20 augustus 2008
Bevrijding
‘Ga jij maar in het dorp spelen’, zegt moeder tegen Jettie. Gehoorzaam huppelt Jettie naar buiten, maar halverwege de gang blijft ze staan en loopt heel zachtjes terug. Want waarom zijn vader en moeder eigenlijk zo vroeg in de ochtend al in de voorkamer? Daar komen ze toch alleen maar op zondagavond? En waarom hebben ze hun zondagse kleren aan?
Gisteren gebeurde er ook al zoiets vreemds. Een paar mensen uit het dorp waren blijven stilstaan op de weg voor vaders boerderij. Opeens gooiden ze modder tegen de ramen en riepen: ‘Morgen worden jullie opgepakt!’
Jettie gaat voorzichtig met haar oor tegen de deur staan luisteren. Plotseling hoort ze moeder zeggen: ‘Als we dan toch dood moeten, dan maar in één keer en niet hier en daar een kogel’. Er loopt een koude rilling over Jetties rug en ze voelt steken in haar nek. Dood? Vader en moeder dood? Wat gebeurt er dan met haar en met Tjerk en Anne? En met de koeien?
Willem, de evacue die voor de bombardementen bij de Nederlandse grens weggevlucht is, heeft wel het melken van vader geleerd, maar hij kan nooit alleen alle koeien melken. Dat is veel te zwaar werk. Anne is al twaalf jaar, maar toch kan zij hoogstens drie koeien achter elkaar melken, daarna zijn haar handen te moe.
En wie moet er de kalveren voeren? Misschien kan Jettie zelf wel de allerkleinste kalfjes laten drinken. Tjerk kan haar daarbij wel helpen. Zij heeft toch vaak genoeg gezien hoe vader dat doet? Een paar weken geleden zei vader nog tegen haar: ‘Als ik er eens niet ben, kan jij de kalfjes helpen’.
Jelle uit het dorp, die ook wel eens melkt als zij met vader en moeder uit fietsen zijn, zou ook kunnen helpen. Maar dan is er nog die ene koe, die zich alleen door vader laat melken… En het paard, wie moet het paard uit de wei halen?
Naar het dorp gaan, heeft moeder gezegd. Maar naar wie? Als ze nou eens naar het muurtje bij het kerkhof gaat, daar waar die ene steen weg is en waar allemaal kleine plantjes groeien? Ze kan ook stilletjes naar de appelhof gaan, naar de kleine kalfjes waar Anne, toen ze nog heel klein was, eens tegenaan in slaap is gevallen. Daar zou zij ook kunnen gaan liggen. Ze is zo moe. De afgelopen nacht heeft ze vader en moeder nog heel lang horen praten. Ze zou een beetje kunnen uitrusten en tegelijk opletten wat er met vader en moeder gaat gebeuren.
Maar ze kan ook door de wei, waar de grotere kalveren grazen, naar het dorp gaan. Aan de andere kant van dat weiland is een dam die te smal is om er met paard en wagen overheen te rijden. Daarop staat een hek met prikkeldraad eroverheen. Als ze vóór dat hek schuin over de sloot springt, kan ze vast wel zonder natte voeten aan de overkant komen. Ze zou dan langs de trekweg naast de grote vaart, naar het dorp kunnen lopen. Als ze op deze manier gaat, hoeft ze niet langs de huizen te lopen waar die mensen wonen die gister met modder smeten. Ze zal maar naar haar grootouders gaan, naar pake en beppe. Pake weet wel hoe het verder moet.
Maar eerst zal ze langs de slootkant nog naar pepermuntblad zoeken. Dat moet nu hier en daar al groeien, zei pake gisteren nog. Pake kauwt veel op kalmoeswortel. Jettie zal hem vragen waar dat te vinden is. Ze wil dat zelf ook wel eens proberen. Wie weet helpt het wel tegen haar zere plekken. Pake zegt tenminste dat het tegen bijna alle kwalen helpt.
Als ze net voor de brug de grote weg bereikt heeft, komt er uit het dorp een groepje meisjes aanlopen. De meesten zitten, net als Jettie, in de derde en vierde klas. Hoor, ze zingen ‘Oranje boven, leven de koningin!’ Een paar meisjes hebben een oranje strik in het haar. Met schrik denkt Jettie aan haar eigen haar. Heeft zij dat vanmorgen wel gekamd?
‘Ga je mee een eindje wandelen?’
Eén van de meisjes pakt haar bij de arm en trekt haar mee de andere kant op. Nee, liever nog niet het dorp in, dan maar met haar klasgenootjes mee.
‘Alle NSB-ers worden meegenomen en doodgeschoten. Jouw oom en tante zijn al opgepakt en weggebracht’, vertelt één van de meisjes. Dus moeder had wel gelijk! Maar hoe moet het dan met haar en Anne en Tjerk?
Misschien, heel misschien kan ze wel naar de andere pake en beppe, waar ze al een hele tijd niet geweest is. Of naar oom Hans en tante Miep, de zus van haar moeder.
Plotseling horen de meisjes schieten. Het geluid komt uit de richting van het dorp. Jettie holt met hen mee. Eén van de meisjes vertelde haar net dat beppe is opgepakt, maar pake niet. Pake zal ook vast wel met haar naar huis willen gaan om te kijken of vader en moeder opgepakt of doodgeschoten zijn.
Pake werkte de laatste tijd niet veel meer op de boerderij. Hij hielp alleen nog met het melken van de koeien. Wel schilt hij altijd de aardappelen voor moeder en drinkt dan een kop surrogaatkoffie mee. Ondertussen vertelt hij dan de laatste nieuwtjes uit het dorp.
Zo ook over de ‘Grüne Polizei’ die altijd jacht maakt op mannen die zich in de boerderijen schuilhouden voor de Duitsers omdat zij niet voor de vijand willen werken. Onderduikers worden ze genoemd. Eén keer sprong een onderduiker die achterna gezeten werd in de vaart en klom er een eind verder weer uit. Hij liet een heel nat spoor achter. En plotseling waren alle vrouwen hun stoep aan het schrobben…
Willem, de evacue, is nooit door de Grüne Polizei meegenomen, omdat vader hem op de boerderij niet kan missen. Jettie hoopt maar dat hij nu ook wil blijven. En pake kan nog best werken. Met hem erbij zouden ze misschien zelfs zonder vader en moeder de boerderij kunnen redden.
Ze zal pake ook vertellen van die twee rode kruizen die vanmorgen op de voordeur geklodderd stonden. De verf was nog nat toen vader het ontdekte. Moeder had met oude lappen alles eraf gewreven en daarna met de groene zeep waar de kinderen niet aan mochten komen, de hele deur schoongemaakt.
Terwijl de meisjes over de brug lopen, zien ze een vrachtauto bij de kerk staan. Er lopen een heleboel mensen omheen. Jettie schrikt, want vlak bij de kerk wonen pake en beppe. Ze holt de treetjes op naar het huis toe en blijft dan plotseling stokstijf staan. Want wie staan daar in de kamer? Daar bij de tafel? Zijn dat niet de evacues die uit hetzelfde dorp komen als Willem? Wonen zij nu in pakes huis? Waar is pake dan?
De meisjes trekken haar weer mee. ‘Kom, we gaan op het kerkhof staan, voor het huis van de koster. Daar kun je alles goed zien’. Jettie loopt maar mee, waar moet ze anders naar toe? Zou pake dan toch opgepakt zijn?
Voor het huis van de koster staan veel mensen. Daar staat ook de moeder van Tabe. Jettie gaat dicht bij haar staan. Tabes moeder heeft haar eens over het hoofd gestreken en gezegd: ‘Dat is toch wat bij jullie thuis, hè’. Jettie dacht toen: ‘Zou Tabes moeder dan weten dat vader en moeder vaak ruzie over de oorlog maken?’
De vrachtauto is een onbekende wagen. Er zit ook geen gasgenerator op zoals bij de auto van Gerben Vrachtrijder uit het dorp. Plotseling voelt ze twee handen voor haar ogen, maar ze ziet nog net dat vader, met zijn armen omhoog, over de brug rent. Vier mannen, met ieder een geweer in de handen, hollen achter hem aan.
De handen voor haar gezicht zijn die van Tabes moeder. Jettie kruipt dicht tegen haar aan, maar ze wil niet huilen. Ze moet goed luisteren of ze vader doodschieten. En waar is moeder? Is zij nog thuis of halen ze haar straks ook op?
‘Dat moeten die kinderen toch niet zien!’ hoort Jettie de moeder van Tabe zeggen. De vrachtauto rijdt weg, maar Jettie heeft geen schoten gehoord.
‘Jouw vader wordt naar Tsjeintgum gebracht’ zegt Tabes moeder. ‘Daar brengen ze alle NSB-ers naartoe’. ‘Maar moeder, waar is moeder?’
‘Jouw moeder hebben ze niet opgepakt. Ga maar naar huis, ze is vast een beetje ongerust over jou’.
‘Maar pake dan?’
‘Ja, jullie pake hebben ze wel meegenomen, maar hij komt vast en zeker gauw terug om jullie te helpen’.
Jettie loopt over de brug naar huis. Niet de trekweg langs en door het weiland, maar over de weg. De weg met de diepe gaten in de berm, waar zij klei uithalen om er poppetjes van te maken. Moeder heeft gezegd dat, als er gevochten zou worden, er in ieder gat een soldaat zou zitten met een geweer. En dat zij dan zolang in de diepe kelder onder het huis moesten wachten tot het gevecht voorbij zou zijn.
Moeder is blij dat Jettie thuis is, maar ze heeft wel tranen in haar ogen. Willem en Jelle zullen straks de koeien melken en Anne zal daarbij helpen. Tjerk en Jettie zullen de kleine kalfjes te drinken geven en moeder zal kijken of zij het wel goed doen.



