Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

20 augustus 2008

Boskamp, Huis ter Heide

Interview van Netty Krook met Mia Dietvorst uit 2002

  • groep kinderen augustus 1946

    groep kinderen augustus 1946

Oorlog
Tijdens de oorlog woonde het gezin Bothof tot 1944 in Deventer. Mia was een echt vaderskind. Ze vertelt: ‘Vader was gek van uniformen, moeder was een meeloper’. Thuis gold het motto: je bemoeit je nergens mee, alles wat hier besproken wordt houd je voor je. Mia: ‘Toch ben ik er nog steeds niet van overtuigd dat ik foute ouders had. Voor mijn vader, hij was dertig jaar toen hij tot de NSB toetrad, was het een manier om met politiek bezig te zijn. Hij is eigenlijk altijd een uniformgek geweest. Die hetze tegen NSB’ers en hun kinderen was algemeen. Er werd geen enkel onderscheid gemaakt, terwijl mijn vader absoluut geen hekel aan joden had. Hij had zelfs een joodse vriend’.
De familie, vader, moeder en vier kinderen vertrok in 1944, opgejaagd, op de fiets, vader op de bakfiets, waarop koffers en kleren, naar Nieuwe Pekela. Aanvankelijk woonden ze bij een assistent van vader in huis, later woonden ze in een eigen huis op zichzelf.

Internering
Toen vader zich na de oorlog in Nieuwe Pekela meldde werd de rest van het gezin in dezelfde plaats geïnterneerd op een boerderij. ‘We sliepen in het stro en we werden daar door de B.S. verhoord’. Vader en moeder werden overgebracht naar de Brinkgreveschool in Deventer en de kinderen kwamen op de landbouwschool in Rollercate terecht. Daar vond Mia, oh wonder, haar mooie schildpadpop terug, die destijds in Deventer was achtergebleven. Deze troostvolle hereniging kostte ‘één dag geen eten’ als straf, maar daar gaf ze niks om. Zó blij was met haar pop Corrie. Van daar uit werd haar oudste broer Gerrit in een jongenstehuis ondergebracht en de drie meiden, Mia, Adrie en Truus verhuisden naar Utrecht naar een tante. Aan die tijd heeft Mia heel slechte herinneringen. Het ging tante meer om de bonnen dan om de kinderen. Tante vond het al snel te druk, zo’n groot huishouden en daarom organiseerde zij, dat de kinderen naar het kinderopvanghuis aan de Mgr. v.d. Weteringstraat konden vertrekken. Als je daar zes weken verbleef wachtte je een strafkamp.

‘Vooral daar op de Mgr. v.d. Weteringstraat ben ik vernederd’, vertelt ze. ‘Dat heeft zoveel pijn gedaan’. Ze werd voor leugenaar uitgemaakt, ze kreeg van alles de schuld en was ziek van de heimwee naar haar ouders. Ze kan er nog steeds niet bij, dat de overheid zo slecht rekening hield met het feit, dat als je vaders en moeders interneerde, je ook iets met hun kinderen aan moest. ‘Hoe konden ze het ons aandoen zo met ons om te gaan’.

september 1945september 1945

Het Boskamp
Met haar twee zusjes kwam Mia uiteindelijk in Huis ter Heide op het Boskamp terecht. Toen ze onlangs de foto’s van het Boskamp zag, realiseerde ze zich dat het daar voor haar de fijnste tijd van haar leven is geweest. Ze weet niet meer hoe ze daar kwam, maar wel dat het half januari 1946 was. ‘Ik was door al die ervaringen van de oorlog en van daarna murw’ vertelt ze. Ze was heel introvert geworden van alle pesterijen. ‘Ik was een paranormaal begaafd kind, dus ook erg kwetsbaar’. Kwetsbaar, eenzaam en verdrietig. Om de broodnodige rust voor geest en ziel die ze daar toen kreeg, is ze nog steeds erg dankbaar. Ze kon niet meer accepteren dat iemand lief voor haar was. Mia: ‘Toch waren ook op het Boskamp lang niet alle verzorgers integer. Er waren er bij die zeiden: “Ze moesten jullie doodschieten”, maar míj hebben ze daar nooit vernederd. Juffrouw Zilver was gewoon een lief mens’.

Samen met haar zus Adrie, zat ze op hetzelfde paviljoen. Hun jongere zusje Truus, die in een andere barak met een hardvochtiger verzorgster woonde, werd steeds onder de koude douche gezet als ze ’s nachts in haar broek had geplast. Mia en Adrie konden goed handwerken. Hoe ze aan breinaalden kwamen weet Mia niet meer, maar ze trokken al breiend de draden van het deken van hun bed uit en breiden er lekkere warme sokken van. Onder de dekens natuurlijk! ‘Op den duur werd het wel koud’, vertelt ze lachend.
Ze denkt dat ze op het Boskamp zakgeld kreeg. En suiker. Maar zeker weten doet ze het niet. Ze hielp mee bij het schoonhouden van de barakken en met andere huishoudelijke karwijtjes. Ze smeerde 42 boterhammen uit één pakje blueband en ze vertelt dat ‘de grote massa’ voldoende te eten en te drinken had. Mia heeft in ieder geval daar geen honger geleden. Eens in de zoveel tijd mochten ze een brief naar hun ouders schrijven. Haar broer Gerrit kwam wel eens op bezoek. Deze broer vertelde Mia, dat ook moeder wel eens op bezoek is geweest.

Hoe het dagelijkse leven er op het Boskamp uitzag, daarvan weet Mia niets meer. Vanuit het Boskamp ging ze naar de ULO in Utrecht aan de Hamburgerstraat. Eerst met de tram naar Utrecht. In de bus trok ze haar lekkere warme groene eenheidsjas uit Amerika uit en ging er bovenop zitten, bang als ze was dat iemand daaraan zou aflezen dat ze van het Boskamp kwam.

Overzicht van de zaal tijdens souperOverzicht van de zaal tijdens souper

Mia nu
‘Ik heb geleerd dat alles een doel heeft. Ik heb daar goed kunnen gedijen. Het Boskamp was voor mij een begin van de heling van mijn ziel, die zo beschadigd was. De pijn en het verdriet heb ik verwerkt. Door de foto’s van het Boskamp heb ik weer veel herinneringen teruggekregen. Negatieve en positieve kanten zijn teruggekomen en dan is het goed. De zwarte gaten van die tijd worden gevuld en ik ben er blij om’. Mia heeft vele hobby’s. Ze moet een engelengeduld hebben. Ze maakt prachtige quiltdekens en poppen. ‘In mijn hobby’s heb ik veel verwerkt’, vertelt ze.
Daarnaast heeft ze ‘een lijntje’, waarmee ze aangeeft een innerlijke stem te horen, die zij volgt en die haar in staat stelt als medium te fungeren. Pas op latere leeftijd is ze zich steeds meer bewust geworden van de dingen die ze innerlijk al wist. Ze is helderhorend, heldervoelend, helderziend transmedium/genezeres. Als zodanig heeft ze een praktijk. Ze schildert, groot en klein werk en ze schrijft boeken over haar gave. Ze is er van overtuigd dat haar ervaringen van het zijn van een NSB-kind, haar verblijf op de Mgr. v. d. Weteringstraat, maar ook op het Boskamp nodig zijn geweest om haar als medium te vormen. ‘Ze hebben me eerst kapot gemaakt en me daarna verheven. Het heeft er aan bijgedragen dat ik ben wie ik ben’. Ze kan liefde ontvangen en weer doorgeven.