4 maart 2000
5 september 1944
Deel 1 van Herinneringen die gebleven zijn
In september 1942, nu ik dit schrijf zesenvijftig jaar geleden, ging ik naar de HBS.
Mijn vader had voor de boeken gezorgd; ik vond het een indrukwekkende stapel. Nu, zoveel jaren later, worden ‘Kramers Duitsch Woordenboek’ en ‘Campagne’s Engelsch Woordenboek’ nog steeds door mij gebruikt. Zij zijn in desolate toestand. Omdat ik een weinig francofiel ben heeft mijn Franse woordenboek het intensieve gebruik door de jaren heen niet overleefd, zodat ik al weer vele jaren geleden hiervoor een nieuwe ‘Koenen’ heb moeten aanschaffen.
Het enige boekwerk, dat naast de twee woordenboeken eveneens ontkomen is aan de tand des tijds is de door mij zeer gekoesterde Bosatlas. Dat de atlas eigenlijk is samengesteld door de combinatie Bos-Niermeyer schijnt niemand te interesseren en moet Niermeyer zeer hebben gekwetst.
Het moet mij even van het hart, dat de schoolboeken van mijn kinderen weinig uitzicht hadden op een lang en dienstbaar leven. Mijn middelbare-school-kinderen stopte de zo zeer door hen gehate schoolboeken in een zogenaamde pukkel, die alles was, behalve een ding om boeken in te vervoeren. Het ‘ding’ was zo handzaam, dat je hem - eensgezind met al je school- vrienden - van waarlijk grote afstand op een hoop kon slingeren, hetgeen als een symbolische uitdrukking kan worden beschouwd van de collectieve aversie over alles wat school is.
Mijn Bosatlas heeft het zeer goed overleefd. Hij is uitgegeven in 1939, was met zijn ingedrukte prijs van f 7,85 veruit het duurste boek, dat tot dan toe ooit door mijn ouders was gekocht en ik zweer je, hij is hard op weg een collectors item te worden. Mijn vader was ongetwijfeld ook geïmponeerd, want hij schreef er voor alle zekerheid in zijn mooiste handschrift mijn naam en adres in.
Mijn Bosatlas van 1939 is met zijn onovertroffen natuur- en staatkundige kaarten één grote uitnodiging tot ronddwalen door en dromen over een toen nog avontuurlijk ogende wereld.
‘De Grote Bosatlas’ van 1995, die mij enige jaren geleden welwillend is geschonken, is daar- tegenover zó overweldigend, zó niet-aflatend complex over een inmiddels tot in zijn verste uithoeken door ons uitgeplozen en afgekloven wereld, dat ik mij wel twee maal zal bedenken mijn oude atlas daarvoor af te danken.
In 1939 - leert mijn Bosatlas mij - was de halve wereld kolonie van Engeland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Nederland en België. Israël was nog Palestina en Wenen en Praag lagen in Duitsland. Het is die aardrijkskundige kwaliteit van mijn atlas, die mij onlangs naar boven, naar mijn werkkamer deed gaan. In een opwelling wilde ik aan de hand van de landkaart uit die tijd de sfeer oproepen van mijn treinreis van 5 september 1944 richting Oldenzaal . Een treinreis, die ik samen met mijn moeder en jongste zusje maakte, waarvan de eindbestemming - zoals eerst later zou blijken - Blekede was, een plaatsje ergens op de Lüneburger heide. Mijn zusje was in die tijd herstellend van een hersentumor. De eerste symptomen van de tumor waren zichtbaar geworden, toen zij een hand op de kachel - op een brandende kolenkachel - legde en niet reageerde. Daarna is ze snel achteruit gegaan tot ze aan armen en benen volledig was verlamd en de doktoren haar nog zes weken te leven gaven. Mijn moeder reageerde daarop door haar voor die laatste weken naar huis te halen, waarna zij heel langzaam, te beginnen met vinger na vinger, haar gevoel weer terug kreeg. Ten tijde van de treinreis naar Blekede kon zij met behulp van krukken al weer een heel klein beetje zèlf vooruit komen.
Als je met de trein naar Oldenzaal reist rijd je dwars door de heuvelruggen van de Veluwe. Het was dáár, in een diepe uitsnijding door de heuvels, dat onze trein werd beschoten door een Engels jachtvliegtuig.
In die tijd waren er nog treinen zonder corridor bestaande uit een aaneenschakeling van kleine compartimenten , waarbij elk compartimentje links en rechts zijn eigen uitgang had.
“Ze schieten!”, werd er geschreeuwd en weg was ik.
Op dat moment is mij onbewust een bekwaamheid van pas gekomen, waarover ik mij op latere leeftijd ben gaan verbazen. Die bekwaamheid bestond daaruit, dat ik als een soort kangoeroe vanaf de bovenste tree van een trap een zo groot mogelijke sprong omlaag kon nemen om vervolgens hangende in de lucht te bekijken op welke tree zou worden geland en verder gestuiterd. Die eigenschap kwam mij van pas toen ik onverhoeds uit de rijdende trein naar Oldenzaal sprong; een trein, die nog bezig was met de noodstop.
Ik was dus weg in een flits.
Jaren later heb ik het van mezelf verre van heldhaftig gevonden, dat ik - toen het schieten begon - maar aan een ding heb gedacht: ‘weg hier’ en dat ik mijn moeder met mijn gehandicapte zus zonder meer aan hun lot heb overgelaten. Hoeveel eerzamer zou het niet zijn geweest als mijn moeder naderhand had kunnen verhalen hoe zorgzaam ik als veertienjarige toch voor hen was geweest, terwijl de kogels ons om de oren vlogen. Nu moest zij helemaal alleen zien, dat zij mijn zusje in veiligheid bracht, wat zij deed door (zoals ik later hoorde) haar zo snel als maar mogelijk onder de trein te sleuren.
Ikzelf rende met vele anderen de heuvel op richting de bossage op de top en keek om, toen de Spitfire weer schietend over kwam. Het maakte een onwezenlijke indruk; zo’n geelgekleurd speeltje, dat op een meter of vijftien boven de trein in een prachtig nazomerlandschap voorbij taxiet en zelf furieus wordt beschoten door ‘Flag’, het Flugzeugabwehrgeschütz, dat op de laatste treinwagon was opgesteld.
Ik bereikte het bos op de top van de heuvel, toen hij voor de derde keer langs kwam en de vluchtenden beschoot, die nog op het talud waren. Hij moet daarbij zèlf zijn geraakt, want hij verdween voorgoed achter de bomen met een rookpluim uit zijn motor.
Toen ik weer omlaag durfde passeerde ik een vrouw, die met omhoog getrokken jurk vol afgrijzen, maar zonder een kik te geven, omlaag keek naar haar rechter bil, waarvan het grootste deel was verdwenen. Een drietal mannen stond erbij en keek ernaar, kennelijk ook niet wetend hoe haar te helpen. Ook kwam ik langs een jongen met een korte broek net als ik, die doodstil voorover tegen het talud lag. Hij leek mij van mijn leeftijd. Naderhand hoorde ik van mijn moeder, dat ze had gedacht, dat ik dood was, omdat ze had gehoord, dat een jongen van een jaar of veertien- vijftien met een korte broek, dood op het talud was aangetroffen.
Eenmaal ouder geworden heb ik dikwijls teruggedacht aan dat moment van plotseling opdoemend levensgevaar in die trein, waarbij mijn enige reactie was ‘wegwezen’. Omdat ik mij verantwoordelijk voelde voor mijn gezin, is het gelukkig nooit meer voorgekomen, dat mijn moed zo zwaar op de proef werd gesteld, Onzeker daarover ging ik het gevaar dan ook maar liever uit de weg door met hen bijvoorbeeld een andere route te kiezen in plaats van langs water te rijden.
In september 1944 zijn wij met 18 doden en 35 gewonden, zonder dat ik mij van de verdere reis nog iets herinner, in Blekede aangekomen.



