16 september 2008
Bevrijding
Een familie kroniek
Hij was in de veertig en overtuigd communist. Gezien zijn achtergrond geen vreemde keuze. Een kind uit de arbeidersklasse zoals dat in die tijd nog zo mooi genoemd werd. Werkzaam bij het spoor. Getrouwd en vader van vijf kinderen die de drie groten en de twee kleintjes genoemd werden. Voor de partij had hij na afloop van zijn werk gecollecteerd. Iedere avond als hij rond half acht thuis kwam ging hij daarna op pad, de deuren langs. Geld ophalen en zieltjes winnen. Het ging hem goed af, hij sprak vol vuur en passie over betere arbeidsomstandigheden, één Europa, het grootkapitaal en een betere toekomst voor de generatie na hem.
Hij had zich het vuur uit de sloffen gelopen en nu bleek de opbrengst die hij en zijn kameraden bijéén gebedeld hadden weg. Meer dan 2500 gulden verdwenen. Het hoofd van hun afdeling en zijn gezin bleken ook verdwenen te zijn. Met meenemen van 2500 gulden. De politie deed niets, het was ten slotte een communistische aangelegenheid en die moesten hun eigen zaken maar opknappen.
Zijn geloof in de communistische heilstaat had een behoorlijke knauw gekregen. Met een vloek en een zucht zei hij zijn lidmaatschap op. Hij was verbitterd en boos. Toch bleef hij geloven dat het politiek gezien beter kon, beter moest. Hij hoorde van de idealen van de Nationaal Socialistische Beweging en haar ‘leidend beginsel’. Voor het zedelijk en lichamelijk welzijn van een volk is nodig een krachtig staatsbestuur, zelfrespect van de natie, tucht, orde solidariteit van alle bevolkingsgroepen en het voorgaan van het algemeen (nationaal belang) boven het groepsbelang en van het groepsbelang boven het persoonlijk belang. Hij geloofde daarin en hij maakte zijn keuze. Het was 1933.
———-
Hij was de één na oudste van de drie groten. De eerste zoon, zijn vaders trots, zijn moeders oogappel. Hij zat op de HBS en dat was veel meer opleiding dan zijn vader ooit had gehad. Hij was ambitieus, haalde hoge cijfers en hij wilde officier worden in het Nederlandsche leger. Hij vond de sfeer in huis verschrikkelijk de laatste tijd. Iedere avond die ruzies en discussies met zijn vader over de NSB. Zijn moeder deed daar niet aan mee. Zij bewaarde liever de lieve vrede. Hij zou blij zijn als hij zijn eindexamen gehaald had. Dan kon hij zich tenminste aanmelden voor de officiersopleiding en uit huis gaan. Dan hoefde hij geen ideologische discussies meer met zijn vader aan te gaan. Geen gemakkelijke man die vader van hem om mee te discussiëren. Hij haalde zijn eindexamen en ging vol goede moed richting keuring.
De stad waarin hij woonde was niet zo groot en iedereen kende iedereen. Hij noemde zijn naam, degene die hem inschreef keek hem vreemd aan. Er werd gevraagd naar zijn vaders lidmaatschap. Hij begreep het niet goed. Hij was toch geen lid, iedereen wist toch dat hij het niet met zijn vader eens was op politiek gebied. Hij werd afgekeurd. De Nederlandsche Staat wilde hem niet. Geen NSB’ers in Nederlandsche dienst. Het was begin 1940.
———-
Ze was de oudste van de twee kleintjes. De enige met zwarte haren in dat blonde gezin. Daar was ze vroeger flink mee gepest. Ze zou 17 worden in december. Ze was een mooie meid. Trots en uitdagend en dat moest ze nu bezuren. Ze werd uit de rij gehaald. Hysterische vrouwen bespuugden haar. Heur haar werd afgeschoren, tenslotte was ze wel eens van school gehaald door haar oudste broer in uniform. Eén van de vrouwen herkende ze. Een meikever dacht ze. In mei 1940 lid geworden van de NSB en na bijltjesdag het lidmaatschap opgezegd.
Ze vroeg zich af wat ze had gedaan. Wat haar zusje had gedaan. Ze stond daar in haar afgetrapte kloffie. Er werden koolstronken gegooid. Ze voelde het bloed langs haar hoofd lopen. Daar zal ik wel een litteken aan over houden dacht ze. Ze dacht terug aan het grote bombardement in Leipzig. Als ze toen in de Hochbunker was gegaan in plaats van in de Tieffbunker dan stond ze hier nu niet. Ze dacht terug aan de brandende mensen die ze daar had gezien. En het geschreeuw en gescheld ging langs haar heen. Ze was blij dat haar zusje daar niet stond en vroeg zich af waar haar vader en moeder waren. Haar vader was opgepakt wist ze. Haar moeder ook, en haar kleine zusje stond bij haar in de rij. Waar haar twee grote broers waren, ze had geen idee. Het heropvoedingskamp waar ze in terecht kwam was voor een mooie meid als zij geen pretje. Ze werd mishandeld en verkracht en nog steeds vroeg ze zich af wat zij nou toch gedaan had. Ze had niemand verraden, niemand aangegeven, ze was wie ze was. Het kind van haar vader. Het was 1945.
Toen ze na twee jaar voldoende heropgevoed was en ze eindelijk naar huis mocht was er geen huis meer. Geen huisraad, helemaal niets. Alles gestolen door buren en bekenden. Weg! Haar vader zat in een kamp. Haar moeder werd ook heropgevoed, haar broers waren spoorloos en zij en haar zusje moesten het uitzoeken. Ze dachten dat ze nu ze uit het kamp waren eindelijk vrij zouden zijn. Dat bleek nogal optimistisch gedacht. Als zij werk ging zoeken dan kreeg ze te horen dat ze de baan kon krijgen, maar wel voor de helft van het salaris dat er normaal voor stond. NSB’ers hadden geen recht op gelijke betaling. Ze nam de baan, ze had een zusje om voor te zorgen.
Ze ging naar de grote stad hopend dat ze daar minder bekend zou zijn. Ze trouwde met een marine man. Hij noemde haar als het zo uitkwam NSB-hoer. Ze was weer terug gegaan naar de stad van haar jeugd. De oorlog was immers al lang voorbij. Ze kreeg drie kinderen. De oudste geboren in 1952. Op school werd hij uitgescholden voor NSB’er. Gepest, geslagen, getreiterd. En als de vrouw op school verhaal ging halen werd haar te kennen gegeven dat ze niet moest zeuren. Dat leerde zij haar kinderen dus ook. Niet zeuren.
De vrouw ging scheiden. Ze stond alleen met haar drie kinderen. Er moest gewerkt worden. Over haar verleden werd niet gesproken. Ze was een slimme tante en kon na jaren hard werken een prima functie krijgen bij de vakbond. Daar hing wel een antecedenten onderzoek aan vast. Ze nam haar baas in vertrouwen ze moest wel. Die zei dat het geen probleem zou zijn. Ze leefden tenslotte in de jaren zeventig. Ze was zelf immers nooit lid geweest, ze was pas twaalf toen de oorlog uitbrak. Ze kreeg een briefje van de vakbond. Gezien haar vaders lidmaatschap van de NSB zou ze de (publieke) functie toch niet krijgen. Dat begreep ze toch wel. Als zij die functie kreeg zou de bond kwetsbaar zijn. Haar middelste zoon kwam woest thuis. Hij had een meisje ontmoet die woonde in de straat waar zijn moeder vroeger gewoond had tijdens de oorlog. De buren waren naar het meisje toegekomen en hadden haar toegesist dat hij een NSB-hoerenjong was. Of ze dat wel wist. Wat hij gedaan had? Hij was het kleinkind van zijn opa. Het was 1980.
———-
De dochter trouwde met een kleinzoon van een echte verzetsheld. Niet van die halfslachtige die je soms ziet op tv. Een echte die met gevaar voor eigen leven Joden heeft helpen ontsnappen. Joden in de onderduik had. Toen haar moeder hoorde van de grootvader van haar vriendje werd ze angstig. Het werd bespreekbaar gemaakt tijdens een etentje. De ene grootvader had de andere gekend en had prima met hem door een deur gekund. De vader van het vriendje had na de oorlog met de grootvader van het meisje gewerkt. Ze hadden gesprekken over de oorlog gehad. Over gemaakte keuzes en over spijt. De kleindochter van de NSB’er en de kleinzoon van de verzetsheld trouwden samen. De vrouw slaakte een zucht van opluchting zou het eindelijk over zijn? Het was 1986.
De kleinzonen van de vrouw zijn grote mannen nu. Laatst werd er eentje aangesproken op het verleden van zijn oma en zijn overgrootvader. Hij lachte en zei tegen zijn vriend: ‘Als jij denkt dat ik me schuldig ga voelen over de keuze die mijn overgrootvader gemaakt heeft dan spoor je niet. Mijn ene overgrootvader was een echte verzetsheld. De ander lid van de NSB. Ik laat me niet voorstaan op wat de verzetsheld heeft gedaan en ik schaam me niet voor de keuzes die de NSB’er heeft gemaakt, biertje?'
Het is 2008, eindelijk vrij



