Organisaties
Historische achtergrondinformatie over 'kinderen van foute ouders'
Het heeft lang geduurd tot de kinderen van foute ouders van zich deden spreken, langer tot ze zich organiseerden en nog langer tot die organisaties, de Werkgroep Herkenning voorop, erkend werden. Deze afwezigheid ligt in het verlengde van het gebrek aan belangstelling voor voormalige collaborateurs en het onvermogen van deze collaborateurs hun eigen verhaal te doen. Zo bestaat er tot op heden nog steeds geen uitvoerige geschie-denis van de NSB. Mondjesmaat is het aantal verhalen van voormalige NSB’ers of andere collaborateurs zelf. Over Mussert bestaan twee goede biografieën (van Jan Meyers en van Ronald Havenaar, beide uit 1984) en ook een interessante documentaire (van Paul Verhoeven uit 1968, te vinden via het dossier Hou Zee, 75 jaar NSB van het VPRO pro-gramma Andere tijden, www.geschiedenis.vpro.nl/artikelen/31971297/ ). Ook over enkele andere vooraanstaande collaborateurs (Blokzijl, Van Geelkerken, Rost van Tonningen) zijn monografieën gepubliceerd. Maar al met al is de oogst mondjesmaat. Geen wonder daarom dat de kinderen, ook die van een Duitse vader (zie CKDM) nog minder belangstelling genoten hebben.
Toch is er, zeker over de ouders, voldoende informatie. Die ligt met name op het Natio-naal Archief, in het zogenaamde Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Om voor de hand liggende redenen heeft men tot dit archief niet zondermeer toegang. Zeker in de jaren zestig en zeventig gebeurde het immers nogal eens dat iemand om minder frisse redenen wilde weten of mijnheer X of mevrouw Y in de oorlog wel ‘goed’ was geweest. Het bewijs van het tegendeel betekende voor de persoon in kwestie een sterk machtsmiddel. Daaraan kon de staat natuurlijk niet meewerken. Vandaar dat de dossiers van het CABR goed beschermd werden. Dat is niet veranderd. Wel is de toegang door de overdracht van het archief van het Ministerie van Justitie naar het Nationaal Archief ver-gemakkelijkt.
Ook het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie beschikt over veel materiaal over de doelgroep. Door de doelgroep zelf en dus ook door de kinderen werd het NIOD om voor de hand liggende redenen echter veelal als ‘het hol van de leeuw’ beschouwd. Vandaar dat men heel wat moest overwinnen om daar over de drempel te stappen. Dat is veranderd. Het NIOD houdt zich tegenwoordig zelfs intensief bezig met de problematiek van de kinderen van foute ouders.
Vlak na de oorlog bekommerden twee organisaties zich nadrukkelijk om de kinderen van foute ouders. De iets oudere kinderen vielen net als hun ouders onder de Stichting Toe-zicht Politieke Delinquenten, de STPD. De jongeren onder het Bureau Bijzondere Jeugdzorg (BBJ).
STPD (Stichting Toezicht Politieke Delinquenten)
Onder druk van tal van personen en instanties werd al enkele maanden na het einde van de oorlog een groot aantal politieke delinquenten de mogelijkheid geboden opnieuw aan de samenleving deel te nemen. Voorwaarde daarvoor was wel dat zij onder toezicht kwamen van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten. Deze stichting was in augus-tus 1945 ontstaan op initiatief van prof. mr. F.J.F.M. Duynstee. Hij en zijn medestanders maakten zich zorgen over de maatschappelijke en morele ontwrichting tengevolge van de zuivering.
‘Wij dienen te voorkomen... dat er een groep onder-menschen in onze maatschappij ontstaat, een groep menschen bij wie een volkomen verharding van het menschelijke gevoel dreigt te ontstaan, met alle schadelijke gevolgen vandien voor onze maatschappij.’
Een dergelijke ontwrichting, zo werd gevreesd, zou niet alleen z’n weerslag hebben op de politieke delinquenten zelf maar ook op hun gezinnen en zo wellicht een groep creëren die voor de samenleving en de toekomst levensgevaarlijk was. Zo kwam het in september 1945 tot de Stichting Toezicht. Haar doel was:
1. het bevorderen van de terugschakeling van daarvoor in aanmerking komende politieke delinquenten met hun gezin naar normale verhoudingen in de ruimste zin des woords;
2. het geven van voorlichting aan de rechter en het openbaar ministerie in die politieke zaken, met inbegrip van tribunaalzaken, betrekking hebbende op feiten, die gepleegd zijn gedurende de tijd van de Duitse bezetting;
3. ter bevordering van het in sub 1 omschreven doel het geven van voorlichting op dat terrein aan de publieke opinie en het verlenen van hulp en het deelnemen aan voor de heropvoeding noodzakelijke werkzaamheden.
De Stichting werd in 1951 geliquideerd en gaf haar taken over aan de bestaande particuliere reclasseringsinstellingen zoals het Leger des Heils, het Nederlands Genootschap tot Reclassering, de Protestants-Christelijke Reclasseringsvereniging en de Rooms-Katholieke Reclasseringsvereniging.
Het archief van de Stichting Toezicht bevindt zich op het Nationaal Archief. Onder de 234 meter materiaal bevinden zich ook heel wat stukken die betrekking hebben op jeugd-zaken. Dat is het gevolg van het feit dat de stichting vanaf de zomer van 1946 ook een afdeling jeugdzaken had en de zorg voor zogenaamde Jeugdige Politieke Delinquenten op zich genomen had, ook van degenen die tot dan toe onder het Bureau Bijzondere Jeugdzorg vielen. Tot de stukken die op kinderen van betrekking hebben behoren onder-meer de nummers:
• 1663 (Maandrapporten van de afdelingen Jeugdzaken in den lande, jan. 1947 – sept. 1950)
• 1763 (Maandrapporten van de afdelingen Jeugdzaken in Tilburg/Goirle en Maastricht, jan. 1947 – okt. 1949)
• 1664 (Maandverslagen van de Gewestelijk Inspecteur van de afdeling Jeugdzaken voor de zuidelijke en oostelijke provincies, febr. 1947 – sept. 1948)
• 1665 (Maandverslagen van de Gewestelijk Inspectrice van de afdeling Jeugdzaken voor de provincies Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Gelderland, febr. 1947 - mei 1948)
Bureau Bijzondere Jeugdzorg
Omdat al vroeg ingezien werd dat er met de kinderen van collaborateurs iets moest gebeuren werd bij het Militair Gezag, het tijdelijk bestuur in de bevrijde delen van Nederland, een bureau ingericht dat zich speciaal op die kinderen zou richten. Dat bureau werd, vreemd maar waar, als subsectie VII toegevoegd aan sectie XIV (Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen) en in januari 1945 geopend. In november van hetzelfde jaar werd deze subsectie overgenomen door de 7de afdeling van het Ministerie van Justitie. Daaronder viel ook het Rijkstucht- en Opvoedingswezen. De meeste door het Militair Gezag aange-stelde provinciale inspectrices kwamen nu in dienst van het Bureau. Boven hen stelde het Bureau drie landelijke inspecteurs aan.
Het BBJ bekommerde zich om een aantal zaken:
• registratie van het aantal kinderen dat door de politieke keuze van hun ouders tussen wal en schip dreigde te vallen
• verzorging van hun inwoning, verzorging, begeleiding en, indien mogelijk, contact met de ouders
• reïntegratie in de samenleving door terugkeer, indien mogelijk, naar het ouderlijk huis, familie of een pleeggezin
Een bijzondere groepering vormde voor zowel het Bureau Bijzondere Jeugdzorg als de Stichting Toezicht Politieke Delingquenten de zogenoemde Jeugdige Politieke Delinquenten, omschreven als degenen die na 1 januari 1923 geboren waren en dus aan het begin van de oorlog nog minderjarig waren. Eind 1945 zaten er van deze groep zo’n 10.000 in kampen. In de zomer van 1946 werd de zorg voor deze categorie officieel overgenomen door de jeugdafdeling van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten. Begin 1948 had deze nog 5.665 jongens en 2.956 meisjes onder haar hoede.
Het onvolledige archief van het BBJ bevindt zich op het Nationaal Archief en bevat, aldus de beschrijving, ‘registratiekaarten van kinderen die onder toezicht waren geplaatst, documentatie over particuliere instellingen die zich bezig hielden met de opvang van kinderen, stukken over tehuizen, verslagen van inspectiebezoeken, nota's, rapporten, het eindverslag van het BBJ, archieven van de provinciale inspecties en archieven van tientallen tehuizen die werkzaam waren voor het BBJ.’
NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie)
Het Nederlands (vroeger: Rijks-) Instituut voor Oorlogsdocumentatie werd meteen na de oorlog opgericht en is sindsdien hét centrum voor studie naar de oorlog. Ook over de kinderen van foute ouders is op het NIOD heel wat materiaal te vinden, ondermeer:
• boeken en tijdschriften die betrekking hebben op de problematiek van de kinderen kan men vinden in de via het internet raadpleegbare catalogus knipselmappen (bijv. onder het trefwoord ‘kinderen’)
• archieven, zie hiervoor de eveneens online zichtbare inventaris (NSB, Bijzondere Rechtspleging)
• dagboeken
De aandacht bij het NIOD voor de geschiedenis c.q. problematiek van collaborateurs en hun kinderen is altijd gering geweest, zeker in vergelijking met die voor verzet en jodendom. Dat is weliswaar begrijpelijk maar ook onjuist. Mede daarom is daar sinds het begin van de 21ste eeuw enige verandering gekomen en is er op dit moment een uitvoerig onderzoek gaande naar de problematiek van de kinderen van foute ouders. Maar de grote geschiedenis van de NSB en andere collaborateurs is door het NIOD nog altijd niet ter hand genomen. Het is tekenend voor de Nederlandse omgang met de oorlog.
Voor meer informatie, zie www.NIOD.nl
Op één hand te tellen
‘Helaas is het aantal goede studies naar de foute sector op één, hoogstens twee handen te tellen. Zo is het ongelooflijke waar: er werd nooit een gedegen boek over de NSB geschreven en dat terwijl de Nederlandse academie honderden historici per jaar aflevert. Het beste dat over de NSB gepubliceerd werd staat verspreid over het Koninkrijk van De Jong en in oudere overzichten zoals het werk van A.A. de Jonge over de vooroorlogse kritiek op de democratie. Ook over kopstukken van de NSB en over aan de beweging verwante groeperingen weten we, uitzonderingen daargelaten, weinig en wat we weten is, zoals bijna alles over de foute sector, zo sterk gekleurd door weerzin dat het geschied-kundig niet veel waard is. Zo is het nog maar een jaar geleden dat de fascinerende verantwoording van Mussert openbaar werd gemaakt. En een behoorlijke studie over de zo-genaamde Moffenmeiden verscheen nog weer later – net op tijd, over tien jaar zou geen van de vrouwen nog in leven zijn geweest. Kleiner nog is het aantal pogingen te begrij-pen wat ‘de fouten’ bezield heeft. Het meest stuitende voorbeeld van een dergelijke weigering is de eerste zin uit een van de weinige boeken die wél over de NSB gepubliceerd zijn: een serie artikelen onder de titel De Zwarte Kameraden uit 1984, met een voorwoord van de toenmalige directeur van het NIOD. Die eerste zin luidt: “Uit de vele publikaties over de ideologie van fascistische stromingen komt in ieder geval steeds duidelijker naar voren dat fascisme gebaseerd is op leugen.’ Het is ondenkbaar dat een boek dat zo be-gint tot begrip van het onderzochte fenomeen kan komen.’ (Chris van der Heijden in de NRC van 9 december 2006)
Welgelteld één plank
‘Wie de bibliotheek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie binnenloopt, komt rijen van kasten tegen vol literatuur over het Nederlandse verzet tijdens de bezetting. Dit uitbundige aanbod staat in schril contrast met de afdeling over het Nederlands nationaal-socialisme. Het materiaal over de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert beslaat welgeteld één plank. Om de situatie nog treuriger te maken schetsen deze werken een zeer beperkt beeld van de beweging en haar leden. Ongefundeerde aannames en eenzijdig bronnengebruik drukken een zwaar stempel op het onderzoek. Deze armoede mag echter geen verrassing heten, het lijkt erop dat de NSB door wetenschappers nog niet serieus wordt genomen als politieke beweging en als onderdeel van de Nederlandse politieke geschiedenis.’ (Josje Damsma en Erik Schumacher in een intern, bij het NIOD verspreid paper)
CABR (Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging)
Het CABR, onderdeel van het vlakbij het Centraal Station van Den Haag gelegen Nationaal Archief, is de plek voor onderzoek naar het gedrag tijdens de oorlog van de foute ouder(s). Bezoek is eenvoudig. Geen mens kijkt vreemd op. Je hoeft slechts aan een paar voorwaarden te voldoen – welke, dat is te vinden via de website van het Nationaal Archief, www.nationaalarchief.nl, tik daar de zoekterm CABR in en je komt meteen op de juiste plek. Wel is het belangrijk dat je precies weet wat je zoekt. Het CABR archief beslaat bijna 4 kilometer (3800 meter) en bevat honderden duizenden dossiers. Kennis van de juiste voorletters en de juiste geboortedatum is dus van groot belang om het gezochte dossier in handen te krijgen.
Een bezoekje aan het CABR
‘Hebt u enig idee wat u te wachten staat? De man van het Rijksarchief in Den Haag polst voorzichtig mijn kennis over de oorlog als we op de lift naar boven wachten. Ik zeg dat mijn moeder wel wat heeft verteld voor ze overleed, maar dat ik niet precies weet wat mijn familie allemaal heeft uitgespookt... Ik weet dat mijn vader een SS’er was, dat mijn grootvader bunkers heeft gebouwd in Frankrijk, dat een oom aan het Oostfront is gesneuveld, en dat de rest van de familie pro-Duits was. Van een nicht heb ik onlangs gehoord dat een oom in en uit liep bij het ondergrondse hoofdkwartier van Seyss-Inquart, de rijkscommissaris voor het bezette Nederland. Dat was niet uw oom, zegt de archivaris, maar uw vader.’ (Hanneke Nijgh, Het Kaïnsteken, p. 26)
Een ervaring
‘Hoewel ik het in eerste instantie heel pijnlijk vond heeft het [bezoek aan het CABR] een gunstige uitwerking op mij gehad en heeft het er toe bijgedragen, dat ik langzamerhand het verleden kan accepteren zoals het is, een kind van foute ouders. Dank zij het lezen van de dossiers heb ik geleerd dat zwijgen een slechte zaak is, die relaties kapot kan maken’ (een briefschrijfster aan de Werkgroep Herkenning naar aanleiding van de overdracht van het CABR archief van het Ministerie van Justitie aan het Nationaal Archief, geciteerd in het door de werkgroep Herkenning gemaakt Compendium, p. 42)
Geduldig papier
Ergens in Den Haag
zit mijn vader
al meer dan 50 jaar
met al zijn vrienden
keurig volgens alfabet
tussen honderden meters papier
in een gele envelop
en een zegeltje er op
van het justitieel archief.
Ik heb hem daar nooit bezocht.
Omdat het niet mocht.
De envelop is dicht.
Het dossier gesloten
en ik weet: het dossier is niet compleet.
Kort was het onderzoek.
Mild was de straf.
Terwijl hij nog leeft
vraag ik me al af:
welk geheim neemt hij mee in zijn graf?
(Rinke Smedinga)
Herkenning
Naar aanleiding van het proefschrift De collaborateur van psychiater J. Hofman publiceerde de Haagse journalist Willem Scheer een viertal artikelen over kinderen van foute ouders. Naar aanleiding van deze artikelen kwamen er bij het radiopastoraat, later ook wel omroeppastoraat genoemd, een door de Interkerkelijke Omroep Nederland (IKON) ingericht ‘loket’ voor mensen met maatschappelijke en persoonlijke vragen onder leiding van Alje Klamer, nogal wat brieven binnen. Boek, artikelen en brieven hadden tot gevolg dat de drie betrokken mannen plus de psycholoog M.M. Montessori, kleinzoon van de beroemde Maria, de handen ineensloegen en besloten dat er behoefte was een aan hulpgroep. Daartoe nodigden zij op 12 december 1981 een groot aantal mensen in het Stiltecentrum van Hoog Catherijne, Utrecht uit. Om niet onnodig beroering te wekken, zette men op het vergaderbord de naam Herkenning. Dat is het begin van de stichting voor Kinderen van Foute Ouders. In het verslag van de eerste vergadering, waar naast de vier genoemde mannen ook tal van ‘kinderen van’ (onder wie Dick Woudenberg, Duke Doorduyn en Hanna Visser) en een aantal hulpverleners aanwezig waren, stond on-dermeer dat mensen die daaraan behoefte hadden, hun verhaal kwijt moesten kunnen. ‘Dat kan via: de telefoon, een zelfhulpgroep en deskundige hulp.’ Verder werd erover gesproken hoe de groep en de problematiek bekend te maken. Voorlopig besloot men het voorzichtig aan te doen. Maar toch werd al snel duidelijk dat er aan Herkenning behoefte was. Er werd een bestuur gekozen, een telefonische hulpdienst ingesteld (vanaf begin 1982), een blaadje uitgegeven (vanaf oktober 1982), een eerste landelijke bijeenkomst gehouden (maart 1983) en een brochure uitgegeven (april 1984). Maar terwijl Herkenning naar binnen toe groeide, had zij het naar buiten toe nog moeilijk. Zo bleek het in 1980 opgerichte Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen ICODO nogal wat moeite met de werkgroep hebben. Oorlogsgetroffenen waren immers de anderen, toch niet de kinderen van, zo luidde de niet al te expliciet gegeven mening. Het duurde om die reden maar liefst tot 1998 dat ICODO van mening veranderde en ook de kinderen van als eventuele oorlogsgetroffenen beschouwde. De overheid deed er bijna net zo lang over. Al in 1982 probeerde Herkenning subsidie te krijgen. Het duurde tot 1994 dat die per 1 januari 1995 toegezegd werd. Die boodschap drong zelfs door in de kersttoespraak van Koningin Beatrix: ‘sommigen kozen totaal verkeerd,’ zei zij met betrekking tot de halve eeuw dat de oorlog geleden was, ‘na vijftig jaar dragen de volgende generaties daarvan nog de littekens.’
In 2002 werd een geschiedenis van twintig jaar Herkenning gepubliceerd. Dit onder de voor de hand liggende titel Werkgroep Herkenning twintig jaar, 1982-2002. Herkenning heeft ook een website waarop veel informatie: www.werkgroepherkenning.nl/ te vinden is.
Uit een vroeg verslag
In een verslag van een landelijke bijeenkomst van de Werkgroep Herkenning op 19 mei 1984, bewaard op het NIOD (KB II 1908), wordt verteld dat de volgende onderwerpen ter sprake kwamen:
• moeizame relatie met ouders
• gemiste kansen door naoorlogse chaos
• afknappen na veertigste levensjaar
• ambivalente houding t.o.v. partners en kinderen
• moeten we het de kinderen vertellen?
• veel echtscheidingen & relatieproblemen
• gevoel erbij te willen horen
• kwetsbaarheid
Erkenning door Herkenning
‘Daar [bij Herkenning] werd mij pas duidelijk hoeveel schade kinderen uit deze gezinnen hebben opgelopen. De eerste keer dat ik daaraan [een bijeenkomst] deelnam ben ik diep geraakt door die herkenning. Als ik naar al die gezichten keek van mijn lotgenoten zag ik... hetzelfde. Zonder woorden voelde ik mij “hun zusje in het leed” en mijn tranen stroomden overvloedig. Ik was bij mijn eigen diepe waarheid aangekomen.’ (A.P.S.H. van Dulst in: Historische Reeks Land van Heusden en Altena dl. 10 (Nieuwendijk 1999), p. 232)
Opzegging lidmaatschap
Ons verleden is voor de kinderen van de familie een groot geheim. Ik heb hierover met mijn neuroloog gesproken. Op haar advies ben ik ook een aantal keren bij een Klinisch Psycholoog geweest. Als resultaat: ik kan nu alles loslaten, maar ik kan de dierbare spulletjes niet vernietigen. De neurologe zegt dat ik ze vooral niet moet vernietigen, maar bij elkaar doen in een kistje, brieven en foto’s en de mondharmonica van mijn broer die uit Stalingrad is teruggekomen. Ze zorgt ervoor dat ze ergens opgeslagen worden waar en eventueel door belanghebbenden teruggevonden kunnen worden. Ze zei, anders gaat hij weer dood. (anoniem in Het Bulletin van de werkgroep Herkenning van zomer 2003)
Contactgroep Kinderen van Duitse Militairen (CKDM)
De Contactgroep van Kinderen van Duitse Militairen CKDM bestaat sinds 1990 maar heeft zich in 1999 aangesloten bij Herkenning. Hoewel zij altijd een klein aantal leden heeft gehad, zelden meer dan een stuk of vijftig, gaat het hier om een grote groep. Altijd is gedacht aan zo’n tienduizend kinderen maar volgens Nova van 27 mei 2004, herhaald door De Volkskrant van de dag daarop, gaat het om een groep die wel eens vijf keer zo groot zou kunnen zijn: 50.000. Volgens directeur Gerhardt, de beheerder van het [Wehr-macht] archief, ‘kan het aantal nakomelingen van Duitse militairen veel hoger liggen omdat de registratie in 1944 ophield. Soldaten die in bezet gebied een kind verwekten, moesten dat melden. De vrouwen kregen onder meer geld van het Duitse Rijk omdat de Nederlanders arische afstammelingen waren, aldus Gerhardt. Het Wehrmacht-archief krijgt de laatste tijd steeds meer aanvragen - drie tot vijf per week - uit Nederland van mensen die informatie willen over hun Duitse vader. Veel oorlogskinderen kregen pas na de dood van hun moeder te horen dat zij door een Duitse militair zijn verwekt, aldus Gerhardt. De moeders zwegen uit schaamte.’ Aldus De Volkskrant.
Rooie rotmeid
‘Vlak bij mijn huis zag ik mijn moeder voor de deur staan met een paar mensen uit de buurt. Zij uitte luidkeels haar misnoegen dat bij de slager aan de overkant de Nederlandse vlag hing. Zoiets kon en mag toch niet want die vuile rooie rotmeid van de slager was toch een “moffenhoer”. Ze moet zo rond de twintig zijn geweest. In de laatste jaren van de oorlog ging ze vaak in gezelschap van een Duitse Wehrmachtofficier naar de kerk. Vaak wandelden ze door de buurt als een echt verloofd stel, daar was niets ordinairs bij. Het was deze “moffenhoer” waar mijn moeder haar bijltjesdag op wilde botvieren. “Kom mensen, laten we die vlag eraf halen en die vuile meid gelijk kaalscheren.” Mijn moeder pakte een grote houten huishoudtrap en stak met de meute buurtbewoners de straat over. De Nederlandse vlag werd weggehaald en in triomf weggevoerd. Op het rumoer kwamen plotseling figuren tevoorschijn met blauwe overalls en oranje banden om hun arm. De oranjeblauwen sloegen de winkelruit in en riepen dat ze die meid moesten hebben. Haar broer stormde met een slagersmes van achter de winkel en riep dat ze van zijn zus af moesten blijven. Een paar BS’ers bedreigden hem met hun stengun en dwongen hem weer naar het achterhuis. De “buurtdames” vonden al snel het meisje dat zich versopt had in een koelcel die buiten gebruik was. Ze had een bruine jurk aan en werd naar buiten gesleept.
Iemand anders had inmiddels een handkar gevonden, waar ze op gesleurd werd. Ze moest rechtop gaan staan en mijn moeder en de ander begonnen haar bruine jurk van het lijf te rukken, die algauw in flarden hing over haar lange roze onderjurk. Het meisje huilde hartverscheurend. Het publiek joelde. Een achter haar op de handkar geklommen man begon met een tondeuse haar hoofdhaar weg te nemen, meer rukkend en trekkend dan echt kaalscherend. Vele omstanders maakten van de gelegenheid gebruik om op haar te spugen en haar te stompen.’ (anonieme brief, geciteerd in Monika Diederichs: Wie geschoren wordt moet stil zitten, p. 167-168)



