Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Internationaal

Historische achtergrondinformatie over 'kinderen van foute ouders'

Het verhaal van de kinderen van foute ouders is beslist niet alleen Nederlands. Het speelt overal, met name natuurlijk in Duitsland en Oostenrijk. Daar kwam het eind jaren ’70 voor het eerst in de openbaarheid door Vaterspuren van Sigfrid Gauch en enkele jaren later nogmaals door Schuldig geboren (1986) van Peter Sichrovsky’s en Die Kinder der Tater (1987) van Dörte von Westernhagen. Vooral het boek van Sichrovsky, in 1995 met enige aanvullingen ook in het Nederlands verschenen, baarde nogal wat opzien, niet in de laatste plaats omdat de auteur joods is en eerder over jonge joden in Duitsland en Oostenrijk gepubliceerd had. Sichrovsky bleef overigens ook later verbazen, ondermeer door zijn toetreden tot de extreemrechtse FPO van Jörg Haider en de mededeling dat hij voor de Mossad, de Israëlische geheime dienst, gewerkt zou hebben. Eerder dan in Duitsland was het verhaal van de kinderen in Frankrijk verteld, door Marie Chaix. Zij is vermoedelijk ook de eerste in Europa geweest die dat gedaan heeft.
Opmerkelijk is de grote gelijkenis in de verhalen van de kinderen van foute ouders van buiten de Nederlandse grenzen. Het zijn steeds dezelfde thema’s, dezelfde thema’s ook die bij de Nederlandse kinderen spelen, van zwijgzaamheid, de haat-liefde verhouding met de ouders, het buitengesloten zijn, het verlangen naar erkenning. Uitzonderlijk daarom zijn de verhalen van Niklas Frank en Gudrun Burwitz. De reactie van eerstgenoemde op zijn vader is zo extreem negatief, hard, fysiek en seksueel geladen dat hij niet anders dan verbazen kan. Hetzelfde maar dan omgekeerd geldt voor het verhaal van Himmler’s dochter Gudrun Burwitz. Zij heeft de man altijd door dik en dun verdedigd en was dan ook goed bevriend met een neonazi als Florentine Rost van Tonningen.
In de Scandinavische landen en in het bijzonder Noorwegen gaat men nogal anders om met de kinderen van foute ouders dan in de rest van Europa. Zo kreeg Eystein Eggen zo-iets als een staatssalaris en bood de staat Noorse Lebensborn-kinderen in 2007 compensatie aan.

Trotzdem
Een interessante versie van ‘(liefde) ondanks alles’ biedt het verhaal dat de ZDF in 2002 uitzond over de twee dochters van Arthur Liebehenschel, commandant van Auschwitz van eind 1943 tot begin 1944. De dochters deden daarin alle mogelijke moeite voor de man verzachtende omstandigheden aan te voeren zodat zij hem toch maar vooral konden herinneren zoals zij wilden: als een lieve vader. Voor het interview, zie history.zdf.de/ZDFde/inhalt/6/0,1872,2021382,00.html?dr=1

De verzoening van een Lebensborn-kind
‘As a grown woman I met my father and my mother for the first time. My mother was a strong healthy woman who had suffered a lot because of me. She has a wonderful smile and a great sense of humour. She impresses me. She is now 81 years of age. I met my father in Germany. He was paralysed after a stroke. In spite of that he spoke 3 languages fluently. He had a beautiful home and a nice wife. He was a nice, very intelligent and wise man. Indeed, my parents were neither of them like I had been told they would be. It was not true. They were just human beings who did what their hearts told them to do in a difficult time. It was important for me to learn to know them and in a way to forgive them. It gave me peace at heart. But why was I not allowed to love them when I was a child and needed to?’ (Elna Johnsen, geciteerd in het door de Werkgroep Herkenning gesponsorde International Bulletin het voorjaar 2004)


Lebensborn

Over de organisatie Lebensborn zijn volgens Hanna Visser (Bulletin van de Werkgroep Herkenning, winter 2007) een paar hardnekkige onjuistheden in omloop, ‘variërend van: het was een charitatieve instelling, zoals in 1948 een Amerikaanse militaire rechter in Nürnberg verklaarde, tot: het was een bordeelachtig instituut waar Arisch-raszuivere kinderen werden “gefokt”.’ Beide is onjuist. In feite waren de Lebensborn gewoon kinderen van ongehuwde, zogenaamd ‘zuiver Arische’ meisjes die zwanger raakten van een eveneens ‘zuiver Arische’ man. Dergelijke kinderen mochten niet geaborteerd worden en werden daarom opgevangen is zogenaamde Lebensborn-huizen.
Buiten Duitsland en Oostenrijk hebben de nazi’s vooral in Noorwegen veel werk van de Lebensborn gemaakt, met als gevolg dat er in dat land zo’n 10.000 tot 12.000 Lebensborn-kinderen rondlopen. In de volksmond werden zij tyskerunger genoemd, Duitse kinderen. Lebensborn zorgde goed voor de vrouwen die een kind ter wereld moesten brengen. Niet alleen konden ze vóór en na de geboorte in een Lebensborn-huis verblijven maar ook hield men de geboorte, ondermeer door de aanwezigheid van een eigen register van de burgerlijke stand, geheim en droeg bij aan de verzorging en eventuele adoptie van het kind. Net als de kinderen van Duitse militairen in Nederland werden zij en hun moeder na de oorlog met de nek aangekeken. Maar anders echter dan in Nederland hebben de Noorse oorlogskinderen aan de bel getrokken en zelfs schadevergoeding geëist. De regering is daaraan deels tegemoet gekomen.


Marie Chaix

Marie Chaix (1942) is de dochter van Albert Beugras, een van de leidende figuren in de Franse rechts-radicale Franse partij die onder leiding van de voormalige communist Jacques Doriot stond, de PPF (Parti Populaire Français). Van de vier kinderen van Beugras stierven de jongens op jonge leeftijd, de een tijdens een bombardement in Duitsland, de ander in de jaren vijftig aan een ziekte. Blijven de meisjes. Een van hen is de in Frankrijk bekende chansonnière Anne Sylvestre, de ander studeerde Duitse taal en letterkunde, werkte als vertaalster en was secretaresse van een andere chansonnière, Barbara. In 1974 publiceerde zij onder de achternaam van haar eerste man haar eerste boek, Les lauriers du lac de Constance. Chronique d’une collaboration, in Frankrijk en misschien zelfs wel in heel Europa het eerste boek waarin een kind van een gewezen nazi-sympathisant openlijk spreekt over het verleden van zijn familie. Het is een sterk literair boek, met herinneringen, brieven en dagboekfragmenten. Daarin probeert de schrijfster/dochter zich zo goed mogelijk te verplaatsen in de positie van de vader. Zijzelf, op dat moment nog een baby of kleuter’ komt niet meer dan zijdelings ter sprake (‘Je suis née en 42. D’autres sont les enfants de la guerre... Moi, je suis un enfant de la collaboration’). De toon ervan is even oprecht als broos. Of het allemaal ook historisch verantwoord is, is een tweede. De schrijfster verplaatst zich in het boek in het leven van haar ouders. Dat gaat onvermijdelijk met veel verbeelding gepaard. Het verhaal is chronologisch opgezet, begint in de
jaren ’30 en eindigt, op een epiloog na, met het bezoek dat de ik-persoon brengt aan de mijnheer die in de gevangenis zit. Die mijnheer is de vader. Met een groet aan hem eindigt ook de epiloog van het boek, drie pagina’s waarin de schrijfster vertelt wat er nadien gebeurde. Zij was twaalf toen de vader terugkeerde. ‘Ik kende je niet en verachtte je,’ schrijft ze. Thuis werd er weinig gesproken, over politiek al helemaal niet. ‘Je had het erg druk, je zocht werk. Geen van je oude kameraden heb je ooit opgezocht.’
‘Was ik niet nieuwsgierig?’ vraagt de ik-figuur zich af. ‘Het is mogelijk. Alie [de moeder] heeft me de stilte geleerd. Liever dan weten wilde ik vergeten. Voor haar, om haar niet meer te zien huilen.’ Maar langzaam verandert de verhouding. Vader en dochter bouwen een band op, de vader maakt de dochter aan het lachen. En dan sterft de broer en zoon. De vader veroudert snel, ‘je t’ai regardé te craqueler, te démolir, tomber, mourir’, en sterft. Laatste zin: ‘Ik heb niet alles begrepen maar ik begin je te leren kennen. Dag mijnheer. U kunt rustig slapen.’


Sigfrid Gauch

Sigfrid Gauch is na Marie Chaix het eerste ‘kind van’ geweest dat een boek schreef over zijn nazi-vader. Dat werd Vaterspuren, uit 1979. Gauch’ vader was arts, gespecialiseerd in rassentheorie en nazi van het eerste uur (1922). In zijn werk ging hij zeer ver en beweerde bijvoorbeeld dat vogels beter tot praten in staat waren dan andere dieren omdat de structuur van hun bek ‘Nordisch’ was. Vader Gauch bleef zijn ideeën ook nog na de oorlog trouw. Tijdens het Eichmann-proces werd hij een van de geestelijke vaders van de jodenvernietiging genoemd.
Zoon Sigfrid werd geboren in 1945 en begon zijn schrijfcarrière in 1974 met gedichten. Zijn enkele jaren later verschenen boek over zijn vader maakte veel los en is, althans wat Duitsland betreft, te zien als het begin van wat een lange reeks zou worden: van kinderen van nazi’s die op zoek gingen naar hun ouders, in het bijzonder vader.


Eystein Egge

In 1993 publiceerde de Noorse schrijver Eystein Eggen (1944) Gutten fra Gimle (The Boy from Gimle), het verhaal van een nazi-kind en een poging de geschiedenis van het Noorse fascisme in zijn context te plaatsen. Gimle is het kasteel waarin volgens de Noorse mythologie de goden leven en was tevens de naam van een van de huizen van de grote Noorse fascist Vidkun Quisling.
Voor vele lotgenoten van Eggen betekende The Boy from Gimle de doorbraak en het begin van hun ‘coming out’. Zie hierover het uitvoerig verslag, in het Engels, van Eggen’s vriend en lotgenoot Ole Wilhelm Klüwer (home.online.no/~kluwer/engl.htm). Op-merkelijk vooral is dat deze openbare bekentenis in Noorwegen zo anders ontvangen werd dan in andere landen. Zo werd op 8 mei 1995 in het Noors parlement openlijk excuses aan de kinderen van foute ouders aangeboden en ontving Eggen later een staatsstipendium.
Veel informatie (in het Noors) en foto’s over Eggen en zijn boek zijn te vinden op:
www.pluto.no/doogie/volapuk/litt/E_Eggen/Dokumentasjonsside_gimle.htm


Niklas Frank

Niklas Frank is de in 1939 geboren zoon van de Poolse gouverneur Hans Frank. Laatstgenoemde werd door het tribunaal van Neurenberg ter dood veroordeeld en in oktober 1946 geëxecuteerd.
Zoon Niklas publiceerde in 1987 een boek over zijn vader dat veel opzien baarde door de onverholen woede die de zoon tegenover de vader koesterde en de toon waarop hij van deze woede blijk gaf. In de Nederlandse vertaling droeg dat boek dan ook de titel Vader, ik haat je. Een afrekening (z.p. z.j.). Een paar voorbeelden:
• ‘toen ik je doodsfoto voor het eerst zag, was ik versuft. Nu walg ik alleen nog maar van je dode gezicht, waarop je leugens niet neergestorven zijn.’ (p. 8)
• ‘Het breken van je nek bespaarde mij een verknoeid leven. Wat zou jij met je gewauwel mijn brein vergiftigd hebben! Net als dat van de zwijgende meerderheid van mijn generatie die niet het geluk had dat hun vader werd opgehangen.’ (p. 19)
De haat van zoon Frank ten opzichte van zijn vader heeft veel met de actuele politiek te maken. Zo kreeg hij vaak te horen dat hij niet begreep wat er destijds gebeurd was en daarom niet zo hard moet oordelen. ‘Maar ik begrijp het wel, vader,’ luidt zijn commentaar, ‘ik leef in een soortgelijke tijd. We richten weer getto’s in, nu voor asielzoekers en gastarbeiders, en bij het gas zijn we al bij de letter C.’ In zoverre is Niklas Frank dus een typische vertegenwoordiger van de generatie die in de jaren zestig en later een standpunt innam dat diametraal tegenover dat van de ouders stond. Daarmee onderscheidde hij zich wel van de meeste andere Duitse kinderen van foute ouders. Zij hadden evenals in Nederland met hun ouders veelal een haat-liefde verhouding.


Peter Sichrovsky: Fout geboren

In de Nederlandse editie van Schuldig geboren. Kinderen van nazi’s van Peter Sichrovsky zijn ook enige interviews met Nederlanders en Vlamingen toegevoegd, plus een interview met kleinzoon Helmut Seyss-Inquart, geboren in 1956. Hij wordt door Sichrovsky ‘de deemoedige’ genoemd. Hij zegt dat het hem moeite kost zijn grootvader een oorlogsmisdadiger te noemen terwijl hij weet dat de man tot zijn laatste snik het systeem trouw is gebleven. Ook zegt hij dat pas zijn generatie met het oorlogsverleden kan afrekenen. Zijn ouders konden dat nog niet. Vandaar ook dat het hem door (het oudere deel van) de familie kwalijk werd genomen dat hij met de Anne Frank Stichting in zee was gegaan.
De meeste door Sichrovsky geïnterviewde personen zijn geen kinderen van bekende nazi’s maar ‘gewone’ kinderen. Hun houding ten opzichte van de ouders verschilt niet noemenswaardig van die van hun Nederlandse soortgenoten. Ook bij hen zijn het telkens dezelfde thema’s: schuldgevoel, loyaliteit, angst voor herhaling, woede, zwijgen. Vooral dit laatste wordt door de kinderen als ernstig ervaren. Hadden de ouders maar gepraat! Hadden ze maar iets gezegd! Hadden ze maar... Te laat. ‘Wat de ouders nalieten, konden de kinderen niet inhalen,’ schreef Sichrovsky in, let wel, 1995 (het jaar dat de Nederlandse vertaling verscheen). Sindsdien is er wel veel veranderd.


Daders als slachtoffers
‘Voor mij was het belangrijkste dat de naoorlogse generatie hun ouders nooit in de rol van nazi-held heeft meegemaakt. De stralende jeugdige held in SS-uniform, heilig gelovend in Hitler en de eindzege, was ook voor hen geschiedenis. Ze kenden die van plaatjes en uit boeken. Aangezien ze vlak voor of direct na de oorlog waren geboren, herinneren zij zich hun ouders heel anders: hun ouders waren vaak op de vlucht, door bombardementen dakloos gemaakt, zonder huis of werk, werden gezocht door de geallieerde politie, gearresteerd en soms veroordeeld. Die kinderen herinneren zich hen vaak als
oorlogsslachtoffers. Als slachtoffers van een verloren oorlog.’


Norbert & Stephen Lebert: Want jij draagt mijn naam

In 2000 publiceerden Norbert (vader) en Stephan (zoon) Lebert een boek over zes kinderen van beruchte nazi’s: Hess, Bormann, Himmler. Göring, Frank en Von Schirach. Het interessante aan het boek is dat enkele van de kinderen twee keer geïnterviewd werden, eerst in 1959 door Norbert Lebert voor het tijdschrift Weltbild, daarna in 1999 door Stephen Lebert voor dit boek. Conclusies zijn er die interviews nauwelijks uit te trekken of het zou moeten zijn dat het leven van de kinderen indringend getekend werd door dat van de ouders maar dat die tekening totaal verschillend kan uitpakken. Zo herhaalt Niklas Frank zijn weerzin terwijl Gudrun Burwitz-Himmler met zoon Lebert weigerde te praten – ze had wel met de vader gesproken – omdat ze wist dat een dergelijk gesprek verkeerd zou lopen. Zij immers bleef haar vader verdedigen. ‘Er bestaat een foto, in 1998 genomen door een fotograaf van Bildzeitung, in de straat voor haar huis,’ eindigt het hoofdstuk over haar dan ook. ‘Een hard gezicht, in een knot opgestoken haar, laarzen, parelketting, sportief omgeslagen sjaal. Het klinkt misschien een beetje naïef, maar ze zou op die foto zonder meer voor een leidster van de Bund Deutscher Mädel kunnen doorgaan. Alsof ze teruggestraald was naar het vervloekte verleden.’
Gudrun Burwitz-Himmler is een uitzondering zoals Niklas Frank dat trouwens ook is. De meeste anderen worstelen zoals (gewezen) priester Martin Bormann worstelt. ‘Enerzijds is er zijn vader, aan wie hij zijn leven dankt; en van die vader houdt hij, nog steeds,’ schrijft Lebert. ‘Vierde gebod: eerst uw vader en uw moeder. Anderzijds is er de vader, Martin Bormann, die grove misdaden heeft begaan... Tegenover die vader staat hij kritisch, zacht gezegd.’ Hoe kritisch had Martin Bormann in een eigen boek al eerder beschreven. Dat boek, Leben gegen Schatten, was in 1996 in Paderborn verschenen. Net als in het boek van Hanna Visser speelt de verzoening met de joden hierin een hoofdrol.

Een dans aan de trapeze
‘Dit is een slotsom uit de bezoeken aan de nazi-kinderen: sommigen van hen leiden een versteend bestaan, anderen, die de twijfel, de woede, de onmacht, de waarheid binnenlaten, zijn begonnen aan iets wat je misschien een dans aan de trapeze zou kunnen noemen, zonder net, boven een diepe afgrond. Een dans waarvan niemand weet wanneer en hoe hij zal eindigen.’