Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

20 augustus 2008

Terug naar Duitsland

1940-1946
/
  • Woonpand in Rotterdam, gebouwd door mijn grootvader in 1905, met daarachter de fabriek. Het woonpand is nu in bezit van Patrimonium en in 2007 totaal gerenoveerd. De fabriek bestaat niet meer.

    Woonpand in Rotterdam, gebouwd door mijn grootvader in 1905, met daarachter de fabriek. Het woonpand is nu in bezit van Patrimonium en in 2007 totaal gerenoveerd. De fabriek bestaat niet meer.

  • Het oude fabrieksschild

    Het oude fabrieksschild

  • Verklaring van kernpersoneel, 23 oktober 1944

    Verklaring van kernpersoneel, 23 oktober 1944

Zoals algemeen bekend, ging het met de economie in het begin der 30er jaren ook in Nederland heel slecht en waren er vele werklozen. Door de situatie in het bedrijf van mijn vader was het heel moeilijk geworden, nog werk voor het personeel te vinden. Omstreeks die tijd kwam mijn vader in aanraking met de nieuw opgerichte partij NSB, die naar een verandering in Nederland volgens Italiaans en Duits voorbeeld trachtte. Voor mijn ouders een aanleiding zich bij deze partij aan te sluiten, in de hoop dat ook hun bedrijf weer vol aan de slag zou kunnen gaan. De beginselen van deze partij, zoals o.a. de achting van het koninklijk huis met toen nog geen discriminatie van joden kwamen met de gezindheid van mijn ouders overeen.

Mijn ouders behoorden dus tot de oude garde van de NSB en konden daarom ook later helaas geen besluit nemen, hun lidmaatschap op te zeggen, toen ze niet meer zo geheel met alle handelingen van de partij (o.a. de WA) overeenstemden. In het midden van hun leven stond het bedrijf (mijn vader in de zaak en mijn moeder verantwoordelijk voor de boekhouding), de opvoeding van hun enige zoon en de opbouw van werkgelegenheid voor een personeel, dat van 20-30 mensen ten slotte (in de oorlog) leidde tot een bedrijf van ongeveer 50 man. Mijn vader was een vredelievend, openhartig mens en een goed patroon voor zijn personeel. Voor politieke en maatschappelijke uiteenzettingen had hij maar een matige belangstelling en verdiepte er zich niet in. Zo heeft hij beslist ook nooit in ‘Mein Kampf’ van Hitler, ofschoon we dat boek thuis hadden, gelezen, om daardoor een beter inzicht in de verwerpelijke doelstellingen van de NSDAP te krijgen.

Door deze houding hebben mijn ouders ook nooit gewild, dat ik oorlogsspeelgoed had of bij de Jeugdstorm aangemeld werd. Vanwege de liederen, die uit de radio klonken, had ik er als kind met een muzikale aanleg toentertijd wel zin in.

De oorlog brak uit en het bombardement op Rotterdam onthutste mijn ouders zeer. Mijn vader zei nog, dat hij niet begreep, hoe Hitler dat had kunnen toelaten. Maar het leven ging in Nederland verder en het bedrijf van mijn vader werd naast de lopende vredesopdrachten ook door indirecte opdrachten van zijn oude opdrachtgevers, waaronder grote Nederlandse bedrijven en door directe opdrachten van de Duitse ‘Rüstungsinspektion’ in Den Haag voor de oorlogsindustrie in beslag genomen, zodat mijn vader met zijn bedrijf vol bezet was. In die jaren werd een uitbreiding van de fabrieksgebouwen op eigen terrein voorgenomen met inrichting van een kantine en gelijkvloers onder het woonpand een ruimte verstevigd als schuilkelder voor het personeel.

De firma Hugo Reisiger toont produkten op een tentoonstellingDe firma Hugo Reisiger toont produkten op een tentoonstelling

In september 1944 beleefden wij de ‘Dolle Dinsdag’ niet als vlucht voor haatdragende burgers, maar uit angst voor oorlogsgeweld, dat in een stad als Rotterdam te verwachten zou zijn geweest. Op de fiets reden we – mijn vader, mijn moeder en ik – naar Driebergen, waar we ooit met vakantie waren, om na enkele dagen weer terug te keren naar ons huis.

Spoedig daarop kwamen toen echter heren van de ‘Rüstungsinspektion’, die vorderden, dat de inrichting van ons bedrijf naar Berlijn getransporteerd zou worden. Dat was voor mijn vader natuurlijk een geweldige slag: ten eerste was zijn levenswerk in gevaar en ten tweede kon men wel aannemen, dat zijn bezittingen uit Berlijn niet meer zouden terugkomen.

Nu had mijn vader al een zakelijke relatie met een bedrijf uit Keulen, dat voor zekerheid naar het Harz-gebergte verplaatst was. De heren van de „Rüstungsinspektion“ gingen er mee akkoord, dat ons bedrijf ook daarheen zou kunnen gaan mits mijn vader meeging.

Dat was natuurlijk een goed aanbod, maar desondanks dat kon mijn vader het transport van zijn bedrijf tot aan het eind van het jaar vertragen. In die tussentijd vroeg hij overal om raad en voerde vele gesprekken met familieleden, met banken, met iemand uit het verzet en andere kennissen, maar niemand kon definitief helpen. En toen het december 1944 werd, kwamen de heren van de ‘Rüstungsinspektion’ weer en moest er beslist worden tussen een transport onder dwang of met begeleiding van ons. Zo kwamen we begin januari 1945 in de Harz aan met nog enkele mannen van het personeel, die dat gewenst hadden, omdat ze vreesden anders van de straat opgepakt en naar Duitsland gebracht te worden.

Verklaring van het personeel in St. Andreasberg op 30 juli 1946Verklaring van het personeel in St. Andreasberg op 30 juli 1946

Zodra we nu hoorden, dat Nederland bevrijd was – in mei 1945, nadat de Amerikanen de Harz al hadden ingenomen – ging mijn vader argeloos en zonder een gevoel van schuld alleen naar Nederland op weg, om een terugtransport van de machines naar Rotterdam voor te bereiden, niet denkend, dat hij aan de grens vastgehouden en in een kamp opgesloten zou worden. Mijn moeder en ik waren volkomen zonder grotere geldmiddelen in de Harz gebleven en moesten met werkzaamheden in het bos enz. ons onderhoud verdienen, totdat het mijn vader na enkele maanden lukte uit het kamp te ontvluchten en plotseling weer voor ons stond.

Met een gedeelte der machines, die overigens nooit in de Harz voordien gewerkt hadden, begon mijn vader met ongeveer 10 mensen een nieuw bedrijf in de plaats, waar wij toen woonden. Dat gelukte ook goed door de uitnemende vakkennis van mijn vader.

Alleen nam deze eigenlijk gelukkige episode een onbarmhartig einde, toen mijn vader na een jaar plotseling door de Nederlandse overheid als vluchteling opgespoord was en van huis afgehaald werd.

Het duurde nu ook niet lang meer voordat onze machines door Nederlandse instanties weggehaald werden, ofschoon wij als bezitters van deze goederen toch daarbij waren. Mijn moeder en ik hadden nog het geluk, dat een Nederlands majoor voor onze situatie begrip toonde en de transportpapieren in die voege manipuleerde, dat ook kleine onderdelen als machines gedeclareerd werden en wij dus met enkele resterende machines en enkele mensen verder konden werken voor ons levensonderhoud.

Het was voor onze familie echter een echte lijdenstijd, die voor ons onbegrijpelijk was, daar mijn ouders zich niet bewust waren – met uitzondering van het lidmaatschap bij de NSB – andere mensen in nood gebracht te hebben. Na 18 maanden in meerdere kampen in Duitsland en Nederland opgesloten geweest te zijn, zonder dat zijn geval voor een gerecht behandeld werd, kwam mijn vader eindelijk volkomen gerehabiliteerd vrij met een bewijs van volledige onschuld. Al onze bezittingen werden ons weer teruggegeven en mijn vader kon zijn bedrijf in Rotterdam weer openen. Alleen waren daarmee grotere kosten verbonden, die door de Nederlandse staat niet overgenomen werden als vergoeding voor de lange interneringstijd.

Acte van invrijheidsstelling van mijn vader, 2 februari 1948Acte van invrijheidsstelling van mijn vader, 2 februari 1948

Over deze moeilijke tijd lagen in onze kelder nog een stapel met documenten en vele brieven van familieleden, die mijn moeder eigenlijk al had willen wegwerpen, maar door mijn toedoen toch nog bewaard bleven. Dit materiaal heb ik in augustus 2007 geopend, doorgewerkt en er een groot dossier uit samengesteld. Door bemiddeling van de heer Mantel heb ik deze papieren in november 2007 aan mevr. Tames van het NIOD overgelegd, die daaruit een groot gedeelte kopieerde. Deze gegevens zijn nu opgenomen in de documentatie voor een verder onderzoek onder de aanwinstnummer 2636.

Mijn vader heeft natuurlijk het meeste moeten lijden in de kampen door de onvrijwillige en niet begrepen opsluiting; mijn moeder en ik waren tenminste vrij. Voor mij moet echter de spanning wel zo groot geweest zijn, dat ik eind 1947 ernstig ziek werd aan een natte pleuritis, die me haast het leven gekost heeft. Een zuster uit het ziekenhuis, waar ik lag, zei altijd, dat het met mij weer langzaamaan beter ging, zodra mijn vader terug gekomen was.

De moeilijkheden die ik op school gehad heb in de omgang met mijn medescholieren kan ik natuurlijk niet alleen toeschrijven aan de boven omschreven omstandigheden. Als braaf opgevoed alleenstaand jongetje met kunstzinnige neigingen was de mentaliteit van de kinderen in Duitsland na de oorlog eventueel een andere dan ik gewend was. Ook is het voor mij natuurlijk een grote aanpassing geweest, de Duitse ‘Oberrealschule’ te absolveren en tussendoor ook nog een zware ziekte te bestaan. Mijn zelfvertrouwen was toen erg zwak en kwam eerst als student in Braunschweig op een normaal pijl. Momenteel verzorg ik door mijn bij de computerfirma BULL verworven organisatietalent reünies van onze klas.

De moeilijkheden, die van andere lotgenoten in Nederland verteld worden, heb ik niet gehad. Familieleden, vrienden en buren in Nederland hebben mijn ouders en mij nooit vernederd, integendeel, ze hebben ons meestal ondersteund wanneer het nodig was. De periode direct na de oorlog hebben wij gelukkig nooit meegemaakt.

Voor mij is het natuurlijk belangrijk de plaats, die mijn ouders ingenomen hebben, nader te omschrijven. En zo kom ik tot de conclusie, dat ik hen in de door Henk Stouten zo goed uitgewerkte groepering ‘Van partijlid tot landverrader, 1940-1944’ in het boekje Goed-Fout?! het beste tot volgende categorieën reken: A3, B6, D2.

Tenslotte nog enkele gegevens over mijn levensweg hier

Na mijn eindexamen in Duitsland studeerde ik ingenieurwezen in Braunschweig, waar ik ook mijn Duitse vrouw (onderwijzeres) uit een domineesfamilie heb leren kennen.
Daartussen legde ik nog een klein examen af voor orgel, want muziek is voor mij mijn tweede beroep, dat ik nog steeds uitoefen.
Sinds 1961 woon ik met mijn vrouw in Niederkassel tussen Köln en Bonn gelegen. De meeste tijd van mijn beroepsleven werkte ik bij de Franse computerfirma BULL in Köln. We hebben 4 kinderen, waarvan de oudste (een dochter) in Heerhugowaard en onze jongste (een zoon) in De Bilt woont. De andere twee dochters wonen resp. in Köln en ook in Niederkassel.

Mijn vrouw en ikMijn vrouw en ik

1940-1946
  • Tweede prijs van de Wereldtentoonstelling in Brussel van 1910 voor een product van de firma Hugo Reisiger

    Tweede prijs van de Wereldtentoonstelling in Brussel van 1910 voor een product van de firma Hugo Reisiger

  • Foto van personeelsfeest 1942 met dames. Vooraan in het midden zitten van rechts naar links mijn moeder,  mijn vader  en ik (gehurkt). Met deze foto wil ik aantonen dat mijn vader geen politieke agitatie in zijn bedrijf duldde.

    Foto van personeelsfeest 1942 met dames. Vooraan in het midden zitten van rechts naar links mijn moeder, mijn vader en ik (gehurkt). Met deze foto wil ik aantonen dat mijn vader geen politieke agitatie in zijn bedrijf duldde.