het tijdsgewricht. Mijn middelbare schooltijd vond namelijk plaats in de jaren zeventig en de chaos thuis zette zich daar voort. Hysterische democratisering en een krampachtig losse moraal maakte het de eerste jaren daar tot een complete farce: leraren huilden voor de klas, waren dronken, zaten aan de borsten van de meisjes en bij de vriendelijk aangeboden bijles wiskunde die een van de paters mij bereid was te geven, werd het hoogste gedeelte van de binnenkant van mijn linkerbeen uitvoerig en teder gestreeld. Na de les hadden wij een fijn gesprek over masturbatie. Deze pater wilde met mij ook nog wel eens een weekje kamperen, maar mijn moeder had het door en stak er een stokje voor, wederom inzicht en kracht tonend.
Na mijn debacle rond het schooltoneelstuk richtte ik mij dan maar op de schoolkrant. De stukjes die ik schreef hadden niet veel om het lijf, omdat ik te onrustig was om me lang op iets te concentreren, maar ook omdat ik het eigenlijk niet wilde. Glitter en glamour wilde ik, een groots en meeslepend leven, en dat had niets te maken met stencilen en uren achter een schrijfmachine zitten. Over mijn toekomst dacht ik dus maar niet na of durfde ik niet na te denken. Eerst maar eens die school afmaken en dan zouden we wel verder zien.
Bij mijn eindexamen richtte ik mij na het uitreiken van de diploma's tot mijn leraar Grieks en Latijn die ik als een vader adoreerde, om hem te bedanken voor de zes lange jaren dat ik les van hem had gehad. Nadat ik mijn vriendelijke en warme woorden had gesproken, meende hij te moeten opmerken dat hij al die tijd een verschrikkelijke hekel aan me had gehad. Ik was te beduusd om te reageren.
Zo liep mijn jeugd ten einde en maakte ik mij op om het grote leven in te duiken. Ik verheugde me er op weg te gaan bij die treurende vrouw die mij op mijn zenuwen werkte en van wie ik het vreselijk benauwd kreeg. Aldus schreef ik mij in voor de studie Nederlandse Taal en Letterkunde en meldde mij aan bij een studentencorps. Dat was immers waar veel jongens die ik kende en tegen op keek ook naar toe gingen.
Ik was een bang en hulpeloos kind dat moest gaan doen alsof het volwassen aan het worden was.





