Generaties en groepen
Historische achtergrondinformatie over 'kinderen van foute ouders'
De verschillende generaties kinderen van foute ouders hebben elk hun eigen problematiek. Verreweg het zwaarst hebben degenen het gehad die de gebeurtenissen bewust meegemaakt hebben, degenen dus die in 1945 al wat ouder waren. Ergens halverwege de jaren twintig ligt de grens. Immers, mensen die eerder geboren waren, zijn tijdens de oor-log nauwelijks nog als kind te beschouwen.
Over het algemeen het zwaarst geraakt, juist doordat ze niet beseften wat er gebeurde, zijn de kinderen die aan het eind van de oorlog klein waren. Zij vormen de oorlogsgeneratie. Aanvankelijk beter is het degenen vergaan die na de oorlog geboren werden, in de late jaren veertig en vijftig. Zij ondergingen echter wel vanaf het allereerste moment het stigma kind te zijn van. Bovendien werden zij volwassen op een moment dat de oorlog, in het bijzonder de shoah, in het centrum van de belangstelling kwam te staan en de samenleving in toenemende mate gedomineerd werd door een vorm van ‘links’ denken. De vroegere politieke keuze van hun ouders viel daardoor steeds moeilijker te begrijpen. Tot slot zijn er de enkelen die nog later geboren zijn en de kinderen van de kinderen, de derde generatie dus. Naar zich laat aanzien hebben zij minder last (gehad) van het stigma.
Buiten de jaargangen moeten twee groepen expliciet genoemd worden. Dat zijn de meisjes die tijdens de oorlog een relatie hebben gehad met Duitse soldaten en de kinderen van Duitse vaders. Hoewel hun situatie zich feitelijk van die van de ‘gewone’ kinderen van foute ouders onderscheidt, ervoeren zij min of meer dezelfde problemen.
Houdt het ooit op?
Ik ben van 1963. Met maatschappelijke afwijzing heb ik amper te maken gehad. Maar wel heeft het oorlogsverleden van mijn vader een allesbepalende invloed op zijn leven, en daarmee ook op mijn jeugd gehad. Mijn vader was geknakt en is er nooit meer overheen gekomen. Hij vluchtte in drank en gokmachines en ontwikkelde een paranoïde wereldbeeld vol complottheorieën en gevaren waar hij mij – met de beste bedoelingen – ook in meenam. Dat maakt mijn jeugd op een heel andere manier weer heel ingewikkeld (Rinke Smedinga bij de opening van een tentoonstelling, Vorden 1 mei 2007)
De vooroorlogse generatie
Van alle kinderen van ouders die de kant van het nazisme kozen, hebben degenen die vóór de oorlog geboren waren het over het algemeen het zwaarst gehad. Begrijpelijk. Zij hebben het proces bewust meegemaakt en in veel gevallen noodgedwongen zelf ook in fascistische kringen verkeerd, in de Jeugdstorm bijvoorbeeld of bij de Waffen SS. Van-daar dat zij zichzelf later met des te meer klem de vraag stelden of zij wellicht ook ‘fout’ waren geweest? Bovendien hebben zij ook de naoorlogse zuiveringen en vernederingen bewust meegemaakt. Een deel van hen heeft meteen na de oorlog voor heel wat discussie gezorgd. Dat zijn degenen geweest die actief deel hadden genomen aan de Duitse strijd en, met de titel van het proefschrift van A.F.G. van Hoesel uit 1948, De jeugd die wij vreesden wordt genoemd. Uit deze groep weten we het meeste van de man die bekend staat als Jan.
Juist omdat zij zo hard geraakt is en zichzelf zoveel nijpende vragen stelde, heeft de vooroorlogse generatie, misschien nog wel meer dan andere generaties, gedurende tientallen jaren hardnekkig gezwegen. Pas in de jaren tachtig van de 20ste eeuw kwam zij bij monde van ondermeer Jac van Gool, Rinnes Rijke, Duke Blaauwendraad-Doorduijn en genoemde Jan met de eerste verhalen. Deze verhalen en de gelijktijdige oprichting van de Werkgroep Herkenning vormen het begin van de erkenning van de problematiek.
De ervaringen van de vooroorlogse generatie volgen over het algemeen eenzelfde patroon. Tenzij hun ouders hun nazistische sympathieën voor de buitenwacht verborgen wisten te houden, werden zij al in de jaren ’30 met de nek aangekeken. Die miskenning zou tijdens de oorlog sterker worden, zij het dat zij toen aan de kant van de overwinnaar stonden en zich dus sterk konden voelen. Bij dat gevoel horen tal van plezierige momenten zoals het spel in de Jeugdstorm en andere activiteiten. De ouderen, zeker die van het mannelijk geslacht, hadden minder plezierige ervaringen omdat zij vaak aan het front be-landden.
De dreigende nederlaag van de nazi’s veranderde de positie van de gezinnen die de kant van de Duitsers hadden gekozen. In de meeste gevallen sloegen zij op of rond Dolle Dinsdag, 5 september 1944, op de vlucht, eerst naar het Oosten van Nederland, daarna naar Duitsland. Daar verbleven zij meestal in armzalige omstandigheden. Daarin kwam geen verandering nadat ze naar Nederland teruggekeerd waren en eerst in de mallemolen van zuivering, kampen, pleeggezinnen en heropvoeding belandden om vervolgens in een situatie terecht te komen die vaak tientallen jaren, zo niet langer duren zou, van miskenning en schaamte, schuldgevoel en zwijgzaamheid, angst en familiale ellende. Voor velen zou hieraan tot op de dag van vandaag geen einde komen. Omdat de vooroorlogse generatie kinderen van foute ouders op dit moment al gauw zeventig jaar of ouder is, betekent dat dus dat zij de oorlog een leven lang meegedragen heeft.
Een vroeg inzicht
‘We hebben hier te maken met kinderen die verschillende shocks hebben gehad: de eerste shock was de uitzonderingstoestand waarin deze kinderen kwamen te verkeren doordat hun ouders NSB’ers werden; de tweede schok was de terugslag die kwam na de Duitse capitulatie; en de derde was de arrestatie van hun ouders.’ (A.M.J. ten Holt-Taselaar, betrokken bij het Bureau Bijzondere Jeugdzorg, in een toespraak in maart 1946 tot Sociaal-Democratische Vrouwengroepen Amsterdam, geciteerd in Paraat van 9 maart 1946)
Moffenmeiden
Bij Nederlandse meisjes die omgang met Duitse militairen hebben gehad hoort het beeld van een treurig ogende figuur in een lachend gezelschap waarin een of enkele personen een schaar hanteren. Dergelijke kaalknippraktijken hebben na de oorlog in meer dan honderd steden en dorpen plaatsgevonden. Een overzicht hiervan geeft Monika Diederichs in haar boek over – aldus de ondertitel – De omgang van Nederlandse meisjes met Duitse militairen. De hoofdtitel luidt: Wie geschoren wordt moet stil zitten. Monika Die-derichs, dochter van een Nederlands meisje en een Duitse militair, vertelde haar verhaal op 13 maart 1995 in De Telegraaf en deed daarbij meteen een oproep. Ze kreeg bijna tweehonderd schriftelijke en een tiental telefonische reacties. Zo’n vijftig van hen waren bereid tot een interview. Omdat Diederichs ook nog enkele moffenmeiden van elders kende had zo daarmee de beschikking over 56 levensverhalen. Op basis daarvan schreef ze haar boek, over dit onderwerp het eerste in Nederland en een van de weinige in Europa. Zo weinig onderzoek naar een voor de bevrijding zo kenmerkend fenomeen is eenvoudig te verklaren. Bijna niemand wil openlijk over haar ervaringen spreken en de archieven houden de informatie zorgvuldig achter slot en grendel. Dat is jammer, zo niet kwalijk omdat het negatieve beeld van de moffenmeid op deze wijze blijft bestaan. Zo zou de moffenmeid volgens het bestaande beeld uit zijn op verrijking en zowel gewetenloos als seksueel losgeslagen zijn. Een dergelijke beeld is niet alleen te vinden in romans als die van Teun de Vries (Het Wolfsgetij of een leven van liefde, 1965) en Lisette Lewin (Een hart van prikkeldraad, 1992) maar ook in wetenschappelijk onderzoek, althans uit de vroege naoorlogse periode. Zo schreef de Utrechtse psychiater H.C. Rümke dat het in de meeste gevallen ging om ‘vrouwen met een zwak moreel besef die niet zelden zouden lijden aan ernstige hysterische neurotische en psychopatische afwijkingen.’
Het zal niet verbazen dat het beeld dat tevoorschijn komt uit het boek van Monika Diederichs heel anders en, als je het zo mag zeggen, veel eenvoudiger is. Verreweg de meeste moffenmeiden waren gewoon verliefd, zagen de partner niet als een Duitser maar als een jongen of man, hadden ook slechts één partner en koesterden traditionele normen, dat wil zeggen: wilden trouwen en kinderen krijgen. Dat dit in de meeste gevallen niet lukte, komt door de chaos die de oorlog met zich meebracht. Daardoor temeer waren de meisjes ‘levend wild’ en een gemakkelijk object voor het afreageren van frustraties.
Vreselijke herinneringen
‘De paarden hijgen in hun nek. Steeds sneller moeten ze hollen, de moffenmeiden van Langezwaag. Af en toe komt een “held” van de ondergrondse van de bok om Miep en Tine een klap of een schop te verkopen. De andere jonge vrouwen hebben het gemakkelijker. Zij mogen meerijden op de wagen. De NSB'ers en landwachters lopen er achter. Op de Stationsstraat in Gorredijk houden de paarden stil. Het publiek stroomt toe...
In kamp Sparjebird gaat Miep door een hel. Meermalen wordt ze midden in de nacht uit de barak gehaald voor verhoor. “Hoe dat ging houd je niet voor mogelijk. Ze stopten me in een ondergronds hok en schenen met een lamp in m'n gezicht. Ze wilden vooral alles weten over het seksuele, wat ik met mijn Duitse vriendje had uitgespookt.''
Sommige kampbewakers maken op misselijke wijze misbruik van hun macht. Ze bieden de door hen verachte ‘moffenhoeren' voedsel aan in ruil voor een wip. “Ik kon een pond tomaten krijgen als ik met iemand naar bed ging. Verschillende meiden deden het, er was een speciaal hok voor. Walgelijk. Ik heb er niet aan meegedaan.''
Tijdens haar gevangenschap overdenkt Miep haar ‘zonden’. Wat heeft ze verkeerd gedaan? Haar moeder liet de Duitsers het café in. Wat moest ze anders? Het bleken best aardige mensen... Ze raakt verliefd op een Duitse jongen. “Hij speelde zo schitterend piano in ons café. Zoiets heeft toch niets met politiek of oorlog te maken? Het was liefde...
Na haar gevangenschap keert Miep terug naar Langezwaag. Zij gaat op zoek naar haar bezittingen, maar de woning bij café De Nieuwe Vaart blijkt leeggeroofd. Berooid vlucht de moffenmeid naar Amsterdam, in de anonimiteit van de grote stad. (Leeuwarder Courant van 6 maart 1999)
Een vreemde vergissing
‘Mijn moeder was een jonge weduwe met een dochter en in 1945 ben ik verwekt door een onbekende. Nooit wilde ze er iets over loslaten. Toen ik acht was zijn mijn halfzus en ik bij een tehuis gebracht, moeder kon niet meer voor ons zorgen. Ze was altijd ziek. Een kwaadsprekende tante kwam ons later opzoeken en van haar hoorde ik het. “Een moffenhoer was je moeder, je vader was een Duitse soldaat die op de vlucht bij haar huis belandde.” [Vele jaren en veel verdriet later kwam de moeder de dochter opzoeken. Laatstgenoemde lag op dat moment in het ziekenhuis]. Ze zat aan mijn bed en had een oud
sigarendoosje bij zich. “Hier is een foto van je vader,” zei ze met neergeslagen ogen. “Ik durfde het niet eerder te vertellen, omdat iedereen vroeger zei dat ik een hoer was.” Op de foto stond een sterke man met een vriendelijk gezicht. Ik herkende mezelf in zijn oogopslag. Tot mijn verbijstering zag ik dat het een Canadese soldaat was. Ik was de dochter van een bevrijder.’ (ingezonden brief van Anna Mulder in Vrij Nederland van 3 augustus 1996)
Commotie
‘Vorig jaar [2007] was er in Aalten nog heel wat commotie rondom het toneelstuk 'De Moffenmeid' van Henk Krosenbrink. Sommige winkeliers weigerden het affiche voor hun ruit te hangen, want de titel zou de Duitse klandizie wellicht tegen de borst kunnen stuiten. Terwijl De Moffenmeid juist ageert tegen het zwart-wit denken dat na de oorlog ontstond. Regisseur Gerrit Kers van de Borculose toneelvereniging Ons Genoegen woonde een opvoering in Aalten bij en was diep onder de indruk.
"Het is een erg interessant stuk", aldus Kers. "Het zet aan tot nadenken over goed en fout. Na de bevrijding waren alle Duitsers fout en rekenden veel Nederlanders zich automatisch tot de goeden. We zijn er nu van overtuigd dat we ruimdenkender zijn geworden, maar is dat wel zo? Is er eigenlijk wel echt iets veranderd?"
Die vraag komt gelijk in de proloog aan de orde. Een meisje krijgt verkering met een buitenlandse jongen, die een donkere huidskleur heeft. Haar ouders raken in alle staten en hebben hun oordeel al klaar voordat de jongen ook maar een voet over de drempel heeft gezet. Gelukkig begrijpt haar oma het meisje beter. Zij is immers na de oorlog kaalgeschoren toen bleek dat ze een verhouding met een Duitse soldaat had gehad.’ (Gelders Dagblad van 6 juni 2008)
De oorlogsgeneratie
De kinderen van ouders met nationaal-socialistische sympathieën die vlak vóór, tijdens en vlak na de oorlog geboren werden, hebben vooral last gehad van zwijgzaamheid in eigen kring en publieke minachting. Die zwijgzaamheid was veelal het gevolg van het onvermogen van de ouders om van hun jongste verleden rekenschap af te leggen. Dat onvermogen op zijn beurt was weer het gevolg van het simpele feit dat zij tot het kamp van de verliezers behoorden. En verliezers behoren te zwijgen. Daar komt bij dat er tijdens de oorlog gebeurtenissen plaatsgevonden hadden, met name de moord op de joden, die ook niet of nauwelijks te begrijpen en zeker niet uit te leggen waren. Degenen die tijdens de oorlog aan de kant van de nazi’s hadden gestaan, hadden het gevoel daaraan medeschuldig te zijn geweest – ook al hebben zij er, net zoals verreweg de meeste Nederlanders, zelfs niet van geweten. Dat schuldgevoel trof eenieder met stomheid. De stomheid van de ouders sloeg over op de kinderen.
De reactie van de omgeving droeg, mild gezegd, niet erg bij aan spraakzaamheid. Legio is het aantal verhalen van kinderen die door de omgeving met de nek werden aangekeken omdat hun ouders in de oorlog ‘fout’ waren geweest. Elk dorp, elke wijk had zo zijn ‘zwarte schapen’. ‘Die daar, op nr. 19, dat is een NSB’er’ of ‘die dikke om de hoek, die was zo fout als een deur’. Dergelijke zinnetjes deden voortdurend de ronde. En de kinderen van degenen over wie dergelijke verhaaltjes gingen, merkten natuurlijk dat er ‘iets’ aan de hand was. Pas toen ze ouder waren, begrepen ze wat dat iets was. Het werd veelal uitgedrukt met dat ene woordje: ‘fout’.
De oorlogsgeneratie ‘kinderen van foute ouders’ heeft een aantal actieve personen opgeleverd, personen ook die uitgebreid hun verhaal hebben gedaan en zich in enkele gevallen voor de doelgroep ook enorm ingezet hebben. Onder hen springt met name Hana Visser eruit. Anderen uit deze generatie die uitvoerig hun verhaal hebben gedaan zijn Sytze van der Zee, Mieke de Bree en Hanneke Wijgh. Ook in andere landen hebben een aantal leden van deze generatie hun verhalen verteld. Onder hen Marie Chaix.
Zomaar een herinnering
‘Herinneringen komen altijd op de meest onverwachte momenten. Soms is een TV programma de oorzaak, soms komen ze zomaar. Wat nu naar boven kwam, ik weet niet wanneer het was: een man, een vrouw, een kind, waarschijnlijk een gezinnetje. Ze werden door militairen in elkaar geslagen. De man verzette zich hevig, de vrouw lag bloedend op de grond. Het kind vluchtte maar werd door omstanders gegrepen. Hier blijven Duits hoerenjong! Mijn grootmoeder trok mij weg, we gingen een winkel binnen. Oma, vroeg ik, waarom doen ze dat? Oma antwoordde: deze mensen hebben iets gedaan wat anderen niet begrijpen. Maar wat dan Oma? Knoertje, dat begrijp je nog niet. Maar waarom slaan ze dan zo hard Oma? Mensen zijn soms wreed, zei oma, vergeet maar wat je gezien hebt. Eraan denken helpt je toch niet. Maar Oma, ik heb het toch GEZIEN! Tja, kind, jammer genoeg. Kom we gaan verder.’ (Kurt)
Kinderen van een Duitse vader
Volgens een door Nova vermeld en vervolgens in De Volkskrant van 28 mei 2004 gepubliceerd bericht zou uit archieven van de Duitse Wehrmacht blijken dat er veel meer kinderen van Duitse soldaten in Nederland rondlopen dan gewoonlijk wordt aangenomen, geen 10 of 15 maar 50.000. Veel kinderen kregen dit pas te horen toen hun moeder overleden was. Of zo’n groot aantal ook inderdaad klopt, weten we niet. Wat we wel weten is dat er in Nederland in ieder geval meer dan tien duizend kinderen van Duitse soldaten rondlopen. Zo komt Monika Diederichs in haar boek over moffenmeiden (Wie geschoren wordt moet stil zitten, 2006) tot zo’n 13 á 15 000. Hun belangen worden behartigd door de Contactgroep Kinderen van Duitse Militairen (CKDM).
Tegelijk met de nieuwe cijfers is ook de belangstelling voor de kinderen van Duitse militairen toegenomen. Zo werd in Frankrijk in 2004 Enfants maudits van Jean-Paul Picaper gepubliceerd. De meeste aandacht voor deze kinderen, in het bijzonder voor de zogenaamde Lebensborn, bestaat echter in de Scandinavische landen.
Duitsland hoef je niet te leren, dat ken je al
‘Op de lagere school in de Muntstraat had ik, zover een school voor een kind leuk kan zijn, een prettige tijd. Toch waren er wel wat dingen die, achteraf gezien, van invloed zijn geweest op mijn denken en handelen. Als we bijv. aardrijkskunde kregen dan zei de leraar tegen mij : Duitsland hoef je niet te leren, dat ken je al of je heimatland is je niemandsland. Thuis vroeg ik dan wat ze hiermee bedoelen maar dan zei mijn opa dat ze een grapje over de oorlog maakten. Wist ik veel! Ging ik dan doorzeuren hierover dan werd mijn opa zo kwaad dat ik voor straf op de wc moest staan, met mijn neus in de hoek, rechtop en mijn handen op de rug! Die wc was zo’n ton die eens per week geleegd werd dus dat rook niet zo erg lekker!! Mijn oma was degene die hier snel een einde aan maakte maar dan hadden zij weer ruzie en.. ruzie vind ik verschrikkelijk. Dan ging ik tussen hen in staan en riep heel hard: hou op! Mijn opa pakte dan zijn hoed en liep weg en mijn oma gaf mij een knuffel en zei het komt wel weer goed hoor Knoertje!’ (Kurt, zoon van een Duitse soldaat)
Het bewijs
‘Daar kwam het, dat oude boek, uit die speciale kast. Met mijn geboortebewijs uit 1944 waarop, in de marge, te lezen was dat Paul Benndorf mij erkend had als zijn dochter... Van belang vind ik dat ik mijn geboortebewijs onder ogen kreeg doordat ik, toeval bestaat niet, een allochtoon ambtenaar had getroffen. Hij was niet op de hoogte van het taboe dat ook bij de burgerlijke stand Amsterdam rust op onze afstamming. Normaliter worden nooit uit de Duitse kast documenten getoond.’ (Monika Benndorf-Peterse in Het Bulletin van de werkgroep Herkenning van juni 2002)
Zoektocht naar mijn vader
In oktober 2001 kwam ik te weten dat mijn vader een Duitse militair was. Toen ik er voorzichtig over begon, gaf mijn moeder mij een vergeelde en dunne gescheurde envelop en ze zei: "Lees dit eerst maar eens, misschien wordt dan alles duidelijker en denk je anders over mij”. Ik heb hem mee naar huis genomen en verschillende keren gelezen. De brief was van mijn vader in het Duits geschreven in 1947, toen ik al twee jaar oud was. Op een visitekaartje stond een volledig adres in voormalig Oost-Duitsland en de functie van hem. Ik heb aan mijn moeder gevraagd of ze het goed vond dat ik op zoek ging, ze had geen bezwaar, maar ze wilde er eigenlijk niet veel mee te maken hebben en toen ik vroeg of ze zich nog verschillende dingen herinnerde, zei ze dat alles al zo lang geleden was.
Hoe moest ik dit nu aanpakken? Ik moest het eerst even verwerken en na wat nadenken kwam ik op het idee om het instituut voor oorlogsdocumentatie te bellen en daar gaf men mij de telefoonnummers van de werkgroep Herkenning en van het secretariaat van CKDM. Zo kwam ik in contact met de secretaris, de heer van der Vaart en deze adviseerde mij om gewoon een brief te schrijven naar het adres, waarin je uitlegt waarom je schrijft. Ondertussen was het al bijna december met de feestdagen en ik liet het rusten tot na de jaarwisseling. Begin januari heb ik op internet in het Duitse telefoonboek de naam en plaats opgezocht die op het kaartje stond en er waren 3 mensen met dezelfde achternaam. Die heb ik een standaardbrief geschreven met de vraag of ze misschien familie waren van degene die ik zocht. Bij alle drie heb ik onderaan de brief gezet dat de anderen een kopie gekregen hadden. Ook heb ik de instantie waar mijn vader werkte een brief geschreven met het verzoek of men de gezochte persoon kende.
Ongeveer 20 januari jl. kreeg ik bericht van één van de geadresseerden, die meldde dat hij geen familie was, maar dat hij wel voor mij wilde zoeken. Om mij beter te kunnen helpen, wilde hij weten wie ik was en waarom ik die persoon zocht. Op hoop van zegen heb ik begin februari toen maar plompverloren geschreven dat de gezochte persoon mijn vader is. Begin maart kreeg ik antwoord dat er een dochter in dezelfde plaats woont en dat ze graag met mij in contact wilde komen. Haar adres stond onder aan de brief.
Dus heb ik een neutrale brief naar mijn halfzuster geschreven, die ondertussen al 78 jaar bleek te zijn.
Eind maart kreeg ik een enthousiaste brief terug met de mededeling dat ze wel zeer verrast was en de rest van de familie ook, ze heeft ook nog een oudere broer en mijn vader was 20 jaar geleden overleden. Verder vertelde ze nog hoeveel kinderen ze heeft en hoeveel haar broer heeft en dat ze me graag binnen niet al te lange tijd wilde ontmoeten. Het adres van de broer schreef ze ook en dat hij binnenkort jarig zou zijn. Dit had ik dus nooit verwacht. Ik dacht: "ik stuur hem een kaart en dan zien we wel weer."
Begin april kreeg ik een e-mail van een voor mij onbekende persoon, die vertelde dat ze de jongste dochter van mijn halfzus is en in de jaren 90 al drie keer ik Slagharen is geweest (ik woon in Emmen) en als ze toen geweten had, dat er nog een tante in de buurt was, enz. enz. Ze moest mij nodig eens ontmoeten. Alles heel enthousiast. 'k Heb maar weer terug gemaild dat ik ook wel benieuwd ben om ze te zien. Niet lang daarna weer een mail van haar.
Op 9 april belt er een Duits sprekende mevrouw op en zegt dat ze de dochter is van mijn halfbroer en dat zij en haar vader verschillende keren geprobeerd hebben om mij te bellen en of het goed is dat ze nu haar vader belt om te zeggen dat ik thuis ben, dan kan hij contact opnemen. Ik zeg dat het goed is en binnen 5 min, gaat de telefoon weer en mijn halfbroer aan de lijn om te bedanken voor de leuke kaart en of ze binnenkort niet eens op bezoek kunnen komen. Het kan alleen maar in een weekend, want hij is slecht ter been en rijdt niet meer auto en zijn dochter moet dan met hem mee en die kan alleen maar in het weekend. Ik vind het een prima idee en hij vraagt of het komend weekend past. Het overdonderde mij een beetje, maar ik had dat weekend niks, dus heb ik "Ja" gezegd.
Het weekend van 13/14 april zijn ze geweest, broer, dochter en schoonzoon en ik werd omhelsd of ik de verloren zoon was of zo. We hebben honderduit gekletst, foto's bekeken en gemaakt en er staat deze zomer een familiereünie op stapel met ons drieën (mijn 2 dochters en ik) als Nederlandse familieleden als middelpunt. Ik heb gevraagd hoe de andere familieleden reageerden en mij werd verteld dat iedereen enthousiast is en zeer benieuwd om ons te zien.
Af en toe moet ik eens even diep ademhalen om het te verwerken. Zoveel enthousiasme had ik echt helemaal met verwacht. (Marijke de Noord, Emmen, april 2002, oorspronkelijk gepubliceerd op de website van de werkgroep Herkenning)
Geboren in de jaren vijftig
Kinderen van voormalige collaborateurs, geboren in de jaren vijftig, hebben voorzover na te gaan in de meeste gevallen niet meegemaakt dat ze beschimpt of met de nek aangekeken werden. Wel werden ze vaak nog enigszins meewarig behandeld, alsof ze vanwege hun afkomst nooit helemaal tot volwaardige mensen konden uitgroeien. Hiertoe bijgedragen heeft het feit dat zij tot bewustzijn kwamen in een tijd dat de oorlog en alles wat daarbij hoorde in het middelpunt van de belangstelling was komen te staan, de jaren zes-tig en zeventig van de 20ste eeuw, en bovendien behoorden tot een generatie die nogal massaal een links, ook wel antifascistisch genoemd standpunt aanhing. Alles wat met fout en de oorlog te maken had, werd vanuit dat standpunt gezien als een vorm van afwijking en criminaliteit. Voor deelname aan de samenleving was een dergelijke kwalificatie, voorzichtig gezegd, niet erg bevorderlijk. Gevolg hiervan was dat, voorzover generalisa-tie mogelijk is, de leden van deze generatie zich voortdurend buitenstaander gevoeld hebben. Voor velen geldt dat tot op de dag van vandaag. Bekende vertegenwoordigers van deze generatie zijn Peter Pontiac en de broers Haye van der Heyden en Chris van der Heijden.
Zo voelt dat dus
‘Persoonlijk ben ik nooit afgerekend op mijn vaders verleden. Ik denk doordat ik er altijd heel open over ben geweest. Ik kan niet tegen geheimen. Een keer heb ik ervaren hoe het is om bij de “verkeerde kant” te horen. Bij mij op de opleiding ritueelbegeleiding zat een joodse vrouw. We konden best met elkaar overweg. Tot zij erachter kwam dat mijn vader bij de SS was geweest. Ze is me als minder dan vuil gaan behandelen. Het voelde afschuwelijk. Ik weet nog dat ik dacht: “zo voelt dat dus, zo keken de nazi’s naar joden”.’ (Carella Hommes in Nestor van mei 2008)
Fascisten zijn vaders die weglopen
Mijn eerste ervaring met oorlog is voer voor psychologen. Hij vond plaats in het najaar van 1962. Ik was net acht. Mijn ouders waren enkele maanden tevoren uit elkaar gegaan. Mijn vader was mijn held. Hij was vlieginstructeur en nam me ieder weekend mee - zweefvliegen in Soesterberg, motorvliegen in Hilversum. Van de ene dag op de andere verdween hij uit mijn leven. Ik kon het niet begrijpen. Ik kon het niet verkroppen. Ik kroop in mezelf. Ik las of speelde in m'n eentje met de bal op straat. Zo ook die keer. De bal kwam bij de overburen in de voortuin en knakte daar een bloem. De overbuurvrouw was geen vriendelijk persoon. Ik sloop daarom de tuin in om de bal te pakken. Maar op het moment dat ik dat deed, zwaaide zij het raam open en schreeuwde mij toe: 'sodemieter op, vuil fascistenjong.'
Ik schrok, rende met mijn bal naar het hoekje en ging daar op het bankje zitten. 'Vuil fascistenjong?' Geen idee wat dat betekende. Na geruime tijd liep ik terug naar huis en ging bij mijn moeder in de keuken op de kruk zitten. 'Zeg mam,' zei ik zo terloops mogelijk, 'wat is een fascistenjong?'
Het heeft jaren geduurd tot ik begreep dat een 'fascistenjong' niet de zoon was van een vader die verdwenen was maar de zoon van een vader die 'fout' was geweest. Het heeft nog langer geduurd tot ik begreep waarom mijn vader fout was geweest en wat dat voor hem en voor ons betekend had. Weer langer duurde het tot ik de politieke keuze van mijn vader in de oorlog ontrafeld had van de persoonlijke geschiedenis van mijn ouders. Pas daarna was ik in staat afstand te nemen.’ (Chris van der Heijden)
Derde generatie
Een van de grote problemen van de naoorlog is het schijnbaar onvermogen de lijn te doorbreken, met als gevolg dat verdriet, leed en woede van generatie op generatie overgaan. Dit geldt zeker de kleinkinderen van joden. Over hen werd dan ook veel gepubliceerd – niet in de laatste plaats natuurlijk omdat alleen al het bestaan van Israël een dergelijk doorgeven noodzakelijk maakt. Maar ook voor sommige kleinkinderen van daders geldt dat zij de oorlog nog altijd met zich meedragen. Daarover stond in het bulletin van de Stichting Herkenning van de zomer van 2002 een interessant interview met psychiater Theo de Graaff. Een van de onderwerpen die daarin aan bod kwam is hoe transgeneratio-nele (van generatie op generatie) overdracht werkt. Volgens De Graaff gebeurt dat vooral via identificatie: kinderen of kleinkinderen identificeren zich met de ouders of de grootouders en ondergaan daardoor vergelijkbare problemen. Een andere vraag betrof de mogelijkheid van herhaling: was de kans daarop groter als de problematiek niet verwerkt was? Het antwoord dat De Graaff hierop geeft is niet eenduidig. Maar volgens hem staat wel vast dat niet-praten en niet-verwerken ongeveer het meest onverstandige is wat men kan doen. Ook wijst De Graaff erop hoe de tweede generatie via compensatiegedrag bijdraagt aan het probleem dat zij juist wil voorkomen. ‘Bij de derde generatie zie je vaak echte breuken met de ouders optreden, bijvoorbeeld veel agressiviteit bij een vader wiens vader fout was geweest. Deze vader had een ontzettende minachting voor zijn eigen vader door diens keuzes in de oorlog, mede aangewakkerd door zijn schoonvader, die zijn vader de toegang tot zijn huis had ontzegd. Bewust dacht deze man, mijn vader is een klootzak, maar onbewust voelde hij zich enorm schuldig en werd hij die klootzak voor zijn kinderen, hij stond als het ware plaatsvervangend terecht... Het kan ook zijn dat de ouder het gedrag van de eigen vader steeds goed wil maken. Dan krijg je een tweede generatie die ontzettend zijn best doet, zo erg dat de kinderen er wat van krijgen.’
Bij de werkgroep Herkenning vormt de derde generatie een zeer kleine groep. Dat kan wijzen op een taboe maar het kan ook wijzen – en dat zou een stuk plezieriger zijn – op het feit dat de derde generatie niet veel last heeft van het fout zijn van de grootouders.
Een gedicht van een kleindochter
Aan het eind van haar boek Niemandsland citeert Duke Blaauwendraad-Doorduijn een gedicht van haar dochter. Het gaat als volgt:
Dat wat onder je hart getrappeld heeft
heeft later vaker op jouw hart gestaan.
Ze wil de ongebaande wegen gaan
en slikt niet wat jij haar te eten geeft.
Maar zij weet zeker dat jij haar vergeeft
daar zij de eerste woorden heeft verstaan
die jij aan het begin van haar bestaan
uitzinnig hebt geschreeuwd: ‘Het leeft. Het leeft!’
Ik leef, maar kan niet met je medeleven
omdat ik niet wil zijn zoals jij bent.
Je bent vertrouwd, maar vreemd is mij jouw pijn.
Wat jij nooit had, heb je aan mij gegeven.
Jij kent de zorgen, die je kind niet kent,
kent niet het voorrecht, kind te mogen zijn.
Een column uit 2004
‘5 Mei 1995. Nederland was 50 jaar bevrijd. Op school hadden we er al uitvoerig over gesproken. Ik zat in de laatste klas van de basisschool en ik ontkwam niet aan de heldhaftige verhalen van de opa’s van mijn klasgenootjes. Als ik die oude knarren mocht geloven dan hadden ze allemaal een horde Joden op zolder gehad. Enkele superhero’s natuurlijk daargelaten die een heuse Duitser van de brug hadden geduwd. Er heerste een anti-Duitse sfeer in de klas die ik, als half-Duitser zijnde, niet prettig vond. Ik werd af en toe zelfs onpasselijk van de vooroordelen die over Duitsers in de klas rondgingen. Maar het ergste was, ik kreeg die maand ook nog eens te horen dat mijn overgroot opa fout zou zijn geweest in de oorlog! Een echte nazi in de familie! Aan de ene kant reuze spannend maar aan de andere kant ook vreselijk beangstigend.
Er werden natuurlijk tal van activiteiten georganiseerd in verband met de vijf mei viering. ’s Middags kwamen er tanks met ondefinieerbare mariniers ons dorp binnen gedenderd. ’s Avonds werden alle lokale verzetshelden geëerd en toegezongen. Hoezee! De klapper was wel de aankomst van enkele oud-strijders. Ze werden door mijn klasgenootjes binnengehaald als echte popsterren.Onze juffrouw riep ons nog toe “Dankzij deze mannen kunnen jullie nu heel gewoon met Aziz spelen!” Aziz was er echter niet bij. Hij werd al maanden bij ons op school gepest, omdat hij luizen zou hebben.’ (Tim op het Broek in Foknieuws van 23 sept. 2004)
Projectie
‘Één van de grootste kwalen die ik in mijn vak tegenkom is het medelijden van vrouwen met hun man, terwijl de man er veel meer aan zou hebben als zijn vrouw hem tegenwicht gaf. Het kind, hier tweede generatie, voelt wel dat er iets niet deugt, maar mag absoluut niets zeggen. Het mag ook niet de pest hebben aan zijn ouders waardoor hij het juist krijgt, maar het moet verdringen. Vaak blijven dit soort ouders heel krampachtig bij elkaar en mag er niets naar buiten lekken. Het kind groeit op met een soort ouderhaat. Als dat kind zelf ouder wordt projecteert hij diezelfde ouderhaat in zijn eigen kinderen. Dus die mensen van de tweede generatie lopen met het gevoel rond dat hun kinderen niet van ze kunnen houden en zijn stomverbaasd als het tegendeel blijkt. Als je ouder hiermee rondloopt neemt hij automatisch afstand van je. Op het moment dat je dus laat merken dat je veel om haar geeft, komt ze met een ervaring in contact die ze helemaal niet kent. Dat kan aanleiding geven tot hele paradoxale en negatieve reacties en dan moet je gewoon durven zeggen : "Ja mam, jij kan helemaal niet geloven dat wij van je houden. Je vindt dat hartstikke gek en omdat je niet altijd van je eigen moeder hebt kunnen houden denk je dat wij dat ook niet kunnen". (Theo de Graaff in het Bulletin van de Werkgroep Herken-ning, zomer 2002)
Emotioneel blijft het
‘Eenzaamheid, wantrouwen en er niet bijhoren. Zelfs voor kleinkinderen van NSB'ers zijn dit anno 1997 nog de sleutelwoorden van hun leven. "Soms heb ik zo'n zin om over de schutting te schreeuwen: ik ben een kleinkind van een NSB'er!' Pieter (38) vult aan: "Met hun verstand weten de meeste mensen wel dat ze mij er niet op kunnen veroordelen, maar emotioneel blijft het: die heeft een opa bij de NSB.' (Trouw van 3 mei 1997)




